[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Hassan),
en
de minister van Asiel en Migratie .
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op de opvolgende asielaanvraag. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het beroep ontvankelijk en gegrond is. Omdat zij onder 4 deze vraag bevestigend beantwoordt, legt de rechtbank de minister onder 5.1 een beslistermijn op en legt zij onder 6 de minister een dwangsom op.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond. Eiser heeft de Oekraïense nationaliteit. De opvolgende asielaanvraag is in ontvangst genomen op 5 november 2023. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Deze beslistermijn is met de inwerkingtreding van WBV 2023/3 met ingang van 1 januari 2023 verlengd met negen maanden. Uit de uitspraak van 12 december 2023 van deze rechtbank en zittingsplaats volgt echter dat WBV 2023/3 buiten toepassing moet worden gelaten. De minister heeft in het (aanvullend) verweerschrift van 20 november 2025 aangegeven dat het besluitmoratorium dat de minister voor vreemdelingen uit Oekraïne had ingesteld niet op eiser van toepassing is, omdat deze op 28 augustus 2023 is geëindigd. De beslissing tot verlenging van het besluitmoratorium, bedoeld in de brief van 4 september 2023, maakt dat volgens de minister niet anders, omdat dit niet is neergelegd in een afzonderlijk (gepubliceerd) besluit en daardoor niet van toepassing is. De rechtbank volgt de minister hierin. Dat betekent dat de beslistermijn van zes maanden is geëindigd op 5 mei 2024. De minister is na het verstrijken van die termijn in gebreke gesteld. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is meer dan twee weken na de ingebrekestelling ingesteld.
Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
5. De bestuursrechter kan een termijn stellen voor het nemen van het besluit of het verrichten van een andere handeling.
Uit het dossier blijkt dat in dit geval een aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden, maar dat nog niet gehoord is over de asielmotieven. In haar uitspraken van 8 juli 2020 en 5 december 2024 acht de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een dergelijk geval een termijn van zestien weken passend, het zogenoemde 8+8-wekenmodel. De rechtbank stelt echter vast dat in deze zaak de maximale termijn van 21 maanden uit artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken. In dat geval legt de rechtbank in beginsel een termijn van acht weken op om een besluit op de aanvraag te nemen, tenzij bijzondere omstandigheden aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank ziet geen grond om hier een andere termijn passend te achten. Omdat van bijzondere omstandigheden niet is gebleken, draagt de rechtbank de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
6. De rechtbank moet aan haar uitspraak een dwangsom verbinden. Hierover hebben de rechtbanken landelijk beleid vastgesteld. De rechtbanken hanteren niet langer een bijzonder beleid voor dwangsommen in vreemdelingenzaken. Het landelijk beleid biedt ruimte om in bijzondere gevallen af te wijken. Daar ziet de rechtbank geen aanleiding voor. De rechtbank stelt daarom de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 100 per dag voor elke dag waarmee de onder 5.1 genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister de onder 5.1 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 6 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 453,50, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Deitz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.