RECHTBANK DEN HAAG
beschikking
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/678935/ HA RK 25-37
Beschikking van 29 augustus 2025
in de zaak van
[verzoeker] , zonder bekende woon- of verblijfplaats,
verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat mr. M. de Boorder,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID, te Den Haag,
verweerder, hierna te noemen: de Staat,
advocaat mr. J. Perenboom.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift, ingekomen op 17 januari 2025;
de e-mail van de rechtbank van 19 februari 2025;
de e-mail van de rechtbank van 27 februari 2025;
de e-mail van mr. De Boorder van 5 maart 2025;
het verweerschrift met acht producties, ingekomen op 21 augustus 2025.
De mondelinge behandeling was aanvankelijk bepaald op 27 mei 2025. In verband met een uitstelverzoek van mr. Perenboom is de mondelinge behandeling verplaatst naar 3 juli 2025. Toen verzocht mr. De Boorder uitstel en is de mondelinge behandeling wederom verplaatst, ditmaal naar 28 augustus 2025. Per e-mail van 8 juli 2025 heeft mr. De Boorder uitstel verzocht voor de mondelinge behandeling van 28 augustus 2025. De rechtbank heeft op 9 juli 2025 het verzoek om uitstel afgewezen, aangezien verder uitstel zou leiden tot onredelijke vertraging van de procedure. Naar aanleiding van de e-mail van de rechtbank schreef mr. De Boorder op 9 juli 2025 het volgende:
“ […] Dank voor uw bericht. We zullen voor waarneming zorgen. […]”
Op 28 augustus 2025 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling. Hierbij waren namens de Staat de heer [naam] , juridisch medewerker bij het Parket Generaal, en mr. Perenboom aanwezig.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt, zakelijk weergegeven, tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor en veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure. [verzoeker] legt aan het verzoek ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.
De Staat voert verweer en stelt zich primair op het standpunt dat [verzoeker] niet-ontvankelijkheid moet worden verklaard in zijn verzoek. Subsidiair verzoekt de Staat afwijzing van het verzoek. De Staat verzoekt tevens [verzoeker] te veroordelen in de kosten van de procedure.
Hierna wordt, voor zover van belang, nader op de standpunten van partijen ingegaan.
3. De beoordeling
Slotsom van de beoordeling
[verzoeker] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Het beoordelingskader van het voorlopig getuigenverhoor
Het verzoekschrift is ingediend op 17 januari 2025. Dit betekent dat het nieuwe bewijsrecht van toepassing is.
Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel de verzoeker in staat te stellen duidelijkheid te verkrijgen over bepaalde feiten waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben. Daarnaast biedt het de verzoeker de mogelijkheid zijn proceskansen beter te kunnen inschatten.
Op grond van artikel 197 Rv moet in een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor het volgende zijn opgenomen:
een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek;
de aard en het beloop van de vordering;
de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is;
de namen en woonplaatsen van de personen die de verzoeker als getuigen wil horen.
Artikel 197 lid 2 Rv vermeldt daarbij dat het ontbreken van een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek leidt tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek.
Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan worden toegewezen in de gevallen waarin volgens de wet het bewijs door getuigen is toegelaten. Uitgangspunt daarbij is dat de feiten die met het verhoor bewezen kunnen worden tot een beslissing van de zaak kunnen leiden. Op grond van artikel 196 Rv zal een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor alleen worden afgewezen als: (1) de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, (2) onvoldoende belang bestaat bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor, (3) het verzoek in strijd is met de goede procesorde, (4) sprake is van misbruik van bevoegdheid of (5) andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen het voorlopig getuigenverhoor. Als het verzoek aan alle formele vereisten voldoet en geen van de voornoemde afwijzingsgronden zich voordoet, wordt het verzoek toegewezen.
De Staat stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het verzoek niet aan de formele vereisten voldoet. Hiertoe voert de Staat aan dat het verzoekschrift geen (kernachtige) duidelijke omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het betrekking heeft bevat en tevens niet duidelijk is uitgewerkt op welke gronden het verzoek berust. Volgens de Staat had [verzoeker] onder andere nader kunnen toelichten welke uit Nederland afkomstige informatie een rol heeft gespeeld, waarom hij meent dat die informatie onrechtmatig is verstrekt, hoe hij daardoor concreet is benadeeld en over welke relevante feiten hij door het horen van getuigen nog opheldering wil verkrijgen.
De rechtbank volgt de Staat in zijn verweer. Het onderwerp van het voorlopig getuigenverhoor moet duidelijk (helder, precies en overzichtelijk) uiteen worden gezet. Alleen dan weet verweerder wat de inzet is van het gevraagde verhoor, en weet de rechter-commissaris naar welke feiten en omstandigheden gezocht wordt. [verzoeker] stelt dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, maar heeft de vermeende onrechtmatige gedragingen volstrekt onvoldoende benoemd. Op die wijze wordt het voorlopig getuigenverhoor een exercitie in het duister, en dat is niet de bedoeling. Omdat niet voldaan is aan het vereiste van artikel 197 lid 2 sub a Rv moet [verzoeker] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek.
Proceskostenveroordeling
Aangezien [verzoeker] niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek, zal hij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Deze kosten worden aan de zijde van de Staat begroot op € 1.737,-. Dit bedrag is opgebouwd uit € 331,- aan griffierecht, € 1.228,- aan salaris gemachtigde (€ 614,- x 2 punten) en € 178,- aan nakosten.
4. De beslissing
De rechtbank
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van De Staat begroot op € 1.737,-.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2025.