Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 29 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
ingeschreven op een bij de rechtbank bekend adres in Nederland, nu verblijvende op een voor de rechtbank onbekend adres in Syrië,
advocaat: mr. A.L. Weterings te Oegstgeest.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
ingeschreven op een bij de rechtbank bekend adres in Nederland, nu verblijvende op een voor de rechtbank onbekend adres in Syrië.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.
Op 14 augustus 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , en [minderjarige 3] hebben, via videoverbinding, in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt aan de kinderrechter.
De vader is – hoewel daartoe behoorlijk (aangetekend en per gewone post) opgeroepen op zijn adres volgend uit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) – niet aanwezig op de zitting en de rechtbank heeft ook geen bericht van de vader ontvangen.
Feiten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ,
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats 2] .
Verzoek en verweer
De moeder heeft de rechtbank verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
de minderjarigen onmiddellijk, doch vóór of uiterlijk op 15 augustus 2025 dienen terug te keren naar hun gewone verblijfplaats in Nederland, althans dat de terugkeer zal plaatsvinden op een datum en wijze als de rechtbank in goede justitie juist zal achten, waarbij de man de minderjarigen terug dient te brengen naar Nederland, meer specifiek [plaats 2] , althans de staat waar hun gewone verblijfplaats is gelegen, dan wel indien de man dit nalaat, te bevelen dat de man de minderjarigen op eerste verzoek dient af te geven aan de vrouw met geldige reisdocumenten, waaronder die van haarzelf, zodat de vrouw de minderjarigen kan teruggeleiden naar Nederland:
voor zover rechtens vereist nu dit reeds voortvloeit uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering, dat de vrouw en de minderjarigen zo nodig met behulp van sterke arm der wet, althans met de medewerking van het Openbaar Ministerie zullen worden teruggeleid naar Nederland;
de vader in de kosten van teruggeleiding en deze procedure, voor zover de moeder die noodgedwongen zal moeten maken, aan haar dient te vergoeden,
althans zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
voor zover noodzakelijk, aan de vrouw (onbeperkte) toestemming wordt verleend, welke toestemming die van de gezaghebbende ouder, de man in casu, vervangt, dan wel noodzakelijke aanwezigheid van de minderjarigen in kwestie vervangt, om (nood)paspoorten aan te vragen voor de minderjarige kinderen van partijen;
er nooddocumenten worden verstrekt aan de vrouw voor de minderjarigen, om de terugkeer zonder problemen te laten verlopen;
in het geval het verzoek onder I-IV wordt afgewezen dan wel niet-ontvankelijk wordt verklaard: te bepalen dat aan de vrouw onbeperkte vervangende toestemming wordt verleend, welke toestemming die van de gezaghebbende ouder, de man in casu, vervangt, voor het reizen met de minderjarige kinderen van partijen van Syrië naar Nederland,
althans zodanige beslissingen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
De vader heeft geen verweer gevoerd.
Beoordeling
Rechtsmacht
De moeder heeft haar verzoek primair gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag).
Omdat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht in procesrechtelijke zin van openbare orde zijn, zal de rechtbank de vraag naar haar rechtsmacht ambtshalve aan de orde stellen.
Het gaat hier om een zogeheten ‘uitgaande zaak’, wat betekent dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna: de kinderen) zijn overgebracht vanuit Nederland naar een ander land. Dit land – Syrië – is geen partij bij het Verdrag. De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt in dat geval geregeld door artikel 3 van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).
Op grond van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, heeft de Nederlandse rechter in dit soort gevallen rechtsmacht als de verzoeker in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.
De woonplaats van de moeder (verzoeker) is in Nederland, zoals de rechtbank hierna zal toelichten. De rechtbank acht zich op grond hiervan bevoegd om op basis van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, van het verzoek tot teruggeleiding kennis te nemen en verwijst daartoe nog naar het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1085).
Hoewel Syrië geen partij is bij het Verdrag is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) deze wet ook van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.
Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen. Dit neemt niet weg dat de teruggeleidingsrechter in niet door het Verdrag bestreken gevallen van internationale kinderontvoering in het algemeen de nodige ruimte heeft om, als daartoe aanleiding bestaat, af te wijken van de verdragsregeling (zie Hof Den Haag 19 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2020).
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ontvankelijkheid – leeftijd van zestien jaren bereikt?
Op grond van artikel 4 van het Verdrag is het Verdrag van toepassing op ieder kind dat onmiddellijk voorafgaande aan de inbreuk op het recht betreffende het gezag of omgangsrecht zijn gewone verblijfplaats had in een Verdragsluitende Staat. Het Verdrag houdt echter op van toepassing te zijn, zodra het kind de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn 14 jaar respectievelijk 9 jaar waardoor het Verdrag op hen van toepassing is. Ten aanzien van hen kan de moeder daarom worden ontvangen in haar verzoek. [minderjarige 1] daarentegen is al 17 jaar waardoor het Verdrag in beginsel niet meer op haar van toepassing is.
De rechtbank heeft echter, zoals hiervoor is overwogen, de nodige ruimte om af te wijken van niet door het Verdrag bestreken gevallen van internationale kinderontvoering indien daartoe aanleiding bestaat. De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van de verdragsregeling omdat [minderjarige 1] – bij een eventuele teruggeleidingsbeslissing ten aanzien van haar broers – alleen in Syrië zou achterblijven. Zij heeft geen contact met haar vader en zij is bang voor hem. Dat zij alleen zou achterblijven acht de rechtbank niet in haar belang. Daarnaast geldt dat het de uitdrukkelijke wens is van [minderjarige 1] om met haar broers naar Nederland terug te keren. De rechtbank zal de moeder daarom ook ten aanzien van [minderjarige 1] ontvangen in haar verzoek tot teruggeleiding.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).
Standpunt van de moeder
De moeder stelt dat de gewone verblijfplaats van de kinderen nog steeds in Nederland is. Het gezin heeft de intentie gehad naar Syrië te vertrekken voor een periode van januari 2025 tot aan de zomer 2025 om te onderzoeken of het voor hen mogelijk was om weer voorgoed terug te keren naar Syrië. Zij hebben hun woning in [plaats 2] voor deze periode tot aan de zomer onderverhuurd aan derden. Volgens de moeder is het verblijf in Syrië het gezin vrij direct niet bevallen. De ouders hebben geen werk kunnen vinden en de kinderen konden niet aarden op school. Ook sloot de school niet aan bij hun opleidingsniveau. De kinderen beheersen de Arabische taal onvoldoende waardoor zij niet goed op school kunnen meekomen. De kinderen hebben op twee scholen lessen gevolgd. Op beide scholen hebben de leerkrachten aangegeven dat de taalachterstand van de kinderen dermate groot is dat zij op een veel lager niveau zouden moeten instromen. Het niveau waar [minderjarige 1] op zou instromen, betekent dat zij nog vijf jaar bezig is voordat zij op Havoniveau eindexamen kan doen. In Nederland zat zij in 4 Havo. De ouders kunnen een internationale school voor de kinderen niet betalen. De kinderen gaan nu niet naar school en zitten de hele dag thuis. De moeder en de kinderen hebben aan de vader kenbaar hebben gemaakt dat zij terug willen keren naar Nederland. De vader wil echter geen toestemming geven voor de terugkeer naar Nederland en houdt de paspoorten van de moeder en de kinderen achter. De vader heeft ook de telefoon van de moeder en de bankpasjes van de moeder afgepakt. In een poging om alsnog weg te gaan bij de vader is het tussen de vader en de moeder geëscaleerd en heeft de vader de moeder zwaar mishandeld, met een gebroken neus, blauwe plekken en een pijnlijke arm tot gevolg. De moeder is vervolgens aan haar neus geopereerd. De kinderen waren bij dit geweldsincident aanwezig en zijn tussen hun ouders gesprongen om hun moeder te beschermen. De kinderen zijn daarbij door de vader geslagen. De vrouw verblijft nu met de kinderen bij haar familie. De man weigert de paspoorten aan haar terug te geven en weigert in te stemmen met een terugkeer naar Nederland.
Standpunt van de vader
Nu de vader niet op de zitting is verschenen en geen bericht naar de rechtbank heeft gestuurd is dat wat de moeder heeft aangegeven niet door de vader weersproken.
Inhoudelijke beoordeling
Gewone verblijfplaats
De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de kinderen nog steeds in Nederland is en niet is gewijzigd naar Syrië.
De moeder heeft onweersproken gesteld dat het gezin tot aan de zomer 2025 zou bekijken of zij een bestaan in Syrië zouden kunnen opbouwen. De rechtbank ziet dit bevestigd in de omstandigheid dat de ouders de huur van hun woning in [plaats 2] niet hebben opgezegd en als gezin nog ingeschreven staan in die gemeente. Ook zijn alle spullen in het huis achtergebleven. Van een definitieve verhuizing naar Syrië is dan ook niet gebleken.
Op grond van het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de gewone verblijfplaats van de kinderen niet is gewijzigd en dat de kinderen onmiddellijk voor hun vasthouding in Syrië hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.
Gezag
Vast staat dat de beide ouders met het gezag over de kinderen zijn belast. De moeder heeft onweersproken gesteld zij geen toestemming heeft gegeven voor een definitief verblijf in Syrië. Vast staat dat de vader weigert om in te stemmen met de terugkeer van de kinderen naar Nederland en de paspoorten van de kinderen achterhoudt. Op die manier belet hij de kinderen om naar Nederland terug te keren. De rechtbank merkt dit aan als vasthouding van de kinderen in Syrië. Dit is in strijd met het gezagsrecht van de moeder. Daarmee komt de rechtbank tot het oordeel dat de vasthouding van de kinderen in Syrië aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag
Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
Er is minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van de kinderen in Syrië en het tijdstip van indiening van het verzoek. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de kinderen in Syrië zijn geworteld. In beginsel moet de onmiddellijke terugkeer van de kinderen volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.
Weigeringsgronden
Nu niet gebleken is van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag – hierop is ook geen beroep gedaan – dient de onmiddellijke terugkeer van de kinderen te volgen.
Teruggeleiding naar Nederland
De rechtbank zal de teruggeleiding van de kinderen gelasten naar Nederland. Omdat de kinderen al bij de moeder in Syrië verblijven zal de rechtbank de onmiddellijke teruggeleiding gelasten waarbij de moeder de kinderen naar Nederland overbrengt. De vader dient daartoe de reisdocumenten van de kinderen aan de moeder af te geven uiterlijk op 1 september 2025.
Vervangende toestemming (nood)paspoorten
De moeder heeft de rechtbank ook verzocht om voor zover noodzakelijk, als de vader de benodigde reisdocumenten van de kinderen niet aan moeder afgeeft, haar toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt om (nood)paspoorten voor de kinderen aan te vragen.
Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat het verzoek een spoedeisend karakter heeft en de vader de absolute en relatieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag niet heeft weersproken. Zij meent dat de rechtbank Den Haag daarom bevoegd is om hier een beslissing over te nemen.
De rechtbank overweegt dat een verzoek om vervangende toestemming voor een (nood)paspoort is een verzoek met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft.
Op grond van artikel 7 Brussel II-ter zijn heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is. Artikel 265 Rv bepaalt dat de rechter van de woonplaats van de kinderen bevoegd is en dat is [plaats 2] . De rechtbank Gelderland is daarom in beginsel bevoegd om op dit verzoek te beslissen.
De rechtbank is echter van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van connexiteit, als bedoeld in artikel 285 Rv, tussen het verzoek tot teruggeleiding van de kinderen en het verzoek tot vervangende toestemming om (nood)paspoorten voor de kinderen. Om reden van doelmatigheid is een gezamenlijke behandeling van de verzoeken door één en dezelfde rechter gerechtvaardigd en zal de rechtbank het verzoek tot vervangende toestemming niet verwijzen maar aan zich houden.
Omdat de vader de paspoorten van de kinderen en van de moeder heeft ingenomen, er geen contact met hem te krijgen is, en hij– hoewel behoorlijk opgeroepen – niet in deze procedure is verschenen, heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat hij de paspoorten vrijwillig zal afgeven. Aangezien het voor de terugreis naar Nederland noodzakelijk is dat de moeder over (nood)paspoorten voor de kinderen beschikt, zal de rechtbank aan de moeder toestemming verlenen, welke de toestemming van de vader vervangt, om (nood)paspoorten voor de kinderen aan te vragen.
Uitvoerbaar bij voorraad
Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van de kinderen op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat de kinderen zo snel mogelijk terugkeren naar Nederland, zodat de rechtbank het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zal toewijzen. De rechtbank zal de teruggave van de reisdocumenten bevelen uiterlijk op 1 september 2025, wat zij een redelijke termijn acht voor de vader om te regelen dat die documenten aan de moeder worden overhandigd.
Sterke arm
De moeder heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de kinderen zo nodig met behulp van de sterke arm, althans met de medewerking van het Openbaar Ministerie zullen worden teruggeleid naar Nederland.
Op grond van artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 Rv is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de moeder zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Kosten
Op grond van artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet kan de rechter, voor zover hier van belang, desverzocht of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is, of medeverantwoordelijk is, veroordelen tot betaling aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten.
De moeder heeft verzocht de vader te veroordelen in de kosten van teruggeleiding en onderhavige procedure, voor zover de moeder die noodgedwongen zal moeten maken. De moeder heeft daartoe productie 8 overgelegd waaruit blijkt dat zij voor deze procedure in ieder geval de volgende kosten heeft gemaakt:
Totaal: € 341,- .
De rechtbank zal de vader veroordelen tot betaling aan de moeder van de door haar tot nu toegemaakt kosten voor de procedure van (176 + 90 + 75 =) € 341,-. De overige kosten heeft de moeder niet gespecificeerd en zullen als onvoldoende gespecificeerd worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
gelast de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen:
naar Nederland;
*
beveelt de vader de benodigde geldige reisdocumenten van de kinderen aan de moeder af te geven uiterlijk op 1 september 2025 opdat de moeder de kinderen zelf mee terug kan nemen naar Nederland;
*
verleent aan de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, ten behoeve van de aanvraag van een (nood)paspoort voor de minderjarigen:
*
veroordeelt de vader tot betaling aan de moeder van de door haar in verband met de ontvoering en teruggeleiding gemaakte kosten van in totaal € 341,-;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 augustus 2025.