ECLI:NL:RBDHA:2025:23344

ECLI:NL:RBDHA:2025:23344, Rechtbank Den Haag, 25-11-2025, NL24.35417

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-11-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer NL24.35417
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0011823

Samenvatting

Eisers vader was betrokken bij Gülen-beweging. Eiser ging naar Gülen-school, ondervond discriminatie, sociale isolatie, is nog actief voor beweging. Verweerder kon beleid voor Gülen-aanhangers per 1 december 2023 aanscherpen. Ook kon verweerder Gülen-aanhangers aanwijzen als risicoprofiel waardoor meer dan geringe indicaties nodig zijn voor gegronde vrees voor vervolging. Verweerder kon nieuwe beleid ook toepassen op aanvraag van eiser uit januari 2023. Uitgangspunt is dat het beleid wordt toegepast dat geldt ten tijde van nemen van besluit. Er zijn in dit geval geen bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken. Beslissen na verstrijken van beslistermijn is geen bijzondere omstandigheid. Verweerder kon eisers asielaanvraag afwijzen. Geen indicaties voor onderzoek naar eiser of dat hij wordt gezocht door autoriteiten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.35417

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. E. Arslan),

en

(gemachtigde: mr. S.M. Deniz).

1. Eiser komt uit Turkije. Hij is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Per 1 december 2023 is het Nederlandse beleid voor asielaanvragen van Gülen-aanhangers strenger geworden. Per 1 juli 2024 is het beleid voor groepen zoals Gülen-aanhangers, nog strenger geworden. De asielaanvraag van eiser is ruim voor beide beleidswijzigingen ingediend. De rechtbank oordeelt dat beide wijzigingen in het beleid niet onredelijk zijn. Ook mocht verweerder bij de beslissing op de asielaanvraag uitgaan van het nieuwe beleid. Op grond van de informatie over Turkije en de individuele situatie van eiser mocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser persoonlijk in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten.

Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Onder 2 is het verloop van deze procedure weergegeven. Vanaf 3 zijn de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en het bestreden besluit zelf beschreven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 13 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw ingediend. Hij heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [datum] 2005. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 september 2024 de aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep behandeld op zitting op 29 oktober 2024. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. A.T.M. Vroom-van Berckel deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Daarna is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van twee andere Turkse vreemdelingen tegen de beslissing op hun asielaanvragen.

Feiten en omstandigheden

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.

Eisers vader was betrokken bij de Gülen-beweging. Zijn vader werd na de couppoging in 2016 ontslagen. Eiser zelf heeft op scholen gezeten die gelieerd waren aan de Gülen-beweging. Eisers school werd in 2016 gesloten. Eiser is toen naar meerdere staatsscholen gegaan. Daar werd hij gediscrimineerd door de docenten en de leerlingen. Eisers psychische toestand is daardoor verslechterd. Hij raakte sociaal geïsoleerd. Familieleden namen afstand van eiser en zijn gezin vanwege het risico te worden beschuldigd van terrorisme als zij met eiser en zijn vader in verband zouden worden gebracht. Zijn vader is strafrechtelijk vervolgd door de Turkse autoriteiten. Hij heeft enige tijd in de gevangenis gezeten. Hij is vrijgesproken van de aanklachten en dat is in december 2023 in cassatie bevestigd.

Na de couppoging en de gevangenneming van zijn vader is eiser actiever geworden voor de Gülen-beweging. Hij is doorgegaan met deelname aan bijeenkomsten (sobhets). Ook is hij omgegaan met jongens van wie de vaders ook gevangen waren gezet. Hij heeft verder geld doen toekomen aan zijn vader toen die in detentie zat in 2017.

Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Turkije zal worden opgepakt omdat hij met de Gülen-beweging in verband kan worden gebracht. Ook is eiser in Nederland actief betrokken bij de Gülen-beweging en gaat hij naar bijeenkomsten. Eiser vreest dat de Turkse inlichtingendienst in Nederland actief is en daarom weet wie hij is.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:

1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

2. eisers betrokkenheid bij de Gülen-beweging.

Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Hij acht echter eisers vrees om opgepakt te worden of gediscrimineerd te worden niet aannemelijk. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat eiser als Gülen-aanhanger valt onder het risicoprofiel genoemd in paragraaf C7/34.3.2 van de Vc. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser staat volgens verweerder niet in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten.

Tegen eiser is ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd en hij moet Nederland binnen vier weken verlaten.

Geschilpunten partijen

5. Eiser heeft in beroep geageerd tegen twee wijzigingen in het beleid van verweerder ten aanzien van Turkije ten nadele van hem. Het betreft een wijziging per 1 december 2023 en één per 1 juli 2024. Volgens eiser zijn beide wijzigingen in strijd met het recht. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder niet tijdig heeft besloten op zijn aanvraag. Als verweerder dat wel had gedaan, waren beide beleidswijzigingen niet van toepassing geweest en had eiser internationale bescherming gekregen. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij, ook als rekening wordt gehouden met de beide beleidswijzigingen, recht heeft op internationale bescherming.

Verweerder heeft dit alles weersproken en handhaaft zijn beslissing.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank bespreekt hierna de geschilpunten van partijen. Eerst zal de rechtbank toetsen of de twee beleidswijzigingen niet onredelijk zijn. Daarna zal de rechtbank oordelen over het standpunt dat eiser internationale bescherming moet krijgen omdat verweerder eerder had moeten beslissen op zijn aanvraag. Tenslotte zal worden ingegaan op de vraag of eiser op grond van zijn individuele omstandigheden een asielvergunning had moeten krijgen.

Met het bestreden besluit heeft verweerder ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.

Is de strengere toets voor Gülen-aanhangers per 1 december 2023 niet onredelijk?

De beleidswijziging per 1 december 2023

7. De groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” in Turkije werd als risicogroep aangemerkt. Bij de beoordeling van de vrees op vervolging werd rekening gehouden met het willekeurige karakter van het optreden van de Turkse autoriteiten jegens mogelijke aanhangers van de Gülen-beweging. Dit was het gevolg van een uitspraak van de Afdeling en het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 31 oktober 2019. In de Vc was daartoe de volgende passage opgenomen:

“Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten.”

De passage leidde tot een ruimer beoordelingskader dan gebruikelijk bij risicogroepen. Ook zonder geringe indicaties werd al snel een risico op vervolging aangenomen.

Het hiervoor geciteerde beleid is per 1 december 2023 vervallen. Toegelicht is dat uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van 31 augustus 2023 (hierna: AAB 2023) blijkt dat de intensiteit van de strafrechtelijke vervolging van mogelijke Gülen-aanhangers is afgenomen en dat de rechtspraak in Turkije strenger toetst als personen verdacht worden van het aanhangen van de Gülen-beweging. Als gevolg van deze twee ontwikkelingen is de willekeur die voorheen prominent een rol speelde bij strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet in dezelfde mate aan de orde, aldus de toelichting.

Is de wijziging niet onredelijk?

8. Volgens eiser is de wijziging van het beleid per 1 december 2023 onterecht omdat deze in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag deze wijziging niet aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder bestrijdt dit.

De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daartoe het volgende.

Eiser heeft gesteld dat niet van de informatie in het AAB 2023 mag worden uitgegaan. Volgens eiser is het AAB 2023 beïnvloed door de onjuiste wijze van verkrijging daarvan, gezien de vraagstelling in de zogenoemde ‘Terms of Reference’ van 28 april 2023. Dit heeft eiser echter onvoldoende onderbouwd. Er is gevraagd om algemene en concrete informatie. De concreet gevraagde informatie betreft ook Gülenisten en rechtsbescherming van hen en anderen. Dit acht de rechtbank voldoende. De informatie in het AAB 2023 kan dus worden gebruikt voor de beoordeling van de situatie in Turkije per 1 december 2023.

Het AAB 2023 bevat weinig concrete informatie en er zijn meerdere voorbehouden in gemaakt. Zo staat er dat het lastig was om verifieerbare informatie te vinden over de situatie van (vermeende) Gülenisten in Turkije, dat de informatie over hun situatie schaars, verbrokkeld en anekdotisch van aard was, dat het onduidelijk was hoeveel arrestanten er in voorarrest verbleven of voorwaardelijk waren vrijgelaten en in hoeveel gevallen er een rechtszaak was geïnitieerd, als ook dat de bronnen de gestelde afname in intensiteit van de vervolging van Gülenisten niet nader konden onderbouwen met concrete gegevens. De informatie die echter wél concreet in het AAB 2023 staat vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de per 1 december 2023 gewijzigde tekst van het beleid en daarop gegeven toelichting te dragen. Volgens de landeninformatie komt vervolging van Gülenisten nog steeds op grote schaal voor. Het AAB 2023 vermeldt daarover dat gedurende de voorgaande twee verslagperiodes met regelmaat arrestaties op grotere of kleine schaal plaatsvonden van Gülenisten en dat deze situatie hetzelfde is gebleven. Uit de landeninformatie kan evenwel niet worden afgeleid dat de situatie voor Gülenisten dusdanig is dat – ook bij het ontbreken van geringe indicaties – vrij snel een risico op vervolging moet worden aangenomen. Dit zou in feite neerkomen op het aannemen van groepsvervolging, waarbij het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvan is alleen sprake als Gülenisten systematisch worden blootgesteld aan vervolging. De rechtbank ziet in het AAB 2023, maar ook in de door eiser ingebrachte informatie, geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake is. Daarbij is van belang dat er in Turkije volgens het AAB 2023 meer rechterlijke bescherming voor Gülen-aanhangers is dan voorheen. De verschillende criteria die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten, zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock-app, gelden volgens het AAB 2023 nog steeds, maar het gebruik daarvan is in jurisprudentie aangescherpt. Gewezen wordt op diverse uitspraken van het Turkse Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie.

De door eiser ingebrachte landeninformatie wijkt in essentie niet af van de informatie in het AAB 2023. Eiser beroept zich op een stuk van J. Vande Lanotte. Daarin staat dat de vermindering in het aantal gerechtelijke acties en detenties deels te verklaren valt door de omstandigheid dat veel mensen zijn veroordeeld of zijn gevlucht. Dit staat ook zo in het AAB 2023. Volgens Vande Lanotte zijn de kansen op vervolging niet afgenomen en gaat het nog steeds om 3000 à 4000 zaken per jaar. Dit laatste aantal acht de rechtbank, gezien de in het AAB 2023 vermelde cijfers, laag. Het bevestigt dan ook dat de intensiteit van de vervolging is afgenomen, zoals het AAB 2023 vermeldt, en niet dat de kansen op vervolging niet zijn afgenomen, zoals Vande Lanotte schrijft en eiser stelt. Volgens de Finse informatie over Turkije waarop eiser zich beroept, is nog steeds sprake van dezelfde vervolgingscriteria die eerder golden. Dit staat ook zo in het AAB 2023. Verder staat in de Finse informatie dat Turkse rechters geen uitvoering geven aan uitspraken van hogere rechters, er nog steeds sprake is van extreme willekeur voor vervolging en worden personen voor een tweede keer vervolgd, ondanks eerdere vrijspraak. Deze informatie stemt ook overeen met het AAB 2023. Daarin staat namelijk dat gezien de omvang van de Gülen-beweging in het verleden niet altijd duidelijk was hoe de Turkse autoriteiten beslisten welke Gülen-aanhangers dienden te worden opgepakt, dat het beantwoorden van de vraag welke Gülenisten het meeste risico liepen werd bemoeilijkt door meerdere omstandigheden en dat mensen, ondanks de ontwikkelingen in de rechtsgang, nog steeds relatief makkelijk konden worden verdacht van de betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Dit alles wijst erop dat Gülenisten nog steeds het doelwit zijn van arrestaties en strafrechtelijke en andersoortige vervolging door de Turkse autoriteiten als ook dat onduidelijk is op welke gronden zij dat zijn. Het doet echter niet af aan de in de vorige paragraaf vermelde verbeterde rechtsbescherming door hogere rechterlijke instanties. Het leidt er ook niet toe dat sprake is van groepsvervolging van Gülenisten.

Na de zitting is het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 (AAB 2025) gepubliceerd. Partijen hebben hier inhoudelijk op gereageerd. Het beeld in het AAB 2025 is voor wat betreft Gülenisten niet relevant gewijzigd ten opzichte van het eerdere ambtsbericht. Zo staat in het AAB 2025 dat de situatie omschreven in AAB 2023 voortduurt. De aantallen strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen van Gülenisten waren relatief laag in vergelijking met de situatie vóór 2020. Volgens Turkse overheidsgegevens over juli 2024 zette de dalende trend in aantallen arrestaties en detenties door: van 19.252 in juli 2022 naar 13.251 in juli 2024. Ook het aantal opgepakte Gülenisten nam af: van 22.458 in 2021 naar 9.639 in 2023. Anderzijds blijkt uit het AAB 2025 dat de vervolging van Gülenisten doorging. Mensen konden nog steeds relatief gemakkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Bronnen omschrijven de vervolging als extreem willekeurig en onvoorspelbaar. De criteria die werden gebruikt voor vervolging, zoals het hebben van een bankrekening bij Bank Asya of het gebruik van de ByLock-app, bleven ook van kracht. Daarbij komt dat sommige lagere rechtbanken, ondanks de aanscherpingen in de rechtspraak van het gebruik van de criteria, de uitspraken van hogere rechtbanken naast zich neerlegden. Er werd aldus niet eenduidig omgegaan met Gülenzaken. Deze onzekerheid doet echter niet af aan de afname van de vervolging van Gülenisten. Er blijkt uit deze informatie niet dat het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvoor zijn de aantallen van vervolgde Gülenisten nu te laag.

De rechtbank concludeert dat de situatie voor Gülenisten in Turkije zorgelijk is, maar niet zodanig dat verweerder méér bescherming diende te bieden dan hij met de beleidswijziging per 1 december 2023 heeft gedaan. Het risico dat zij lopen is, mede gezien de Turkse rechtsbescherming, niet zo hoog dat vrees op vervolging gegrond is of een reëel risico op ernstige schade wordt gelopen alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger. Gezien de over Turkije bekende informatie behoeft per 1 december 2023 geen verdergaande bescherming te worden geboden aan mogelijke of werkelijke Gülen-aanhangers dan uit dit beleid volgt.

De beroepsgrond slaagt niet.

Is de wijziging van risicogroep/kwetsbare minderheidsgroep naar risicoprofiel per 1 juli 2024 niet onredelijk?

De beleidswijziging per 1 juli 2024

9. Volgens het landenbeleid ten aanzien van Turkije, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit als ook heden, is de groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” aangemerkt als een risicoprofiel in de zin van paragraaf C2/2.4 van de Vc. Vóór 1 juli 2024 gold dat sprake was van een risicogroep in de zin van paragraaf C2/3.2.

De beleidswijziging geldt ten aanzien van alle gevallen waarvoor verweerder vóór 1 juli 2024 het begrip risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep hanteerde. Volgens de toelichting op de beleidswijziging konden binnen het oude groepenbeleid zowel groepen die groot als groepen die een kleiner risico liepen worden aangewezen, terwijl voor beide groepen dezelfde lagere bewijslast gold. Tevens gold de lagere bewijslast voor alle vreemdelingen die behoorden tot de betreffende groep, los van hun positie binnen deze groep, ook al kon het risico blootgesteld te worden aan vervolging/ernstige schade binnen diezelfde groep verschillen. Gewenst was om meer gewicht te geven aan de individuele beoordeling, aldus de toelichting. Naar aanleiding hiervan is paragraaf C2/2.4 van de Vc ingevoerd. Daarin staat nu dat op basis van landeninformatie een groep als risicoprofiel kan worden aangewezen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt of heeft gelopen, aldus staat in paragraaf C2/2.4. van de Vc.

Is de wijziging van het beleid per 1 juli 2024 niet onredelijk?

10. Volgens eiser is de vervanging van het begrip ‘risicogroep’ in risicoprofiel in strijd met het recht, in het bijzonder het Europese recht. Eiser doet een beroep op arresten van het Europees Hof voor de rechten van de Mens en een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Daarnaast voert eiser aan dat de beleidswijziging in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag de wijziging per 1 juli 2024 niet aan eiser worden tegengeworpen.

Verweerder heeft dit alles bestreden. Het beleidsmatige voordeel voor vreemdelingen op grond van het beleid voor 1 juli 2024 is volgens verweerder weggenomen. De bewijslastverdeling is echter niet gewijzigd, aldus verweerder.

De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daarbij het volgende.

Onder het voorheen geldende beleid voor risicogroepen kon de vreemdeling die behoorde tot een dergelijke groep met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen - die verband houden met één van de vervolgingsgronden - leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook in dat beleid bleef dus het individualiseringsvereiste van toepassing. Het behoren tot een risicogroep betekende niet zonder meer dat de aanvrager in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook in het huidige beleid leidt het behoren tot een bepaalde groep, en op grond daarvan aangemerkt worden als iemand met een bepaald risicoprofiel, niet zonder meer tot verlening van een verblijfsvergunning.

De rechtbank begrijpt het huidige beleid zó, dat eerst gekeken wordt of op de vreemdeling een bepaald risicoprofiel van toepassing is, waarna vervolgens de individuele omstandigheden worden beoordeeld tegen het licht van dat risicoprofiel. In beide gevallen speelt het individualiseringsvereiste dus een doorslaggevende rol. Wat betreft de stelling van eiser dat de bewijslast met het nieuwe beleid zwaarder is geworden, overweegt de rechtbank dat de op eiser rustende bewijslast niet volgt uit het beleid maar uit het Unierecht. Die bewijslast is niet aangepast met het nieuwe beleid. Wel is het zo dat in het beleid dat ten tijde van de aanvraag van eiser gold, gevergd werd dat geringe indicaties aannemelijk werden gemaakt die de vrees voor vervolging rechtvaardigde. Het beleid vergt thans meer dan geringe indicaties. Dit betekent dat vanuit beleidsmatig oogpunt een zwaardere bewijslast geldt. Maar de vreemdeling moet nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk maken dat - ook al behoort hij tot een door verweerder aangemerkte risicoprofiel - een gegronde vrees heeft voor vervolging.

Het standpunt van eiser dat de beleidswijziging specifiek ten aanzien van Turkije onredelijk is, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Eiser dient meer dan geringe indicaties aan te voeren om aannemelijk te maken dat hij terecht vreest voor vervolging of bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De landeninformatie wijst er niet op zich al op dat los van de individuele omstandigheden hieraan wordt voldaan. De landeninformatie over Turkije biedt immers geen aanleiding om te oordelen dat eisers vrees voor vervolging terecht is of dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger (zie 8.3 tot en met 8.5 hiervoor).

De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft eiser recht op internationale bescherming omdat verweerder eerder had moeten beslissen?

11. Volgens eiser zou, als verweerder tijdig zou hebben besloten op zijn aanvraag, beide beleidswijzigingen niet van toepassing zijn geweest en zou hij een positieve beslissing hebben gekregen. Daarom mogen de beide beleidswijzigingen hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser. Verweerder heeft dit bestreden.

Eiser gaat ervan uit dat verweerder op zijn aanvraag had moeten besluiten vóór 1 december 2023. Los van de vraag of dat klopt, volgt de rechtbank eisers standpunt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht mogelijk in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat de aanvraag door drukte is blijven liggen. Ook het feit dat verweerder laat, en pas na een beleidswijziging, op de aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit geldt immers voor meer vreemdelingen bij wie pas (ruim) na het verstrijken van de beslistermijn een besluit is genomen op hun aanvraag.

Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat verweerder zijn aanvraag had moeten toetsen zonder toepassing van de twee beleidswijzigingen. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft eiser op grond van zijn individuele omstandigheden recht op internationale bescherming?

12. Eiser stelt dat hij – uitgaande van het door verweerder toegepaste beoordelingskader – gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Hij wijst in dat kader op zijn persoonlijke situatie, het feit dat hij onder een risicoprofiel valt en de landeninformatie over Turkije.

De rechtbank begrijpt, mede gelet op het ter zitting gestelde, dat verweerder stelt dat er bij terugkeer weliswaar een kans is op vervolging of enig risico bestaat op ernstige schade, maar dat die kans of dat risico niet zo hoog is dat aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Turkije zal worden vervolgd of aan ernstige schade blootgesteld zal worden.

De rechtbank volgt verweerder. Niet aannemelijk is dat eiser opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten of de reële kans loopt om opnieuw daarin te komen staan vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De algemene informatie over Turkije en de daaruit blijkende situatie voor Gülenisten is onvoldoende ernstig om aan te nemen dat eiser door zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging alleen al in de persoonlijke problemen zal geraken. Ter toelichting dient het volgende.

Eiser valt onder een risicoprofiel. Dit betekent dat, zoals hiervoor overwogen, de bewijslast in beginsel geheel blijft rusten op eiser.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er geen indicaties zijn dat er een onderzoek loopt naar eiser of dat hij wordt gezocht door de Turkse autoriteiten. Dat hij op Gülenscholen heeft gezeten, is onvoldoende. Uit landeninformatie blijkt dat sommigen hierdoor in de problemen zijn geraakt, maar niet dat iedereen wordt vervolgd of een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft hierbij terecht tegengeworpen dat eisers oudere broer, die ook op Gülen-scholen heeft gezeten en wiens naam ook stond vermeld op de tenlastelegging van eisers vader, geen problemen heeft ondervonden met de Turkse overheid. Dat eiser naar eigen zeggen actiever was voor de beweging dan zijn broer, maakt dit niet anders. Niet gebleken is verder dat de Turkse overheid op de hoogte is of moet zijn van eisers actieve deelname aan sobhets.

Dat eisers vader strafrechtelijk is vervolgd en enige tijd in de gevangenis heeft gezeten, betekent niet dat eiser gegronde vrees heeft voor of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege de Turkse autoriteiten. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat dit volgens landeninformatie wel geldt voor familieleden van hooggeplaatste Gülenisten, terwijl eisers vader dat niet is. Uit die landeninformatie blijkt ook dat eiser als familielid van een vermeende Gülenist in het maatschappelijk verkeer en de arbeidsmarkt problemen kan ondervinden. Dit stemt overeen met de verklaringen van eiser zelf over zijn sociale problemen. Het is echter onvoldoende om vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Daarbij is relevant dat, zoals verweerder terecht heeft gesteld, eiser wel toegang had tot onderwijs en zorg.

Dat eiser geld heeft overgemaakt aan zijn vader toen hij in detentie zat, is ook niet genoeg. Weliswaar staat in het AAB 2025 dat onder andere burgers die gevangengezette familieleden, vrienden en collega’s en/of hun familieleden hielpen, in de negatieve belangstelling stonden van de Turkse overheid. De Turkse autoriteiten verdachten personen die gevangengezette Gülenisten en/of hun families ondersteunden van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. Echter, het is al een aantal jaren geleden dat dit is gebeurd en niet gebleken is dat de Turkse autoriteiten hiervan op de hoogte zijn.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op een asielvergunning. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. S.R.N. Parlevliet, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?