RECHTBANK DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/693741 / JE RK 25-1841
Datum uitspraak: 5 november 2025
Beschikking van de kinderrechter tot machtiging uithuisplaatsing
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Hayaty uit Den Haag,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.J. Zennipman uit Den Haag.
1. Het verdere verloop van de procedure
Bij beschikking van 28 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank middels spoedvoorziening een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 6 november 2025. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking en de daarin genoemde stukken van 28 oktober 2025.
Op 5 november 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk;
[naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
[naam 3] en [naam 4] , van het Landelijk Expertise Team (LET), namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft de vader en de moeder, op verzoek van de gecertificeerde instelling, apart gehoord. De advocaat van de moeder was op beide momenten aanwezig. De gecertificeerde instelling was aanwezig bij het horen van de moeder. Het LET was namens de gecertificeerde instelling aanwezig bij het horen van de vader.
2. De feiten
[de minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 28 oktober 2025.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling handhaaft het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling “met een aanhouding van 3 maanden” en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling het verzoek gewijzigd in die zin dat wordt verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor twee maanden te verlenen en het verzoek voor het overige aan te houden.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. Er zijn grote zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] , vanwege de dreiging die van de vader uitgaat richting de moeder. De vader heeft de moeder met de dood bedreigd. Hij heeft de moeder achtervolgd, opgewacht en geprobeerd haar in een auto te forceren. Ook stond de vader in het huis van de moeder, zonder dat zij wist dat hij een sleutel had. De gecertificeerde instelling maakt zich zorgen om het contact tussen de moeder en de vader. De moeder heeft zonder weet van de gecertificeerde instelling de vader toegelaten in haar huis en contact gehad met de vader, terwijl zij wist dat dit een gevaar was voor de veiligheid van [de minderjarige] . De jeugdbeschermer heeft meermaals aan de moeder gevraagd of er contact was tussen [de minderjarige] en de vader. Uiteindelijk heeft de moeder dit wel toegegeven. Daarop heeft de moeder aangegeven dat zij alle sloten heeft veranderd en de vader overal heeft geblokkeerd. De gecertificeerde instelling krijgt echter nog steeds whatsapp- en e-mailberichten doorgestuurd door de moeder, waaruit de gecertificeerde instelling concludeert dat de moeder de vader niet overal heeft geblokkeerd. Bij het ophalen van de moeder en [de minderjarige] om hen naar een veilige plek te brengen, zag de gecertificeerde instelling een camera staan in de woning van de moeder. De moeder heeft bij de jeugdbeschermer aangegeven dat de vader geen toegang heeft tot de camerabeelden, toch maakt de jeugdbeschermer zich hier zorgen om vanwege de gedragingen van de moeder rondom de camera. De gecertificeerde instelling vindt het nodig te kijken wat de moeder nodig heeft om zich weerbaar te maken tegen de vader en [de minderjarige] te prioriteren. Het doel van de machtiging tot uithuisplaatsing is om [de minderjarige] veilig te stellen en te behoeden voor een risico op kinderdoding en/of femicide ten aanzien van zijn moeder. Ondanks dat de moeder nu op een plek verblijft die is afgeschermd voor de vader, heeft de gecertificeerde instelling er nog geen vertrouwen in dat de moeder het contact met de vader kan afhouden. Het is voor de gecertificeerde instelling lastig in te schatten hoeveel tijd nodig is om de veiligheid van [de minderjarige] bij de moeder te waarborgen. De gecertificeerde instelling lijkt het goed om tussentijds te evalueren bij de rechtbank en verzoekt daarom een toewijzing voor twee maanden en het verzoek voor het overige aan te houden.
Het LET is namens de gecertificeerde instelling betrokken bij de vader en sluit zich aan bij het standpunt dat door de gecertificeerde instelling is ingenomen. Het LET heeft mondeling een update gegeven over het contact met de vader. In de zomer is het dossier van de vader van GGZ Delfland overgedragen aan Fivoor, omdat GGZ Delfland werd bedreigd door de vader en hij weigerde zijn medicatie te nemen. Sindsdien heeft het LET geen contact meer gehad met de vader. Het LET maakt zich zorgen omdat er geen zicht op de vader is en er geen behandeling plaatsvindt. Indien de vader behandeling aangaat en Fivoor het goed vindt, is het volgens het LET mogelijk om begeleide omgang op te starten. GGZ Delfland heeft aangifte gedaan van de bedreiging en de vader is begin september verhoord. Voor de bedreiging richting de moeder wordt opnieuw een afspraak gepland om aangifte te doen.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder begrijpt de zorgen die zijn uitgesproken en ontkent niet dat de situatie met de vader in het verleden onrustig en onveilig is geweest. De moeder wil duidelijk maken dat zij er alles aan doet om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen en [de minderjarige] weer bij haar te laten wonen. De moeder erkent dat zij niet altijd open is geweest over het contact met de vader, maar zegt dat zij dit niet vertelde uit angst voor de vader en uit angst om haar kind te verliezen. De moeder benadrukt dat zij niet zelf het contact met de vader heeft opgezocht, maar dat de vader haar heeft benaderd via een gezamenlijke vriend en niet stopte tot ze reageerde. De moeder zit nu in een veilige setting en heeft zelf maatregelen genomen om de veiligheid van zichzelf en [de minderjarige] te waarborgen door de politie te bellen. De moeder staat open voor hulp om het vertrouwen te herstellen en geeft aan geen contact meer te hebben met de vader. Zij staat open voor toezicht aan huis, het maken van veiligheidsafspraken en het volgen van een weerbaarheidstraining. Een optie voor de moeder is ook om een contact- en locatieverbod te verzoeken. De advocaat van de moeder voert ten slotte aan dat in het verzoekschrift staat dat het doel van de uithuisplaatsing niet de uithuisplaatsing is, maar de veiligheid van [de minderjarige] waarborgen. De advocaat van de moeder is van mening dat deze veiligheid ook bij de moeder gewaarborgd kan worden, nu de moeder heeft aangegeven overal voor open te staan en heeft laten zien dat zij zelf actie onderneemt als het niet veilig is. De advocaat van de moeder verzoekt daarom het verzoek af te wijzen.
Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzoek. Volgens de vader zijn er geen gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing. De rode draad in het verzoekschrift is dat de vader contact heeft met de moeder en dat er sprake zou zijn van een ernstige bedreiging van de vader naar de moeder toe. De vader ontkent dit. De vader is altijd goed voor de moeder en [de minderjarige] en er is volgens hem totaal geen sprake van een bedreiging richting de moeder. Volgens de vader is hij op geen enkele manier strafrechtelijk aangehouden of opgeroepen voor onderzoek vanwege bedreiging. De vader herkent niet wat over hem in het verzoekschrift staat en geeft aan dat het goed met hem gaat. De vader wil dat [de minderjarige] direct naar zijn moeder gaat en verzoekt de kinderrechter daarom het verzoek af te wijzen.
5. De beoordeling
Absolute bevoegdheid en toepasselijk recht
De kinderrechter constateert dat de moeder de Colombiaanse nationaliteit heeft en dat hierom eerst moet worden nagegaan of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd te beslissen op het verzoek van de Raad op grond van artikel 7 van de Verordening (EU) nr. 2019/1111 (Brussel II-ter) en is Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. De vader heeft last van psychische problematiek waarvoor een zorgmachtiging is afgegeven. Vanuit die psychische problematiek zorgt de vader voor dreigende situaties richting de moeder, waar zij niet tegen opgewassen is. Het is de moeder niet gelukt om het contact met de vader af te houden, ondanks dat zij met [de minderjarige] op een voor de vader afgeschermde plek verbleef. Tot recent is er contact geweest tussen de vader en de moeder. De moeder heeft dit langere tijd verzwegen voor de jeugdbeschermer. Vanwege de ernstige dreiging die van de vader uitgaat richting de moeder, is het voor de veiligheid van [de minderjarige] noodzakelijk dat hij in een pleeggezin blijft. Er moet goed onderzocht worden wanneer [de minderjarige] weer naar de moeder kan. Dit kan alleen als het veilig is en blijft voor [de minderjarige] . Het is eerst van belang dat de moeder start met hulpverlening om zich voldoende weerbaar te kunnen opstellen ten aanzien van de vader. De moeder zit nu weliswaar op een veilige plek, maar er moet eerst voldoende vertrouwen zijn dat de moeder weerbaar blijft ten aanzien van de vader wanneer hij contact opneemt. Daar moet de komende periode aan gewerkt worden. De kinderrechter vindt het belangrijk dat [de minderjarige] zo snel mogelijk terugkeert naar de moeder. Tot die tijd is het gezien de jonge leeftijd van [de minderjarige] van belang dat de moeder regelmatig contact met hem heeft. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van twee maanden en voor het overige aanhouden.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 6 november 2025 tot 28 december 2025;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór 28 december 2025, tegen welke zitting de gecertificeerde instelling, de vader met advocaat en de moeder met advocaat dienen te worden opgeroepen;
verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk één week voor de nader te bepalen zittingsdatum aan de rechtbank te kennen te geven of het restant van het verzoek wordt gehandhaafd en in dat geval aan de rechtbank en de belanghebbenden een schriftelijke update te sturen met de laatste stand van zaken.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025 door mr. D.G.J. Dop, kinderrechter, in aanwezigheid van F.A.M. Wever als griffier.
De schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 13 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.