RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55784
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Slimane. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Beslissing
De bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank het standpunt van verweerder dat er sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht dragen.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat er onvoldoende zicht is op de uitzetting binnen een redelijke termijn. Dat wordt mede veroorzaakt doordat in zijn geval onderliggende documenten ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit ontbreken. Dit betekent volgens eiser in de praktijk dat de Marokkaanse autoriteiten pas na een zeer lange periode, of zelfs helemaal niet een laissez-passer (lp) afgeven. Er was wel een periode waarin de Marokkaanse autoriteiten voortvarend lp's afgaven, maar dit proces is inmiddels gestagneerd. Voor zover verweerder betoogt dat er ook in 2025 veel lp's worden afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten, stelt eiser dat deze cijfers betrekking hebben op de periode vóór de zomer en dat de stagnatie sindsdien plaatsvindt.
4. De rechtbank is van oordeel dat in geval van eiser sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033, en 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder ter zitting cijfers van de Dienst Terugkeer & Vertrek heeft medegedeeld, waaruit blijkt dat er in 2025 voor Marokko 137 lp-aanvragen zijn gedaan, 100 gevallen zijn geweest waarin de nationaliteit is bevestigd en 93 lp’s zijn verstrekt. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn naar Marokko in de tweede helft van 2025 wel is komen te ontbreken. Voor de vraag of zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn in het geval van eiser bestaat, is ook van belang of eiser zijn volledige en actieve medewerking verleent aan het onderzoek ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, en aan zijn uitzetting. Van eiser mag worden verwacht dat hij zelf in het kader van de op hem rustende meewerkverplichting alles in het werk stelt om terugkeer naar zijn land van herkomst mogelijk te maken. Eiser heeft dat niet gedaan. Zo blijkt uit het vertrekgesprek van 14 november 2025 dat weigert eiser om mee te werken aan het afnemen van zijn vingerafdrukken, terwijl dit zou kunnen helpen bij het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Dat eisers lp-aanvraag en bewaring mede als gevolg van zijn niet-meewerkende houding langer voortduren, komt voor zijn eigen rekening en risico. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in ieder geval geen sprake is van een gebrek aan zicht op uitzetting in eisers specifieke geval. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Daartoe stelt eiser dat hij kampt met medische klachten en dat de vreemdelingendetentie hem zwaar valt.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in de maatregel terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Ook op dit moment bestaat er geen reden voor een lichter middel. Verweerder heeft kunnen verwijzen naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De rechtbank hecht hierbij met name belang aan de omstandigheid dat eiser niet heeft voldaan aan zijn verplichting om mee te werken aan zijn terugkeer naar Marokko en aan de omstandigheid dat eiser in het vertrekgesprek van 14 november 2025 heeft aangegeven dat hij niet naar Marokko terug zal keren maar naar Spanje zal gaan. Verweerder heeft verder terecht geen reden gezien om de bewaring onevenredig bezwarend te achten. Wat betreft de medische problemen van eiser heeft verweerder er terecht op gewezen dat er voor eiser medische zorg aanwezig is in het detentiecentrum. Deze medische voorzieningen moeten vergelijkbaar worden verondersteld met de medische zorg in de vrije maatschappij. De stelling dat de vreemdelingendetentie eiser zwaar valt, noopt dus niet tot een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.