ECLI:NL:RBDHA:2025:23149

ECLI:NL:RBDHA:2025:23149, Rechtbank Den Haag, 03-07-2025, C/09/684480 / FA RK 25-3253

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-07-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer C/09/684480 / FA RK 25-3253
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0004746

Samenvatting

Internationale kinderontvoering. Polen

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 25-3253

Zaaknummer: C/09/684480

Datum beschikking: 3 juli 2025

Internationale kinderontvoering

Beschikking in het kader van het op 30 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres in Polen,

advocaat: mr. A.H. van Haga in Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.L. Weterings te Oegstgeest.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 12 mei 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de vader, de moeder en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. A.C. Olland. De behandeling ter zitting is aangehouden.

Op genoemde regiezitting is aan partijen de gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben daar om hen moverende redenen geen gebruik van gemaakt.

De minderjarige [de minderjarige] is in raadkamer gehoord.

Op 19 juni 2025 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen:

Feiten

Verzoek en verweer

De vader verzoekt:

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader.

Beoordeling

Rechtsmacht

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag). Nederland en Polen zijn partij bij het Verdrag.

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (de Uitvoeringswet) is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet in geschil is dat de [de minderjarige] onmiddellijk voor zijn overbrenging naar Nederland zijn gewone verblijfplaats in Polen had. Evenmin in geschil is dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, als de overbrenging niet had plaatsgevonden. Verder is niet in geschil dat de Poolse rechtbank het verzoek van de moeder om zich met [de minderjarige] in Nederland te vestigen op 4 oktober 2024 heeft afgewezen en de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland. , Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Pools recht en dat daarom de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland aangemerkt moet worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [de minderjarige] in Nederland is geworteld en moet in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgronden

De moeder betoogt dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De moeder heeft het volgende aangevoerd. De relatie tussen de moeder en de vader is geëindigd vanwege de alcohol- en drugsverslaving van de vader. Er is ook sprake geweest van psychische mishandeling van de moeder door de vader. De zorgregeling verliep volgens de moeder moeizaam en de vader was beperkt betrokken bij de verzorging van [de minderjarige] en is opgenomen geweest in een psychiatrische instelling. Ook de communicatie tussen de ouders was verstoord. Om deze redenen is de moeder in Polen een procedure gestart waarin zij verzoekt om het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] . De moeder is inmiddels hertrouwd.. Zij heeft naast [de minderjarige] een zoon met haar echtgenoot en ook een dochter uit een eerdere relatie. Haar echtgenoot heeft een baan in Nederland en zij wonen hier samen met de kinderen. Het is volgens de moeder voor haar onmogelijk om terug te keren naar Polen. Zij kan niet in haar eigen levensonderhoud voorzien. Zij is van haar echtgenoot financieel afhankelijk. [de minderjarige] is aan de moeder gehecht en de drie kinderen zijn ook aan elkaar gehecht. Bij een toewijzing van het verzoek zouden de kinderen van elkaar worden gescheiden. Een scheiding van de kinderen zou een ongeoorloofde inbreuk betekenen in het gezinsleven van de kinderen. Al deze omstandigheden leiden er volgens de moeder toe dat sprake is van een ernstig risico dat [de minderjarige] door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht.

De vader is het hier niet mee eens. Hij betwist dat de relatie van de ouders zou zijn beëindigd vanwege zijn alcohol- en drugsgebruik. De vader ontkent dat hij verslaafd zou zijn aan alcohol en drugs. Verder betwist hij dat hij is opgenomen geweest in een psychiatrische inrichting. Volgens de vader heeft de moeder voor de Poolse rechtbank verklaard dat de relatie is beëindigd als gevolg van het feit dat de vader onvoldoende zou doen in het huishouden en om financiële zaken. De moeder heeft toen ook expliciet verklaard dat er geen sprake was van drank- of drugsgebruik. De vader heeft altijd goed contact met [de minderjarige] gehad. De moeder heeft nu het contact tussen hem en [de minderjarige] beperkt omdat hij niet bereid was financieel bij te dragen aan de Nederlandse les van [de minderjarige] . Volgens de vader heeft [de minderjarige] aan hem laten weten dat hij terug wil keren naar Polen. De vader heeft ook aangegeven dat de moeder een huis heeft in Polen waar zij kan verblijven en ook familie heeft in Polen die haar kunnen ondersteunen.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de vader overgelegde Poolse transcriptie van de hoorzitting van 17 juli 2024 van de ouders is gebleken dat de moeder bij de Poolse rechter heeft verklaard dat de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben en in onderling overleg zijn gescheiden. Uit de transcriptie blijkt ook dat de moeder heeft verklaard de vader niet te beschuldigen van alcohol- of drugsgebruik. Hoewel de moeder heeft aangevoerd niet te kunnen terugkeren naar Polen, heeft zij op de zitting desgevraagd aangegeven dat ze bij toewijzing van het verzoek met [de minderjarige] zal terugkeren naar Polen. Voor zover zij dat niet zou doen, dan betreft dit een eigen keuze van de moeder. Van een ondragelijke toestand bij de terugkeer is de rechtbank daarom niet gebleken. De moeder is er ook niet in geslaagd om aan te tonen dat [de minderjarige] op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand zal worden gebracht als zij met [de minderjarige] terugkeert naar Polen. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan dit standpunt van de moeder.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De moeder heeft gesteld dat ondanks de jonge leeftijd van [de minderjarige] hij de voorkeur heeft om in Nederland te blijven en zijn wens goed kan uitdrukken. Uit de gesprekken met de bijzondere curator is volgens de moeder gebleken dat [de minderjarige] zich gemotiveerd heeft verzet tegen een terugkeer naar Polen. [de minderjarige] heeft het in Nederland naar zijn zin. Het gaat goed op school en hij heeft hier een sociaal leven. [de minderjarige] vindt dat hij en zijn moeder gelukkiger zijn in Nederland. [de minderjarige] maakt zich ook zorgen over hoe de moeder financieel moet rondkomen als zij met hem naar Polen moet terugkeren. Gelet op de wijze waarop [de minderjarige] zich kan uitdrukken is de moeder van mening dat hij al op een leeftijd is waarmee rekening kan worden gehouden met zijn mening.

De man betwist dat [de minderjarige] een leeftijd en een mate van rijpheid heeft dat verzet kan worden aangenomen. Verzet is volgens de vader niet aan de orde nu uit het verslag van de bijzondere curator ook blijkt dat [de minderjarige] het goed heeft gehad in Polen.

De bijzondere curator heeft in haar verslag aangegeven dat het beantwoorden van de vraag of [de minderjarige] de gevolgen van het verblijf in Polen of het verblijf in Nederland lijkt te overzien, moeilijk te beantwoorden is voor een kind van zijn leeftijd. [de minderjarige] kan zich alleen een voorstelling maken van zijn huidige levenssituatie in Nederland. In de gesprekken met de bijzondere curator heeft [de minderjarige] ook aangegeven dat hij zowel in Polen als in Nederland een goed leven heeft gehad. Hij had het leuk op school in Polen en had daar vriendjes, maar hij heeft het ook leuk op school in Nederland en heeft hier ook vriendjes. Hij ziet dat zijn gezin het goed heeft in Nederland en dat er voldoende geld is om leuke dingen te doen en op vakantie te gaan. Verder is [de minderjarige] erg gehecht aan de moeder en wil graag bij haar blijven.

De rechtbank overweegt als volgt. Van daadwerkelijk verzet tegen terugkeer naar Polen van [de minderjarige] als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag is niet gebleken. Voor beoordeling van deze weigeringsgrond is van belang of het verzet van [de minderjarige] verder strekt dan de enkele wens om in het ene land of in het andere land te blijven. [de minderjarige] is nu zes jaar oud. Naar het oordeel van de rechtbank kan er, gelet op de nog jonge leeftijd van [de minderjarige] en wat de bijzondere curator naar voren heeft gebracht, niet van uit worden gegaan dat [de minderjarige] een mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden. Van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag is dan ook niet gebleken.

Conclusie

Nu er geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [de minderjarige] en de indiening van het verzoekschrift, moet ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige [de minderjarige] volgen.

De vader verzoekt [de minderjarige] terug te geleiden naar een specifiek adres in Polen. De rechtbank is van oordeel dat het niet in lijn is met de aard en strekking van het Verdrag om teruggeleiding te gelasten naar een specifiek adres. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het verzoek van de vader om de teruggeleiding van [de minderjarige] te gelasten naar een specifiek adres en zal de teruggeleiding gelasten naar Polen.

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [de minderjarige] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 21 juli 2025, zijnde de vierde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Voorlopige voogdij

De rechtbank kan op grond van artikel 13, vierde lid, van de Uitvoeringswet op verzoek of ambtshalve een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet belasten met de voorlopige voogdij over een kind, als het gevaar bestaat dat het kind wordt onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot teruggeleiding zoals bedoeld in het vijfde lid van dat artikel.

De vader verzoekt om de voorlopige voogdij uit te spreken omdat volgens hem een dergelijk gevaar aanwezig is. De vader vreest dat de moeder met [de minderjarige] onderduikt, dan wel naar elders vertrekt. De moeder heeft eerder in Polen zowel tegenover de man alsook tegenover de rechter uitdrukkelijk meegedeeld niet van plan te zijn om met [de minderjarige] naar Nederland te vertrekken en naar Nederland te verhuizen. Toch is zij, ondanks de uitspraak van de Poolse rechtbank waarin haar verzoek om naar Nederland te mogen verhuizen is afgewezen en voordat de Poolse rechtbank uitspraak heeft gedaan op haar verzoek om eenhoofdig gezag, met [de minderjarige] naar Nederland afgereisd om daar permanent te verblijven.

De moeder heeft op de zitting aangegeven zich niet te kunnen vinden in de benoeming van een voorlopige voogd. Zij zal niet naar elders vertrekken. De moeder is afhankelijk van haar echtgenoot en kan nergens anders naartoe. Haar echtgenoot is gebonden aan Nederland omdat hij hier werk heeft en de moeder heeft geen eigen middelen om ergens anders naartoe te vertrekken.

De rechtbank overweegt als volgt. Weliswaar heeft de moeder op de zitting aangegeven dat als [de minderjarige] terug moet naar Polen zij met hem mee zal gaan en dat zij niet ergens anders naartoe zal gaan, maar dit vindt de rechtbank niet overtuigend genoeg om dit verzoek van de vader af te wijzen. Immers, de Poolse rechtbank heeft eerder beslist dat het de moeder niet was toegestaan om met [de minderjarige] naar Nederland af te reizen voor een permanent verblijf en zij heeft dit toch gedaan. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om te voorzien in de voorlopige voogdij als na te melden.

Door de voorlopige voogd zal aandacht moeten worden geschonken aan het contact tussen de vader en [de minderjarige] tot aan het moment van teruggeleiding, alsmede aan het ordentelijk verlopen van de teruggeleiding.

Afspraken contact met de vader

Op de zitting hebben de ouders met behulp van de Raad en de bijzondere curator afspraken gemaakt over het opstarten van contact tussen [de minderjarige] en de vader. Tussen de ouders is afgesproken dat er twee keer per week videobelcontact zal plaatsvinden, te weten op zaterdag om 12:00 uur en op woensdag om 15:00 uur. Ook is afgesproken dat de moeder het initiatief zal nemen in het contact en de vader zal opbellen zodat het voor [de minderjarige] duidelijk is dat de moeder emotionele toestemming geeft aan [de minderjarige] om contact te hebben met de vader. Verder is afgesproken dat de gesprekken in het begin kort zullen zijn (tussen 5 en 10 minuten) en dat de vader zich tijdens de gesprekken vooral op [de minderjarige] moet richten. Deze afspraak wordt niet in het dictum opgenomen, maar is een bindende afspraak tussen partijen.

Kosten

Ingevolge artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet kan de rechter, voor zover hier van belang, desverzocht of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is, of medeverantwoordelijk is, veroordelen tot betaling aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten.

De vader heeft verzocht de moeder te veroordelen tot betaling van de proceskosten van de vader, zijnde € 176,-, alsmede het aan de rechtbank verschuldigde griffierecht van € 90,-, te vermeerderen met reis- en verblijfskosten en eventuele kosten voor het aanvragen van een (voorlopig) reisdocument en de reis- en verblijfskosten van de vader en [de minderjarige] indien de vader [de minderjarige] dient op te halen om terug te keren naar Polen.

De rechtbank overweegt dat de moeder willens en wetens met [de minderjarige] naar Nederland is vertrokken zonder de uitspraak van de Poolse rechtbank over het ouderlijk gezag af te wachten en ondanks de afwijzing van de Poolse rechtbank van het verzoek van de moeder om met [de minderjarige] naar Nederland te reizen voor een permanent verblijf. De moeder is daardoor verantwoordelijk voor de ontvoering van [de minderjarige] naar Nederland en zal daarom in dit geval veroordeeld worden in de tot op heden door de vader in verband met de onderhavige teruggeleidingsprocedure gemaakte kosten voor zover deze door de vader zijn gespecificeerd.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de moeder veroordelen tot betaling aan de vader van een bedrag van (176 + 90 =) € 266,-. De overige kosten heeft de vader niet gespecificeerd en zullen als onvoldoende gespecificeerd worden afgewezen.

Bijzondere curator

De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hem bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:

*

gelast de terugkeer van de minderjarige:

- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , Polen,

naar Polen uiterlijk op 20 juli 2025, waarbij de moeder [de minderjarige] dient terug te brengen naar Polen en beveelt, indien de moeder nalaat [de minderjarige] terug te brengen naar Polen, dat de moeder [de minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 20 juli 2025, opdat de vader [de minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Polen;

*

belast Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met de voorlopige voogdij over de minderjarigen:

- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , Polen.

*

veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van de door hem in verband met de onderhavige teruggeleidingsprocedure gemaakte kosten van in totaal € 266,-;

*

beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 20 juli 2025 als beëindigd;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.F. Lemmens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?