Rechtbank DEN HAAG
Beschikking van de kinderrechter
Verlenging ondertoezichtstelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering
[de moeder] ,
[de vader] ,
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/691290 / JE RK 25-1570
Datum uitspraak: 6 november 2025
in de zaak naar aanleiding van het op 10 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:
(hierna te noemen: de gecertificeerde instelling),
betreffende:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] ;
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
hierna te noemen: de moeder,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
hierna te noemen: de vader,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda.
Het procesverloop
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift met bijlagen.
Op 6 november 2025 heeft op een zitting met gesloten deuren een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel het onderhavige verzoek als de aangehouden verzoeken over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling (C/09/651540 / FA RK 23-5504). Op laatstgenoemde verzoeken wordt bij afzonderlijke beschikking van 20 november 2025 beslist. Op de zitting van 6 november 2025 zijn verschenen:
Feiten
- [de minderjarige] is erkend door de vader.
- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
- [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vader.
- De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 november 2024 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd van 12 november 2024 tot 12 november 2025.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van vier maanden met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het verzoek is ter zitting gewijzigd in die zin dat de gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling toe te wijzen voor de duur van een jaar.
Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de gecertificeerde instelling – samengevat aangevoerd dat [de minderjarige] zich goed ontwikkelt, zowel bij de vader thuis als op school.
Zij heeft een hechte band met de vader en wordt mede opgevoed door haar oma (vaderszijde). Oma is een warme, stabiele en actief betrokken opvoedfiguur in het leven van [de minderjarige] . Gezien wordt dat de vader zich nu actief meewerkend opstelt en dat hij [de minderjarige] een stabiele en gestructureerde omgeving biedt waar zij zich veilig voelt.
Er blijven wel ernstige zorgen bestaan over het (ontbrekende) contact tussen [de minderjarige] en de moeder. De moeder is al langere tijd onbereikbaar. Zij komt afspraken over de begeleide omgang niet na, beantwoordt geen oproepen van de jeugdbeschermer en ook haar eigen advocaat krijgt geen contact met haar. Meerdere pogingen tot begeleid contact zijn zonder resultaat gebleven. De structurele afwezigheid van de moeder belemmert de totstandkoming van een hechte ouder-kind relatie en vormt daarmee een risico voor de emotionele en hechtingsontwikkeling van [de minderjarige] . De jonge leeftijd van [de minderjarige] maakt dit des te zorgelijker. De jeugdbeschermer heeft de moeder recent nog dringend verzocht zich in te zetten voor [de minderjarige] , maar tot op heden blijft elke reactie uit. Verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is noodzakelijk. De ingezette positieve lijn bij de vader en oma verdient voortzetting en ondersteuning, mede gelet op hun belangrijke rol in het leven van [de minderjarige] . Tegelijkertijd blijft zicht en sturing op de mogelijkheden op omgang met de moeder nodig. Met name voor dat laatste is meer tijd nodig dan de aanvankelijk verzochte vier maanden.
De vader heeft ingestemd met het verzochte. Het doet hem verdriet dat [de minderjarige] haar moeder in haar leven moet missen en hij is blij met de steun die hij krijgt van de hulpverlening om [de minderjarige] en hemzelf hierin goed bij te staan. De vader heeft in de afgelopen maanden een keer contact gehad met de moeder, omdat de moeder iets van hem nodig had, en maakt zich zorgen over haar.
Er is namens de moeder op de zitting verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. Vlak voor de zitting heeft de advocaat van de moeder kort telefonisch contact met de moeder gehad zij had zelf het initiatief daartoe genomen en hij heeft van de moeder begrepen dat zij naar de zitting zou komen, maar zij is uiteindelijk niet verschenen. Namens de moeder is op de zitting naar voren gebracht dat zij geen heil meer ziet in de verlenging van de ondertoezichtstelling en dat zij van mening is dat zij de omgang tussen haar en [de minderjarige] beter verder samen met de vader kan regelen. De advocaat van de moeder heeft zich daarom namens de moeder verzet tegen verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar.
Beoordeling
De kinderrechter is, gelet op wat uit het dossier en op de zitting is besproken, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, BW genoemde gronden voor ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.
Daarbij overweegt de kinderrechter dat de zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] nog onvoldoende zijn weggenomen. Het is positief dat [de minderjarige] zich inmiddels goed ontwikkelt bij de vader en dat de vader haar samen met de oma van [de minderjarige] een stabiele en veilige gezinsomgeving biedt. Het is positief dat de vader zich opengesteld heeft voor de hulpverlening, waardoor er zicht is gekomen op de opvoedsituatie bij hem thuis en de nodige hulpverlening voor [de minderjarige] en hemzelf kan worden ingezet. Zorgelijk is het contact tussen [de minderjarige] en de moeder nog steeds niet hersteld en dat de moeder uit beeld en onbereikbaar is voor alle betrokkenen, ook voor de gecertificeerde instelling en voor de advocaat van de moeder. De begeleide omgang is hierdoor nog steeds niet van de grond gekomen. De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij aan [de minderjarige] heeft gemerkt dat zij zoekende is naar een moederfiguur. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de komende periode onderzocht gaat worden of er nog mogelijkheden zijn om tot een voor [de minderjarige] stabiele, veilige en voorspelbare omgang met de moeder te komen en, als dat het geval is, dat de omgang onder leiding en toezicht van de gecertificeerde instelling vorm gegeven gaat worden. Mocht de uitkomst zijn dat die mogelijkheden er niet (meer) zijn, dan zal in plaats daarvan gewerkt moeten worden aan een goede afhechting. Voor beide situaties is de inzet van de gecertificeerde instelling noodzakelijk. Verder is het, mede gelet op de belaste voorgeschiedenis, belangrijk dat gekeken wordt welke hulp [de minderjarige] en de vader verder nog nodig hebben om ervoor te zorgen dat [de minderjarige] , goed en gezond kan opgroeien, zonder nu of in de toekomst belast te worden met alles wat er in haar korte leven al gebeurd is.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ondertoezichtstelling op dit moment nog in het belang van [de minderjarige] is en daarom moet worden verlengd voor de verzochte duur van een jaar.
Beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] van 12 november 2025 tot 12 november 2026 met behoud van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering als gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.