RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58127
(gemachtigde: mr. E.A. Besselsen),
en
(gemachtigde: mr. A. Houben).
Procesverloop
Verzoekster heeft op 26 november 2025 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke handeling van verweerder waarbij aan haar een verblijfssticker is afgegeven met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid wel toegestaan, tewerkstellingsvergunning wel vereist’.
Zij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verweerder wordt opgedragen om aan haar een verblijfssticker met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid als zelfstandige toegestaan, arbeid in loondienst alleen toegestaan met tewerkstellingsvergunning’ af te geven.
Verweerder heeft op 3 december 2025 per brief laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist (artikel 8:81, eerste lid, van de Awb).
2. Verweerder heeft laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.
3. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe. Dat betekent dat verweerder aan verzoeker de verblijfssticker ‘Arbeid als zelfstandige toegestaan, arbeid in loondienst alleen toegestaan met tewerkstellingsvergunning’ dient af te geven hangende het bezwaar tegen de afgegeven arbeidsmarktaantekening.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.