RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: W.M.A. van Hoof).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24919
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),
en
1. Deze uitspraak gaat over de bij de asielvergunning van eiser geregistreerde geboortedatum. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Met het besluit van 6 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. De minister is er daarbij van uitgegaan dat eiser is geboren op [geboortedatum 1] 2005.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover de minister daarbij is uitgegaan van de geboortedatum van [geboortedatum 1] 2005. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Eiser heeft op 29 augustus 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij aankomst in Nederland had hij geen identificerende documenten bij zich, maar hij stelt van Eritrese nationaliteit te zijn. Bij het verhoor met de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) op 30 augustus 2023 heeft eiser verklaard te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2007. Ook is bij dit verhoor een foto op de mobiele telefoon van eiser aangetroffen van een registratiepasje van de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR). Hieruit blijkt dat eiser bij de UNHCR geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedatum 1] 2005. Bij het aanmeldgehoor met de IND op 17 maart 2024 heeft eiser verklaard te zijn geboren op [geboortedatum 2] 2007. Zowel bij de AVIM als bij de IND heeft een leeftijdsschouw plaatsgevonden. De AVIM en de IND hebben beiden geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Gelet hierop is nader onderzoek gedaan naar de leeftijd van eiser. Uit het nader onderzoek is vervolgens gebleken dat eiser in Italië is geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedatum 1] 2007 én met de geboortedatum [geboortedatum 2] 2007. Eiser heeft in Italië geen identificerende documenten overgelegd.
De leeftijd van eiser
7. Eiser voert in het beroepschrift aan dat hij een originele geboorteakte van de Sudanese Red Crescent heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij is geboren in 2007. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom in dit originele document geen aanleiding is gevonden om de verklaringen van eiser ten aanzien van zijn geboortedatum te volgen. Eiser gaat er van uit dat de geboorteakte is onderzocht en echt is bevonden, nu deze aan eiser is geretourneerd. Op de zitting heeft eiser daarnaast aangevoerd dat de conclusies die volgen uit de schouw van die IND, die heeft plaatsgevonden tijdens het aanmeldgehoor van 17 maart 2024, niet zonder meer inzichtelijk en concludent zijn. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), van 22 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4491).
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet uit hoeven te gaan van de leeftijd zoals vermeld staat op de geboorteakte van de Sudanese Red Crescent. De geboorteakte is onderzocht door Bureau Documenten. Uit de verklaring van onderzoek van 8 oktober 2025 volgt dat Bureau Documenten geen uitspraken kan doen over de echtheid, de opmaak en afgifte, en de inhoud van de geboorteakte. Wegens het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal is het niet mogelijk gebleken conclusies te verbinden aan het onderzoek naar het document. Daarnaast betreft het geen identificerend document. De op de zitting naar voren gebrachte stelling van eiser dat er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming omdat de verklaring van onderzoek laat in de procedure is ingebracht, volgt de rechtbank niet. De minister heeft namelijk op de zitting toegelicht dat het onderzoek heeft plaatsgevonden vóór het nemen van het bestreden besluit, op 1 juli 2024 en dat de verklaring alleen van latere datum is.
9. De rechtbank overweegt, met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3801), dat in het algemeen de leeftijdsschouw zorgvuldig is en het beleid van de minister, zoals in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en in de Werkinstructie (WI) 2025/1 is uitgewerkt, op een zorgvuldige wijze is vormgegeven en redelijk is. De leeftijdsschouw is een bruikbaar middel voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling. Daarbij moet worden benadrukt dat, om tot een zorgvuldige schouw te komen in een individuele zaak, het van belang is dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en dat alle observaties, vanaf de ontmoeting tot aan de afsluiting, in het verslag staan beschreven. Ook moeten de conclusies van de schouw in de verslaglegging worden verbonden aan de observaties tijdens het gehoor, bestaande uit uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen van een vreemdeling. Alleen dan is een leeftijdsschouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. Als een van de leeftijdsschouwen niet inzichtelijk en concludent is, dan is de leeftijdsschouw in die zaak geen bruikbaar middel om uitspraken te doen over de vraag of al dan niet getwijfeld moet worden aan de verklaring van de vreemdeling dat hij minderjarig is. De minister moet in dat geval uitgaan van de presumptie van minderjarigheid en het is aan de minister om die te ontzenuwen. Zie in dit kader ook de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3992).
10. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de leeftijdsschouw van de IND zoals die heeft plaatsgevonden tijdens het aanmeldgehoor van eiser niet voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. In de schouw is niet inzichtelijk gemaakt welke kenmerken en gedragingen tot welke conclusie leiden en waarom deze typerend zouden zijn voor minder- of meerderjarigheid. In het gehoor worden in het kader van de leeftijdsschouw enkele lichamelijke kenmerken opgesomd. Ook wordt het gedrag van eiser (kort) beschreven. In de schouw ontbreekt echter een verbinding tussen de observaties en de bevindingen en de conclusies die de IND daaruit trekt. De schouwers leggen niet uit waarom de lichamelijke kenmerken van eiser typerend zijn voor een meerderjarige en waarom juist niet voor een minderjarige. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de schouw door de AVIM.
11. Gelet op wat is overwogen onder 10, mocht de minister de leeftijdsschouw niet betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die eiser heeft opgegeven. Dat neemt echter niet weg dat de minister met het oog op een zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van eiser. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4491). De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij na onderzoek uitgaat van de meerderjarigheid van eiser op basis van de bij eiser aangetroffen foto/kopie van een UNHCR registratiepas. De minister heeft mogen uitgaan van de bij de UNHCR geregistreerde geboortedatum. Dat het gaat om een kopie van een registratiepas betekent in dit geval niet dat de minister zich daar niet op mocht baseren, nu eiser in zijn gehoor heeft bevestigd dat hij deze pas van de UNHCR heeft ontvangen. Uit de rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:245) en uit WI 2025/1, volgt dat de minister meer dan geringe bewijswaarde moet toekennen aan UNHCR-registraties, gelet op de werkwijze van UNHCR bij het opstellen van deze registraties. De rechtbank ziet geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de manier waarop de registratie tot stand is gekomen in dit geval anders is dan zoals omschreven in de genoemde Afdelingsuitspraak van 26 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:245). Verder heeft de minister bij zijn beoordeling mogen betrekken dat eiser in Italië en in Nederland geen (originele) identificerende documenten heeft overgelegd en in beide landen wisselend heeft verklaard over zijn geboortedatum.
Het beroep slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
04 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.