RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. Vrooman).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.56051
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Lichter middel
Conclusie
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2007.
Gronden van de maatregel
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet bestreden. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend verder geen aanleiding om de gronden onvoldoende te vinden om de maatregel te dragen.
Omzetting van de maatregel
4. Eiser voert aan dat de minister de bewaring te laat heeft omgezet naar een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw.
5. De rechtbank stelt vast dat bij besluit van 27 november 2025 de asielaanvraag van eiser is afgewezen. Uit dit besluit volgt dat eiser binnen één week na ontvangst van het besluit beroep kan instellen. Als eiser gedurende die termijn de rechtbank verzoekt een voorlopige voorziening te treffen mag hij de behandeling van dat verzoek in Nederland afwachten. De rechtbank concludeert dat de minister daarom gedurende
de beroepstermijn niet gehouden is om de grondslag van de maatregel van bewaring te wijzigen.
Detentieongeschiktheid
6. Eiser voert aan dat hij uit de gehoren blijkt dat hij detentieongeschikt is en dat de minister hier onvoldoende rekening mee heeft gehouden.
7. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijk dat de minister rekening heeft gehouden met de uitingen van eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. De verbalisant heeft opgemerkt dat eiser onsamenhangend spreekt en op hem een verwarde indruk maakt. Vervolgens heeft de verbalisant de opdracht gegeven om eiser door een arts te laten zien. Eiser heeft zelf aangegeven dat er geen medische omstandigheden zijn die maken dat hij niet in bewaring kan worden gesteld en hij is er op gewezen dat hij in het detentiecentrum altijd om een arts kan vragen. De rechtbank is van oordeel dat de minister gelet op voorgaande gang van zaken voldoende rekening heeft gehouden met de medische situatie van eiser. Zoals de minister ter zitting heeft aangegeven is het in verband met privacy voor de minister niet mogelijk om een verslag van het gesprek dat eiser met de arts heeft gehad op te vragen en te overleggen. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat zijn medische situatie maakt dat hij niet in bewaring kan blijven, is onvoldoende voor het oordeel dat hij detentieongeschikt is. De stelling is niet met documenten onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel.
9. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank
wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309)
en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft bovendien eerder aan eiser een lichter middel opgelegd. Aan eiser is op 4 november 2025 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, maar eiser heeft zich toen aan toezicht onttrokken. Eiser is vervolgens op 13 november 2025 aangehouden voor een winkeldiefstal en na heenzending in bewaring gesteld. Eiser heeft verder medegedeeld niet te willen terugkeren naar Algerije. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de minister niet heeft hoeven te volstaan met de oplegging van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
11. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.