ECLI:NL:RBDHA:2025:23338

ECLI:NL:RBDHA:2025:23338, Rechtbank Den Haag, 03-03-2025, NL25.7082

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-03-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer NL25.7082
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005075

Samenvatting

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 terecht heeft opgelegd. Verweerder handelt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser door drie dagen na het opleggen van de maatregel een vertrekgesprek met eiser te houden, de Pakistaanse autoriteiten te vragen een laissez-passer af te geven en later ook te rappelleren op dit verzoek. Dat in de maatregel is aangekruist dat de voor uitzetting benodigde (reis)documenten van de vreemdeling voorhanden zijn, ziet de rechtbank als een verschrijving. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser ter zitting heeft erkend dat er geen authentiek paspoort is overgelegd. Dat een vertaling van de informatiebrief ‘waarom aan u een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd’ in de taal Punjabi ontbreekt, ziet de rechtbank als een gebrek. De rechtbank is echter van oordeel dat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de maatregel zijn gediend. Eiser is namelijk voorafgaand aan het opleggen van de maatregel gehoord met behulp van een tolk in een taal die hij goed verstaat en er daarbij van op de hoogte is gebracht dat verweerder van plan is de maatregel om te zetten. Ook heeft hij beroep ingesteld. Er is niet gebleken dat eiser door het ontbreken van een schriftelijke vertaling van de gronden van de bewaring in zijn belangen is geschaad en eiser heeft dit ook niet onderbouwd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de omzetting van de eerdere maatregel in de procedure niet ter beoordeling voorligt. Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet gebleken dat sprake is van een dusdanig gebrek dat dit een ernstige schending oplevert van het aan de vreemdeling toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.7082

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),

en

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2025 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd. Bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, juncto zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiser heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.

De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting aangehouden om verweerder schriftelijk een nadere toelichting te laten geven. Verweerder heeft dat gedaan op 24 februari 2025. Op 25 februari 2025 heeft eiser daarop gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek diezelfde dag gesloten.

Het oordeel van de rechtbank

Waarover gaat deze uitspraak?

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de toegangsweigering en het opleggen en voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling?

2. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1986. Op 31 december 2024 is hij aangekomen op Schiphol en heeft hij een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft diezelfde dag een besluit omtrent het al dan niet verlenen van toegang uitgesteld en eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Verweerder heeft deze maatregel op 31 januari 2025 omgezet en eiser een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid, van de Vw opgelegd.

Bestreden besluit 1 (toegangsweigering)

Is de toegangsweigering onrechtmatig?

3. Eiser heeft geen beroepsgronden gericht tegen de toegangsweigering. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om die toegangsweigering onrechtmatig te achten.

Bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)

Werkt verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting?

4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting naar Pakistan. Eisers asielaanvraag is op 18 januari 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Omdat eiser zo spoedig mogelijk naar Pakistan wil terugkeren, is het asielberoep op 28 januari 2025 ingetrokken. Eiser begrijpt niet waarom hij bijna vier weken later nog in grensdetentie verblijft, temeer omdat verweerder op pagina 4 van de vrijheidsontnemende maatregel van 31 januari 2025 heeft aangekruist dat het zicht op uitzetting aanwezig is omdat de daarvoor benodigde (reis)documenten van de vreemdeling voorhanden zijn en het vertrek kan plaatsvinden met een zogenoemde ‘removal order’, als bedoeld in het Verdrag van Chicago.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Ter zitting heeft verweerder erop gewezen dat eiser alleen een kopie van zijn paspoort heeft overgelegd en dat dit onvoldoende is om tot uitzetting over te gaan. Om die reden heeft verweerder de Pakistaanse autoriteiten op 3 februari 2025 verzocht om een laissez-passer af te geven. Op diezelfde dag heeft het vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Daarnaast volgt uit de gegevens van verweerder dat eiser zich heeft ingeschreven bij IOM en dat er op 13 februari 2025 een presentatie in persoon heeft plaatsgevonden. Op 17 februari 2024 heeft het IOM bevestigd dat deze presentatie goed is verlopen en dat zij nog in afwachting is van enkele checks door de Pakistaanse autoriteiten. Verweerder heeft bovendien op 21 februari 2025 navraag gedaan naar de status hiervan en is nog in afwachting van een update. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiser ter zitting heeft erkend dat er geen authentiek paspoort is overgelegd. Dat in de vrijheidsontnemende maatregel is aangekruist dat de voor uitzetting benodigde (reis)documenten van de vreemdeling voorhanden zijn, ziet de rechtbank in het licht van het voormelde als een verschrijving. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd of voortduurt. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder niet voldaan aan zijn informatieplicht als bedoeld in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit (Vb)?

5. Eiser voert aan dat verweerder in strijd heeft gehandeld met zijn informatieplicht. Verweerder heeft op pagina 5 van bestreden besluit 2 aangekruist dat de informatiebrief ‘waarom aan u een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd’ mondeling met eiser is besproken. Een toelichting hierop alsmede de informatie over de taal waarin de tolk de informatiebrief met eiser heeft besproken ontbreken. Als reactie op de door verweerder op 24 februari 2025 in het dossier gedeelde informatiebrief, voert eiser nog aan hij niet volledig en eenduidig geïnformeerd is. Zijn gemachtigde heeft de informatiebrief niet ontvangen en eiser is onvoldoende ingelicht

Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 november 2023 en 24 juli 2024 volgt dat verweerder bij het uitreiken van de vrijheidsontnemende maatregel aan een vreemdeling in ieder geval schriftelijke informatie, in een taal die de vreemdeling verstaat, dient te verstrekken waarin de mogelijkheid rechtsmiddelen aan te wenden en het recht op gratis rechtsbijstand staan vermeld en waarin een overzicht is opgenomen van de van toepassing zijnde juridische en feitelijke gronden van de bewaring.

De rechtbank stelt vast dat verweerders gemachtigde ter zitting heeft erkend dat hij niet aan deze informatieplicht heeft voldaan en heeft daarbij toegelicht dat er geen vertaling van de informatiebrief ‘waarom aan u een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd’ in de taal Punjabi voorhanden is. Om die reden is er geen folder aan eiser uitgereikt en is de inhoud en strekking van de informatiebrief mondeling met behulp van een tolk met eiser besproken. Hierbij is gebruik gemaakt van een tolk Punjabi, zoals ook wordt vermeld op pagina 5 van de vrijheidsontnemende maatregel van 31 januari 2025. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een gebrek. Dit gebrek leidt niet direct tot gegrondverklaring van het beroep. Pas als de belangenafweging in het voordeel van eiser uitvalt, komt de rechtbank tot een gegrondverklaring. De rechtbank is echter van oordeel dat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de maatregel zijn gediend. De belangenafweging valt in het nadeel van eiser uit. De rechtbank betrekt daarbij in de eerste plaats dat eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is gehoord met behulp van een tolk in een taal die hij verstaat en dat hij ervan op de hoogte is gebracht dat verweerder van plan is om de vrijheidsontnemende maatregel om te zetten. Eiser is dus op de hoogte gebracht van de redenen van de oplegging van de maatregel voordat deze aanving. Daarnaast is eiser ook zonder een schriftelijke kennisgeving op de hoogte geraakt van de redenen van de oplegging van de maatregel en de hem toekomende procedurele rechten. Eiser heeft hiervan ook gebruik gemaakt, gelet op het feit dat hij na de oplegging van de maatregel beroep hiertegen heeft ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat het gebrek de maatregel daarom niet onrechtmatig maakt. Er is niet gebleken dat eiser door het ontbreken van een schriftelijke vertaling van de gronden van de bewaring in zijn belangen is geschaad en eiser heeft dit ook niet onderbouwd. Dat verweerder op het punt van het instellen van een rechtsmiddel onzorgvuldig is geweest in de formulering in de informatiebrief - en de informatiebrief op dit punt naar het oordeel van de rechtbank verbeterd kan worden - maakt ook niet dat na afweging van wederzijdse belangen, eiser in het gelijk gesteld zal worden. De beroepsgrond slaagt niet.

Is de maatregel van 31 december 2024 te laat omgezet?

6. Eiser voert aan dat de eerdere vrijheidsontnemende maatregel van 31 december 2024 te laat is opgeheven en omgezet. Op 28 januari 2025 heeft eiser zijn asielberoep ingetrokken. De vrijheidsontnemende maatregel is vervolgens pas op 31 januari 2025 omgezet. Verweerder is daarmee één dag te laat.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder er ter zitting terecht op heeft gewezen dat de maatregel van 31 december 2024 in deze procedure niet ter beoordeling voorligt. Ondanks dat verweerder heeft erkend dat de maatregel niet tijdig is omgezet, volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dat een (mogelijke) onrechtmatigheid van een eerdere maatregel de opvolgende maatregel niet automatisch onrechtmatig maakt. Dit is slechts anders als sprake is van een dusdanig gebrek dat dit een ernstige schending oplevert van het aan de vreemdeling toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Eiser heeft daarvoor geen concrete onderbouwing gegeven en ook ambtshalve is dat de rechtbank niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

Is de vrijheidsontnemende maatregel om een andere reden onrechtmatig?

7. De rechtbank is ook ambtshalve niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig aan eiser is opgelegd.

Wat is de conclusie?

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.M. Kos

Griffier

  • mr. J.F.P. van Brunschot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?