ECLI:NL:RBDHA:2025:23238

ECLI:NL:RBDHA:2025:23238, Rechtbank Den Haag, 05-12-2025, NL24.34428

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-12-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer NL24.34428
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

asiel, nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling, Al-Shabaab, vluchtelingschap, discriminatie, beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B. Anik),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing

van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 21 oktober 2022 een aanvraag tot het verlenen van een

verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het

bestreden besluit van 5 februari 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond. De rechtbank van deze zittingsplaats heeft het daartegen door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit te nemen. Op 7 augustus 2024 heeft de minister een nieuw besluit genomen waarin de minister de aanvraag afwijst als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit van 7 augustus 2024 beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan

hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van zijn beroepsgronden.

3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Somalische nationaliteit. Eiser was in Somalië werkzaam als chauffeur en is samen met zijn bijrijder [persoon A] door Al-Shabaab benaderd om explosieven te vervoeren naar Marka. Dat wilde eiser niet doen, dus heeft hij besloten de explosieven bij Ad Adey in de zee te gooien. Hierna werd eiser bedreigd door Al-Shabaab. Na zijn vlucht heeft eiser van zijn moeder gehoord dat [persoon A] zou zijn vermoord. Ook is het broertje van eiser [persoon B] door Al-Shabaab ontvoert. Verder wordt eiser ook gediscrimineerd vanwege zijn Drogbo-etniciteit.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

moeten vervoeren naar Marka die hij bij Ad Adey hebt gedumpt in zee.

De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook acht de minister de discriminatie vanwege eisers Drogbo-etniciteit geloofwaardig. Ten aanzien van het derde asielmotief acht de minister het geloofwaardig dat eiser als chauffeur werkzaam was in Somalië. De minister acht het niet geloofwaardig dat eiser een zak met explosieven en munitie heeft moeten vervoeren voor Al-Shabaab waarbij eiser deze zak in de zee heeft gedumpt. Verder blijkt niet uit de wel geloofwaardig geachte verklaringen van eiser dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging en daarmee vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook is niet gebleken dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade, aldus de minister.

Heeft de minister de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling onvoldoende gemotiveerd?

6. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit van 7 augustus 2024 ten onrechte verwijst naar de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling zonder te motiveren of de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling ten nadele van eiser uitvalt. Volgens eiser heeft de minister in het vernietigde besluit van 5 februari 2024 de eerdere geloofwaardigheidsbeoordeling toegepast en mag de minister niet zonder nadere motivering een andere geloofwaardigheidsbeoordeling toepassen. Voor eiser dient een besluit duidelijk te zijn en van hem kan niet worden verwacht dat hij de nieuwe werkinstructie kent.

De rechtbank stelt voorop dat de minister in het bestreden besluit motiveert dat het besluit is genomen conform de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling en dat dit in de onderhavige procedure alleen tot gevolg heeft dat de gehanteerde terminologie is gewijzigd. Het ligt, naar het oordeel van de rechtbank, ook in de rede dat de minister bij een nieuwe beoordeling van de asielaanvraag de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling toepast, omdat dit het ten tijde van het besluit geldende recht was. Dat dit ten nadele van de eiser uitvalt is door eiser niet onderbouwd en blijkt ook niet uit het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.

Mocht de minister ongeloofwaardig achten dat eiser als chauffeur voor Al-Shabaab een zak met explosieven en munitie moest vervoeren en deze heeft gedumpt in zee?

7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig acht dat eiser voor Al-Shabaab een zak met explosieven heeft moeten vervoeren en deze vervolgens in zee heeft gegooid. Volgens eiser werpt de minister hem ten onrechte tegen dat zijn verklaring dat Al-Shabaab niet de manschappen had om hem eerder op te zoeken gebaseerd is op vermoedens welke niet onderbouwd zijn. Ook betoogt eiser dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat Al-Shabaab door het afgeven van de explosieven aan eiser een groot risico loopt. Deze stellingen van de minister zijn volgens eiser aannames die niet nader zijn onderbouwd.

Ter verdere onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser erop dat geloofwaardig is geacht dat zijn broertje [persoon B] is meegenomen door Al-Shabaab. Volgens eiser is zijn broertje meegenomen omdat eiser problemen heeft met Al-Shabaab. Dit bevestigt het asielmotief van eiser. Naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank, deze zittingsplaats, van 27 maart 2024 had de minister nadere vragen moeten stellen ten aanzien van het geloofwaardig geachte asielelement dat het broertje van eiser is meegenomen door Al-Shabaab. De minister heeft dat volgens eiser ten onrechte niet gedaan.

Verder stelt de minister ten onrechte dat eiser niet geïnteresseerd zou zijn in de veiligheid van zijn eigen familie. Eiser was bang voor zijn eigen veiligheid en op de vlucht. Het is volgens eiser logisch dat hij op dat moment niet bezig was met zijn familie. Verder heeft eiser tijdens het nader gehoor aangegeven niet te weten hoe zijn moeder de moeder van [persoon A] kende. In de zienswijze heeft eiser dit gecorrigeerd en gezegd dat eisers moeder de moeder van [persoon A] tegenkwam op de markt en zij elkaar hebben gezien toen eiser in het ziekenhuis lag. Eiser ziet niet in waarom deze aanvulling in de zienswijze gekwalificeerd wordt als ongerijmd.

De rechtbank stelt voorop dat de rechtbank eerder heeft geoordeeld dat de minister niet ten onrechte heeft gesteld dat niet te volgen is dat Al-Shabaab pas na twee dagen actie heeft ondernomen door eiser te bellen en vervolgens fysiek op te zoeken. Eiser heeft geen gronden aangevoerd waaruit volgt dat daarover nu anders moet worden geoordeeld. Ten aanzien van het betoog van eiser dat hij niet geïnteresseerd zou zijn in de veiligheid van zijn familie heeft de minister terecht overwogen, en de rechtbank eerder terecht bevonden, dat eiser tegengeworpen mocht worden dat eiser niet heeft nagevraagd of de deur is opengedaan. Of eiser zich wel of niet bekommerde om zijn familie doet niet af aan het feit dat van eiser verwacht mocht worden dat hij zou navragen of de deur nog was opengedaan, zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiser zelf geschrokken is weggevlucht naar aanleiding van de komst van onbekende mannen aan de deur en het dus in de rede lag dat hij zou informeren of de deur uiteindelijk is opengedaan. Ten aanzien van het betoog van eiser dat zijn moeder de familie van [persoon A] kende heeft de rechtbank eveneens eerder geoordeeld dat de minister de verklaringen van eiser niet ten onrechte ongerijmd heeft mogen vinden. Eiser heeft ook hieromtrent geen gronden aangevoerd waaruit volgt dat daarover nu anders moet worden geoordeeld.

Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het asielmotief omtrent het vervoer van een zak met explosieven en munitie voor Al-Shabaab ongeloofwaardig geacht. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat nu het relaas van eiser niet gevolgd wordt de causaliteit tussen eisers gestelde problemen en de ontvoering van zijn broertje [persoon B] ook niet gevolgd wordt. In het licht van het bestreden besluit heeft de minister dat afdoende gemotiveerd. Gelet op het voorgaande had de minister geen aanleiding hoeven zien eiser hieromtrent nader te horen. De beroepsgrond slaagt niet.

Vormen de geloofwaardig geachte elementen grond om eiser een asielvergunning te verlenen?

8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat hij geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Volgens eiser heeft hij eerder aangegeven dat hij gediscrimineerd wordt omdat hij tot een minderheidsgroep behoort.

Verder betoogt eiser dat hij niet kan terugreizen naar Marka. Ook heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij veilig naar Marka kan terugreizen en dus bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Ten aanzien van de bootverbinding tussen Marka en Mogadishu betoogt eiser dat hij geen gebruik kan maken van deze bootverbinding omdat hij dan gevaar loopt. Dat in de verslagperiode van het Algemeen ambtsbericht Somalië geen aanvallen zijn uitgevoerd op de bootverbinding neemt het voorgaande niet weg. Ook betoogt eiser dat onder burgers niet bekend is dat zij gebruik kunnen maken van deze bootverbinding.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië discriminatie ondervindt die een dusdanig ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheid oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Eiser heeft dat namelijk op geen enkele wijze onderbouwd.

Verder volgt uit het ambtsbericht van maart 2025 dat in de huidige verslagperiode verschillende bronnen het bestaan van een soort publieke lijnverbinding tussen Mogadishu en Marka niet konden bevestigen. Verder staat er dat volgens twee vertrouwelijke bronnen wel onregelmatig (vissers)boten voeren tussen Mogadishu en Marka en dat men op individuele basis moest onderhandelen om mee te kunnen reizen. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat uit deze informatie blijkt dat eiser per boot naar Marka kan reizen. Daar komt bij dat eiser heeft verklaard dat hij eerder met een boot tussen Mogadishu en Marka heeft gereisd. Gelet hierop valt niet in te zien dat eiser niet terug kan keren naar Marka. De beroepsgrond slaagt niet.

Verwijzing naar hetgeen eerder in de procedure is aangevoerd

9. Eiser heeft voor het overige verzocht om dat wat eerder in de procedure is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden, anders dan hiervoor al besproken, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing naar de zienswijze niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W. Loof

Griffier

  • mr. C.G.H. van der Holst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?