RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: W.M.A. van Hoof).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32686
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft op 26 oktober 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft Nigeria in 2014 verlaten vanwege zijn seksuele gerichtheid. Hij stelt biseksueel te zijn. Eiser is in 2014 in een hotel in Nigeria betrapt met zijn partner, [persoon1] . Eiser is mishandeld door de mensen die hem betrapten en door omstanders. De partner van eiser, [persoon1] , is hierbij omgekomen. Eiser is hierna gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer voor geweld door de gemeenschap of om gevangen te worden gezet.
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn seksuele gerichtheid en de problemen die daaruit voortvloeien niet. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten en zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel in de zin van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. De minister is van mening dat eiser summier, oppervlakkig en onpersoonlijk heeft verklaard. Bij de besluitvorming zijn de thema’s, die conform Werkinstructie (WI) 2019/17 zijn besproken in het gehoor, meegewogen. De minister is van mening dat eiser over geen van de thema’s voldoende heeft verklaard. De minister concludeert dat de asielaanvraag van eiser ongegrond is op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. De minister heeft ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd.
Referentiekader en medische situatie ten tijde van het gehoor
8. Eiser voert aan dat hij niet in staat is om zijn gevoelens en emoties in detail uit te drukken omdat hij zeer weinig onderwijs heeft genoten. Eiser is op jonge leeftijd misbruikt door een oudere man. Daarom is het niet onaannemelijk dat hij zijn seksuele gerichtheid op een geforceerde manier heeft ontwikkeld en dat hij hierdoor trauma’s heeft opgelopen. Verder blijkt uit het gehoor dat eiser niet fit was tijdens het nader gehoor waardoor hij niet kon focussen op de vragen. De minister had aan eiser moeten voorstellen om het gehoor te verplaatsen. Het nader gehoor kan geen grondslag vormen voor het bestreden besluit en eiser dienst opnieuw te worden gehoord.
9. De rechtbank is van oordeel dat uit de besluitvorming blijkt dat de minister bij de gehoren voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser en met zijn fysieke toestand. De minister heeft mogen stellen dat het gegeven dat eiser laag opgeleid is en mogelijk meer moeite heeft met het onder woorden brengen van gevoelens en gedachten, niet maakt dat er niets van eiser verwacht hoeft te worden. De gehoormedewerker heeft tijdens het nader gehoor waar nodig extra uitleg aan eiser gegeven over wat met een vraag werd bedoeld en wat er van eiser werd verwacht. Ook zijn er meerdere pauzes ingelast. De gehoormedewerker heeft verschillende keren aan eiser gevraagd hoe het met hem gaat. Hier heeft eiser steeds op geantwoord dat het goed met hem gaat, ondanks het feit dat hij last heeft van zijn maag. Daarnaast blijkt er uit het adviesformulier van MedTadvies van 12 juni 2025 dat er weliswaar medische klachten bij eiser zijn geconstateerd, maar dat deze geen beperkingen opleveren die relevant zijn voor het horen en beslissen. De beroepsgrond slaagt niet.
De geloofwaardigheid van eisers seksuele gerichtheid
10. Met betrekking tot de geloofwaardigheid van zijn seksuele gerichtheid voert eiser het volgende aan. Bij de beoordeling van de seksuele gerichtheid is het niet noodzakelijk dat eiser relaties heeft gehad. Als de minister van oordeel is dat er geen sprake is geweest van een noemenswaardige liefdesrelatie tussen eiser en [persoon2] , dan houdt dit niet in dat daarmee ook het asielmotief ongeloofwaardig is. Daarnaast heeft eiser voldoende informatie gegeven over het incident in het hotel. De informatie die de minister verlangt kan eiser niet geven, want hij kan niet in het hoofd kijken van de belagers. Ook is het volgens WI 2019/17 niet noodzakelijk dat er sprake is van een relatie, dan wel contact met de lhbti-gemeenschap.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister de biseksuele gerichtheid en de problemen die eiser hierdoor heeft ondervonden, ongeloofwaardig heeft mogen vinden. De minister heeft hierbij mogen betrekken dat, ondanks dat er niet expliciet is gevraagd naar de duur van de relatie met [persoon2] , de verklaringen van eiser in zijn geheel summier, algemeen en oppervlakkig zijn. Zo heeft eiser bijvoorbeeld in reactie op de vraag hoe de relatie met [persoon2] is ontstaan geantwoord dat hij dit niet weet en zich dit niet meer kan herinneren (nader gehoor, p. 12). Op de vraag hoe eiser zich voelde bij de eerste relatie die hij had met een man heeft hij geantwoord dat hij zich er heel goed bij voelde vanwege de lol de ze me elkaar hadden (nader gehoor, p.13). Daarnaast heeft de minister mogen vinden dat de verklaringen van eiser over het incident met de betrapping en de mishandeling in het hotel summier zijn. Uit de verklaringen van eiser wordt niet duidelijk hoe de daders de kamer betraden, waarom hij juist op dat moment werd betrapt, wie de daders waren en of zij eiser herkenden. Zo heeft eiser verklaard dat hij geen idee heeft hoe de daders wisten wat hij aan het doen was in de hotelkamer (nader gehoor, p.17). Op de vraag hoe eiser aan de daders is ontsnapt, heeft eiser verklaard dat god dit heeft gedaan (nader gehoor, p.16). De minister heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat het eiser door de summiere en oppervlakkige verklaringen die hij heeft afgelegd niet is gelukt is om zijn biseksuele gerichtheid aannemelijk te maken.
12. Tot slot heeft de minister ook mogen vinden dat eiser over geen van de thema’s die volgen uit de WI 2019/17 voldoende heeft verklaard. Uit de WI 2019/17 volgt inderdaad niet dat het noodzakelijk is dat een vreemdeling die stelt problemen te hebben als gevolg van zijn of haar seksuele geaardheid dit moet onderbouwen met verklaringen over relaties, dan wel contact met de lhbti-gemeenschap. De thema’s die volgen uit de WI moeten echter in samenhang worden gewogen. De minister heeft mogen vinden dat eiser summier heeft verklaard over hoe hij er achter kwam dat hij biseksueel was en dat het in de verklaringen van eiser ontbreekt aan persoonlijke beleving. Zo heeft eiser verklaard dat zijn gevoelens voor en de aantrekking tot mannen uit zijn hart zijn ontstaan (nader gehoor, p.9). Op de vraag hoe het was voor eiser om uit een land te komen waar biseksualiteit niet geaccepteerd is, heeft eiser geantwoord dat hij zich slecht voelde, maar dat de behoefte daarmee niet kon worden weggenomen (nader gehoor, p.10). Eiser heeft verder verklaard niet bekend te zijn met organisaties in Nederland die hulp verstrekken aan mensen die behoren tot de lhbti- gemeenschap, en uit eisers verklaringen volgt niet een eenduidig beeld dat hij gediscrimineerd of vervolgd zou worden. Ook de verklaringen van eiser over het uiten van zijn biseksuele gerichtheid in Nederland ten opzichte van Nigeria heeft de minister onvoldoende mogen vinden om de verdere algemene en summiere verklaringen van eiser te compenseren. De beroepsgrond slaagt niet.
Het terugkeerbesluit en het inreisverbod
13. Eiser voert tot slot aan dat het onredelijk is dat de minister verwacht dat hij onmiddellijk, zonder vertrektermijn, vertrekt. Eiser ontvangt nog altijd ondersteuning van het COA en de minister is bekend met de identiteit van eiser. Het blijkt ook niet dat eiser eerder is ondergedoken. Van een risico op onderduiken is om die reden geen sprake. Nu het terugkeerbesluit onrechtmatig is, kan er ook geen inreisverbod worden opgelegd.
14. Artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw, vermeldt dat de minister kan bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten in geval een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Uit paragraaf A3/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat een risico op onttrekking aan het toezicht pas wordt aangenomen als ten minste twee van de gronden uit artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), van toepassing zijn. Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw.
15. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekverplichting en een inreisverbod heeft kunnen opleggen. De minister heeft het risico op onderduiken gebaseerd op drie gronden uit artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb. Eiser heeft zonder noodzaak zijn reis- of identiteitsdocument weggegooid bij aankomst in Nederland, eiser heeft geen vaste woon-of verblijfplaats en hij beschikt niet over voldoende middelen van bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met deze drie gronden voldoende gemotiveerd waarom eiser een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrekplicht wordt opgelegd. Dat eiser niet beschikt over onvoldoende middelen van bestaan wordt niet door eiser betwist. Verder heeft de minister het feit dat eiser nu op een COA-locatie verblijft onvoldoende kunnen vinden in het licht van de andere twee gronden. Nu de minister eiser terecht een vertrektermijn heeft onthouden, heeft de minister ook een inreisverbod op mogen leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
16. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 november 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.