RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
uitspraak verzet en beroep
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12065 V
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, opposant/de minister,
(gemachtigde: F.P. Dalhuizen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 2 juli 2024 in het geding tussen en uitspraak in de beroepszaak tussen
opposant/de minister en
[eiser] met V-nummer: [V-nummer] , geopposeerde/eiser (gemachtigde: M.H.R. de Boer).
Procesverloop
Geopposeerde heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 24 mei 2022.
Bij uitspraak van 2 juli 2024 heeft de rechtbank dat beroep kennelijk gegrond verklaard op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld op 13 augustus 2024. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.1
Overwegingen
1. Artikel 8:55, vierde lid, van de Awb.
van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposant voert aan dat de rechtbank het beroep ten onrechte met toepassing van artikel 8:54 van de Awb kennelijk gegrond heeft verklaard. Opposant stelt hierbij dat hij niet heeft kunnen reageren op de aanvullende gronden van geopposeerde van 17 juni 2024. In die gronden beroept geopposeerde zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 6 december 2023.2 Deze uitspraak ging over de toepassing van artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. Dit ging over het moment waarop de beslistermijn aanvangt wanneer er sprake is van een tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. Dat is van belang voor de vraag of op het moment van ingebrekestelling in het kader van het niet tijdig nemen van een besluit de beslistermijn wel was verstreken.
4. De opposant stelt dat dit geschilpunt nauw samenhangt met de vraag wanneer Nederland verantwoordelijk wordt overeenkomstig de Dublinverordening en de aanvang van de beslistermijn uit de Procedurerichtlijn. Dit is volgens opposant een inhoudelijke rechtsvraag. Hij voert aan dat hij in het verweerschrift van 24 april 2024 reeds had betoogd dat de 21-maandentermijn niet was verstreken.
5. Volgens opposant is hiermee geen sprake van een kennelijk gegrond beroep. Hij had in de gelegenheid moeten worden gesteld om te reageren op de aanvullende gronden van geopposeerde van 17 juni 2024 en de daarin aangehaalde uitspraak van 6 december 2023. Indien het verzoek slaagt, verzoekt opposant het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Indien de rechtbank tot een andere beoordeling komt, verzoekt opposant het beroep ter zitting te behandelen.
Beoordeling door de rechtbank van het verzet
6. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de aanvang van de beslistermijn als bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn een centrale rol speelt, omdat dat bepalend is voor de vraag of de ingebrekestelling niet te vroeg is gedaan. Daarbij is tevens van belang op welk moment Nederland verantwoordelijk wordt overeenkomstig de Dublinverordening.
7. Naar het oordeel van de rechtbank hebben beide partijen zich voldoende over deze vragen kunnen uitlaten. Dat opposant niet meer uitdrukkelijk de gelegenheid heeft gekregen om te reageren op de aanvullende gronden, waarin is verwezen naar de uitspraak van 6 december 2023, doet daar niet aan af. Deze uitspraak mocht bij opposant bekend worden verondersteld, nu deze uitspraak al een half jaar eerder was gedaan. Het was daarnaast evident die uitspraak van belang was voor de beoordeling in de onderhavige zaak. Ook zonder dat een beroep op de uitspraak was gedaan, had de rechtbank die uitspraak bij de beoordeling betrokken.
8. De rechtbank is dan ook van oordeel dat opposant niet de gelegenheid had moeten krijgen om nog nader te reageren op de aanvullen de gronden en de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, gelet op de stand van de jurisprudentie (die overigens tot op heden niet is gewijzigd), het beroep kennelijk gegrond is. Het verzet is dan ook ongegrond.
2 ECLI:NL:RBDHA:2023:19148.
Beslissing
De rechtbank:
27 november 2025
- verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.