RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45564
(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),
en
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 18 juli 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 september 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 samen met de voorlopige voorziening, zaaknummer NL25.45565, op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen bij de behandeling op de zitting. Na het uitroepen van zaak heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Hongaarse en Algerijnse nationaliteit. Hij heeft op 18 juli 2025 in Nederland asiel aangevraagd. Tijdens het ‘Gehoor EU onderdaan’ van 11 september 2025 heeft eiser zijn bezwaren voor terugkeer naar Hongarije naar voren gebracht. In de eerste plaats is hij de taal niet machtig, ook heeft eiser in Hongarije geen familie meer. De wel aanwezige familieleden zorgen voor problemen.
Kern van het besluit
4. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van Protocol nr. 24 (het Protocol) inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie (EU), bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat eiser een EU onderdaan is. EU lidstaten beschouwen elkaar in beginsel als veilige landen van oorsprong voor alle juridische en praktische doeleinden in verband met asielzaken. Er is volgens de minister dan ook geen aanleiding om de asielaanvraag van eiser inhoudelijk te behandelen, omdat niet is gebleken van een uitzonderingssituatie als bedoeld in het Protocol. Ook is niet gebleken dat aan eiser fundamentele rechten zijn onthouden. Verder heeft eiser zich nooit voor hulp of bescherming tot de Hongaarse autoriteiten gewend. Niet is gebleken dat voor Hongarije daarom niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Uitzonderingen Protocol nr. 24 van het VWEU
5. Een asielaanvraag van een onderdaan van de EU wordt alleen ontvankelijk verklaard als sprake is van één van de situaties als beschreven in het Protocol. De minister verklaart een asielaanvraag onder andere ontvankelijk en neemt hem inhoudelijk in behandeling als de in artikel 7, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bedoelde procedure (artikel 7-procedure) op gang is gebracht en totdat de Raad, of in voorkomend geval de Europese Raad, hieromtrent een besluit heeft genomen ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderaan is. In 2018 startte het Europees Parlement deze procedure tegen Hongarije.
Artikel 7-procedure
6. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het Protocol lidstaten de ruimte geeft om een asielaanvraag ook na aanvang van een artikel 7-procedure niet-ontvankelijk te verklaren. De minister heeft daarbij een zekere beoordelingsruimte en de rechter is bij een beroep op het Protocol gehouden om te toetsen of de minister niet buiten deze beoordelingsruimte is getreden. Uit deze rechtspraak volgt verder dat het starten van een artikel 7-procedure alleen in uitzonderlijke gevallen aanleiding kan geven om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Is de asielaanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard?
7. Eiser betoogt dat hij bij uitzetting naar Hongarije een reëel risico loopt op een behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. De minister heeft zijn asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en niet in behandeling genomen. Eiser wordt gediscrimineerd op grond van zijn taal en afkomst en vreest in Hongarije terecht te komen in een situatie van extreme materiële deprivatie. In Hongarije was hij niet in staat om zichzelf te onderhouden en hij beschikt niet over de innerlijke kracht, zelfredzaamheid en flexibiliteit om in Hongarije zijn rechten te effectueren. Hongarije dringt vluchtelingen met een Arabisch-islamitische achtergrond zoals eiser terug. Ook lijdt eiser aan psychische problemen en is hij verslaafd aan crack. Hij heeft professionele hulp nodig om van zijn drugsverslaving af te komen die hij in Hongarije niet krijgt. Er is dan ook sprake van bijzondere omstandigheden en een combinatie van factoren waardoor de minister ten onrechte stelt dat voor Hongarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Met de persoonlijke omstandigheden van eiser is onvoldoende rekening gehouden.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat, ondanks de artikel 7-procedure die het Europees Parlement tegen Hongarije is gestart, dit niet betekent dat de asielaanvraag van eiser inhoudelijk moet worden behandeld. De artikel 7-procedure voor Hongarije ziet namelijk op de zorgen over de rechtsstaat in Hongarije. Eiser heeft verklaard dat hij beweegredenen heeft om niet in Hongarije te willen zijn, maar hieruit blijkt niet dat een uitzonderingssituatie op hem van toepassing is. Ook dat eiser het vanwege psychische problemen en drugsverslaving moeilijk heeft, doet geen afbreuk aan het feit dat de minister nog altijd mag verwachten dat eiser zelf zijn rechten in Hongarije effectueert. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij zich tevergeefs tot de Hongaarse autoriteiten heeft gewend. Evenmin heeft eiser de gestelde discriminatie onderbouwd. De minister mag voor Hongarije dan ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en erop vertrouwens dat de Hongaarse autoriteiten fundamentele mensenrechten en vrijheden waarborgen en dat effectieve rechtsbescherming mogelijk is. Bij problemen of noodzaak kan eiser zich wenden tot de (hogere) Hongaarse autoriteiten. Niet gebleken is dat dit door de artikel 7-procedure voor hem geen mogelijkheid (meer) is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.