RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31128
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en
(gemachtigde: mr. G. Douma).
1. Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 30a, eerste lid en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Eiseres heeft namelijk terecht aangevoerd dat de beoordeling in het bestreden besluit of Turkije in zijn algemeenheid veilig is onvoldoende is gemotiveerd door de minister. Met het briefverweer heeft de minister echter alsnog voldoende uitgelegd waarom Turkije in zijn algemeenheid kan worden aangemerkt als een veilig derde land voor eiseres. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 9 augustus 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 juli 2024 deze aanvraag afgedaan als niet-ontvankelijk.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met het verweerschrift van 17 juni 2025 en het verweerschrift van 25 juni 2025.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft de Syrische nationaliteit. De echtgenoot en kinderen van eiseres hebben de Turkse nationaliteit. Eiseres heeft Syrië in 2011 verlaten, omdat het daar vanwege de oorlog niet meer veilig was. Eiseres is vervolgens verhuisd naar haar schoonmoeder in Turkije. Zij kreeg daar problemen met haar schoonfamilie, omdat zij van Syrische afkomst is. Ze is door haar schoonfamilie onder druk gezet om terug naar Syrië te gaan en haar kinderen in Turkije achter te laten en werd door hen verbaal en lichamelijk mishandeld. Bovendien is er in Turkije sprake van zware discriminatie tegen Syriërs. Daarom heeft eiseres Turkije verlaten en een asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiseres voor haar schoonfamilie en de discriminatie.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat Turkije voor eiseres als een veilig derde land kan worden beschouwd. De minister legt hieraan het volgende ten grondslag. Eiseres heeft volgens de minister een zodanige band met Turkije dat het voor haar redelijk wordt geacht om naar dat land toe te gaan. De echtgenoot en kinderen van eiseres hebben namelijk de Turkse nationaliteit en eiseres heeft vanaf 2011 tot aan haar vertrek in 2022 in Turkije verbleven. Het is daarnaast aannemelijk dat eiseres weer tot Turkije wordt toegelaten, omdat eiseres aan de voorwaarden voldoet om op basis van het huwelijk met haar echtgenoot de Turkse nationaliteit te kunnen verkrijgen. Hoewel uit de verklaringen van eiseres kan worden afgeleid dat sprake is van moeilijke omstandigheden in Turkije, blijkt uit deze verklaringen niet dat sprake is van een situatie die zodanig slecht is dat Turkije voor eiseres niet als een veilig derde land kan worden beschouwd.
De minister heeft bij brief van 5 december 2024 het bestreden besluit aangevuld. Eiseres heeft geen antwoord gegeven op de vraag op welke grond zij een Turks identiteitsbewijs (Kimlik) heeft, waardoor het onmogelijk is om te onderzoeken of zij op basis hiervan toegang heeft tot Turkije. Dit is eiseres aan te rekenen. Verder kan eiseres via haar gezinsleden opnieuw proberen toegang te krijgen tot Turkije, omdat zij de Turkse nationaliteit hebben. Hoewel er ongeregeldheden zijn in de behandeling van Syriërs in Turkije, is dat eiseres niet vanuit de autoriteiten overkomen. Turkije kent daarnaast een asielprocedure, namelijk het tijdelijke protectie (TP) systeem, dat Syriërs bescherming biedt op basis van prima facie-vluchtelingschap. Vluchtelingen uit Syrië hebben op grond van dit systeem recht op legaal verblijf in Turkije en toegang tot bepaalde basisrechten en diensten, zoals medische hulp, onderwijs en werkvergunningen. Hoewel mensen zijn uitgezet naar Syrië, ging het meestal om personen die beschermd werden op basis van het TP-systeem en woonden en werkten buiten de provincie waar zij stonden geregistreerd. In de situatie van eiseres is daarvan geen sprake.
De rechtbank stelt allereerst vast dat deze brief van 5 december 2024, die door de minister als aanvullend besluit wordt aangeduid, geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen, nu het geen verandering in de rechtspositie van eiseres heeft gebracht. De minister volhardt slechts in de niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag, met een aanvullende motivering. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze brief niet als een aanvullend besluit kan worden aangemerkt in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar moet worden beschouwd als aanvullende motivering van het bestreden besluit. Aan de bespreking van de vraag of het bestreden besluit om die reden een motiveringsgebrek bevat en zo ja wat dan de gevolgen hiervan zijn, komt de rechtbank hieronder toe.
Mag de minister Turkije als een veilig derde land beschouwen voor eiseres?
Toetsingskader
5. De minister kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren, indien een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd. Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 december 2017 volgt dat de minister allereerst aan de hand van zorgvuldig onderzoek deugdelijk moet motiveren dat de vreemdeling in het derde land volgens de in artikel 3.106a, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) genoemde beginselen wordt behandeld. Het gaat er dan onder meer om dat de vreemdeling geen risico loopt op ernstige schade, het beginsel van non-refoulement wordt nageleefd en voor de vreemdeling de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en bescherming overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag te ontvangen. Vervolgens kan de minister een land slechts als veilige derde land aanmerken indien die vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor die vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan. Verder kan de minister slechts tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is, indien die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land. De beoordeling die de minister in dit kader moet verrichten, dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.
De rechtbank zal de door eiseres aangevoerde gronden bespreken aan de hand van dit toetsingskader. De vraag of eiseres een band heeft met Turkije zal hierbij achterwege worden gelaten, omdat dit niet in geschil is.
Turkije als veilig derde land
6. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ervan uit kan worden gegaan dat Turkije in het algemeen kan worden beschouwd als een veilig derde land. De minister heeft namelijk op onjuiste wijze beoordeeld of Turkije een veilig derde land is. Volgens eiseres kan de minister de veiligheid van het derde land niet enkel vaststellen op grond van de individuele omstandigheden van eiseres. De minister moet eerst onderzoeken of Turkije in het algemeen veilig is. Pas als de algemene veiligheid is vastgesteld, kan naar de individuele situatie van eiseres worden gekeken. Dat blijkt uit artikel 38 van de Procedurerichtlijn en de uitspraken van de Afdeling van 13 december 2017 en 6 mei 2024. Verder wordt Turkije volgens het beleid van de minister in principe niet als een veilig derde land tegengeworpen. Dat blijkt uit Informatiebericht (IB) 2024/26. Ook bestaat in Turkije niet de mogelijkheid om de vluchtelingenstatus te verzoeken en vervolgens bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag, terwijl dit volgens artikel 38, eerste lid, van de Procedurerichtlijn een voorwaarde is om dat land als veilig derde land aan te kunnen merken. Uit het ambtsbericht over Turkije van februari 2025 blijkt namelijk dat vluchtelingschap in Turkije alleen wordt toegekend aan staatsburgers van lidstaten van de Raad van Europa. Tijdens de zitting heeft eiseres verder betoogd dat Turkije het non-refoulementbeginsel niet naleeft.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres er terecht op gewezen dat de minister verplicht is om te onderzoeken of eiseres in Turkije overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a van de Vb 2000, zal worden behandeld. Vastgesteld wordt dat de minister er in het voornemen enkel op heeft gewezen dat Turkije in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft, zonder te verwijzen naar informatiebronnen. In het bestreden besluit noemt de minister de voorwaarden in zijn geheel niet. De Afdeling heeft in de uitspraak van 13 december 2017 geoordeeld dat de minister uiterlijk in het besluit uit moet leggen welke bronnen hij heeft gebruikt bij de beoordeling en inzichtelijk moet maken op welke wijze hij de informatie uit die bronnen bij zijn beoordeling heeft betrokken. Nu de minister hierin tekort is geschoten – wat zijn gemachtigde tijdens de zitting heeft erkend – is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
Het voorgaande brengt mee dat het beroep tegen het bestreden besluit op dit onderdeel gegrond is en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank beoordeelt hierna of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, waarbij de aanvullende motivering wordt meegenomen die de minister bij brief van 5 december 2024 en de verweerschriften van 17 juni en 25 juni 2025 heeft gegeven.
Bij de brief van 5 december 2024 en het briefverweer van 25 juni 2025 heeft de minister onder verwijzing naar Human Rights Watch, het algemeen ambtsbericht Turkije van 2019, een rapport van de UNHCR en het algemeen ambtsbericht Turkije van 2025 alsnog voldoende gemotiveerd dat eiseres in Turkije overeenkomstig de beginselen, genoemd in artikel 3.106a van het Vb 2000, zal worden behandeld. Hoewel het briefverweer een dag voor de zitting is ingediend, heeft eiseres hierop voldoende kunnen reageren tijdens de zitting. In het briefverweer is namelijk slechts meer handen en voeten gegeven aan de stellingen die de minister al bij brief van 5 december 2024 heeft ingenomen. De minister heeft zich in het briefverweer terecht op het standpunt gesteld dat Turkije volgens het ambtsbericht van 2025 een asielprocedure kent voor Syrische vluchtelingen, namelijk de TP-procedure. Dat deze procedure niet leidt tot specifiek een vluchtelingenstatus volgens het Vluchtelingenverdrag omdat Turkije deze alleen toekent aan burgers van lidstaten van de Raad van Europa, doet hieraan niet af. Tijdens de zitting heeft de minister er namelijk terecht op gewezen dat niet uit de Procedurerichtlijn volgt dat dit is vereist. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat Turkije in beginsel het non-refoulementbeginsel naleeft. Uit het ambtsbericht van 2025 blijkt dat in de meeste gevallen waarin de Turkse autoriteiten Syriërs naar Syrië uitzette, het vluchtelingen betrof die woonden en werkten in een andere provincie dan waar ze stonden geregistreerd. Daarvan is in het geval van eiseres geen sprake. Verder vindt terugkeer in beginsel plaats wanneer het vrijwillig en veilig is. De minister heeft er bovendien terecht op gewezen dat eiseres een Turkse partner en kinderen heeft, zodat het risico op uitzetting ook om die reden laag is. Op de zitting heeft de minister er daarnaast terecht op gewezen dat de aanmerking van Turkije als niet veilig in IB 2024/26 samenhangt met het kunnen verkrijgen van toegang tot het land, niet de veiligheidssituatie daar.
Turkije als veilig derde land voor eiseres
7. Eiseres betoogt verder dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ervan uit kan worden gegaan dat Turkije voor eiseres kan worden beschouwd als een veilig derde land. Eiseres voert daartoe aan dat de minister haar niet genoeg heeft bevraagd over de discriminatie die zij in Turkije heeft ondervonden en de problemen met haar schoonfamilie. Eiseres kan wel degelijk te maken hebben gehad met onhoudbare discriminatie. Daarbij wijst eiseres op een brief van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 4 juli 2024, waarin de maatschappelijke positie van Syriërs in Turkije wordt beschreven. Daarnaast wijst eiseres op recente geweldplegingen tegen Syriërs in Turkije.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat Turkije voor eiseres kan worden beschouwd als een veilig derde land. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat de minister eiseres voldoende vragen heeft gesteld over de door haar ondervonden discriminatie. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres nader toegelicht dat eiseres onvoldoende is bevraagd over de mogelijkheden die ze had om iets te ondernemen tegen de discriminatie. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt echter dat de minister eiseres heeft gevraagd of ze heeft geklaagd bij de school van haar kinderen, waarom ze wel of geen aangifte heeft gedaan van de mishandeling door haar schoonfamilie en of ze zich in een ander deel van Turkije zou kunnen vestigen om zich aan haar schoonfamilie te onttrekken. De rechtbank is dus van oordeel dat ook hierover voldoende vragen zijn gesteld. Ten aanzien van de brief van VWN stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de in de brief geschetste situatie niet zonder meer voor eiseres opgaat. Zelf heeft eiseres over de door haar ondervonden discriminatie verklaard dat zij op de school van haar kinderen vaak hoorde dat men geen Syriërs wilde op school en dat ze een paar keer op straat heeft gehoord dat Syriërs terug moeten naar hun eigen land. Wat eiseres heeft ondervonden is vervelend, maar de minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet zo ernstig is dat niet van haar zou kunnen worden verlangd om naar Turkije te gaan. Verder vinden de problemen van eiseres – hoe naar deze ook zijn – vooral plaats in de familiale sfeer. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseres ook elders in Turkije zou kunnen verblijven om zich hieraan te onttrekken en de autoriteiten om hulp zou kunnen vragen. Eiseres heeft niet onderbouwd dat dit niet mogelijk zou zijn. Verder wijst de minister er terecht op dat de Turkse regering gewelddadigheden tegen Syriërs veroordeelt en personen die zich hieraan schuldig maken arresteert.
Toegang tot Turkije
8. Eiseres betoogt verder dat de minister ten onrechte heeft vastgesteld dat eiseres toegang zou hebben tot Turkije. Eiseres wijst in dit verband op IB 2024/26. Verder kan de minister niet zonder enig nader onderzoek stellen dat eiseres daadwerkelijk toegang zal krijgen tot Turkije. Hierbij wijst eiseres op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 4 oktober 2024. Enkel wijzen op de mogelijkheid voor eiseres om de Turkse nationaliteit aan te vragen, volstaat niet. De minister gaat er bovendien ten onrechte van uit dat het voor eiseres mogelijk zou zijn om middels het huwelijk van haar echtgenoot de Turkse nationaliteit te verkrijgen. Eiseres heeft namelijk verklaard dat haar huwelijk niet geregistreerd is. Ook heeft eiseres verklaard dat haar echtgenoot in het verleden informatie had ingewonnen waaruit bleek dat een stempel van een derde land anders dan Syrië en een inschrijving in Turkije vereist zijn om de Turkse nationaliteit te verkrijgen. Eiseres voldoet niet aan deze voorwaarden. Er is ook geen wets- of rechtsregel die vereist dat iemand een andere nationaliteit zou moeten aanvragen. Eiseres heeft nooit de Turkse nationaliteit gewenst of gewild en haar huwelijk verloopt slecht. Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat alleen het bezit van de nationaliteit van het veilige derde land kan worden tegengeworpen, niet enkel de mogelijkheid om die te verkrijgen. Het verkrijgen van de Turkse nationaliteit staat bovendien niet gelijk aan het gehad hebben van een verblijfsvergunning in Turkije, op grond waarvan weer toegang tot Turkije kan worden verkregen. Tot slot kan ook geen sprake zijn van een gezinsherenigingsprocedure met betrekking tot Turkije, nu de gezinsleden van eiseres zich in Nederland bevinden.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres toegang heeft tot Turkije. Het is juist dat uit IB 2024/26 volgt dat Turkije met betrekking tot het verkrijgen van toegang tot dat land over het algemeen niet kan worden gezien als een veilig derde land, maar de minister heeft er – onder verwijzing naar de Afdelingsuitspraak van 28 februari 2025 – terecht op gewezen dat hier in individuele gevallen van kan worden afgeweken. Nu eiseres echtgenote is van een Turkse onderdaan, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat hij van IB 2024/26 kan afwijken. De door eiseres aangehaalde uitspraak van het Hof ziet om dezelfde reden niet op de situatie van eiseres. Vanwege haar huwelijk met een Turkse onderdaan staat namelijk niet vast dat eiseres geen toegang heeft tot Turkije. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de Turkse nationaliteit zou kunnen verkrijgen vanwege haar huwelijk met haar Turkse echtgenoot. De minister heeft er namelijk terecht op gewezen dat eiseres voldoet aan de hiervoor geldende vereisten die in artikel 16 van de Turkse nationaliteitswetgeving zijn opgenomen. Uit dat artikel volgt niet dat een stempel van een derde land anders dan Syrië en een inschrijving in Turkije vereist zijn. Nu eiseres dit niet nader heeft onderbouwd, wordt zij niet gevolgd in haar betoog dat zij vanwege die gestelde vereisten de Turkse nationaliteit niet zou kunnen verkrijgen. Het betoog van eiseres dat het verkrijgen van de Turkse nationaliteit niet van haar kan worden verlangd, wordt ook niet gevolgd. Eiseres heeft namelijk in het verleden zelf al geprobeerd om de Turkse nationaliteit te verkrijgen. Ook gaat de Afdelingsuitspraak waar eiseres in dit verband naar verwijst over het afwijzen van een asielaanvraag vanwege de aanwezigheid van een beschermingsalternatief, en niet het niet-ontvankelijk verklaren van een asielaanvraag, zoals hier aan de orde is. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er ook andere manieren zijn om toegang te krijgen tot Turkije. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat eiseres bijvoorbeeld een regulier verblijfsrecht zou kunnen krijgen vanwege haar Turkse echtgenoot en kinderen. Dat geen sprake kan zijn van een gezinsherenigingsprocedure in Turkije, omdat de gezinsleden van eiseres zich in Nederland bevinden, doet hieraan niet af. Van eiseres en haar gezin mag namelijk worden verlangd dat zij de nodige inspanningen verrichten om aan de voorwaarden te voldoen die eventueel aan toelating zijn verbonden. Dat de gezinsleden van eiseres zich in Nederland bevinden, betekent niet dat zij zich niet opnieuw in Turkije zouden kunnen vestigen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond, omdat de minister in het bestreden besluit de beoordeling of eiseres in Turkije volgens de in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 vermelde beginselen wordt behandeld onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter in stand (zie onder 6.3). Eiseres krijgt dus geen gelijk.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiseres vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (2 punten van elk
€ 907,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.