ECLI:NL:RBDHA:2025:23346

ECLI:NL:RBDHA:2025:23346, Rechtbank Den Haag, 02-12-2025, NL25.56772

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer NL25.56772
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011825

Samenvatting

Bewaring, bewaringsgrondslag, artikel 59b, eerste lid, Gronden niet betwist, lichter middel, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

uitspraak

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.56772

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 21 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Panasjan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ambtshalve toetsing

Toetsingskader

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

De bewaringsgrondslag

2. Eiser betoogt dat hij ten onrechte op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw in bewaring is gesteld. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser ondubbelzinnig aangegeven geen asiel te willen aanvragen omdat hij dit zinloos acht. Volgens eiser kan verweerder hem niet op deze grond in bewaring stellen enkel omdat verweerder meer tijd nodig heeft om het non-refoulementrisico te toetsen in het kader van het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. Voor dat doel is deze bewaringsgrond niet bedoeld, aldus eiser. Een dergelijke beoordeling had volgens eiser moeten plaatsvinden tijdens het gehoor dat voorafging aan het opleggen van de maatregel. Eiser voert verder aan dat het gehoor een onjuiste insteek heeft gehad omdat een inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw een andere afweging vergt dan een inbewaringstelling op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Omdat het gehoor is aangevangen met artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in het achterhoofd, heeft verweerder volgens eiser in ieder geval niet de juiste afweging kunnen maken voor een asielbewaring. Hoewel de gronden die het risico van onttrekking moeten aantonen overeenkomen, verschilt de afweging van een inbewaringstelling op grond van artikel 59b van die op grond van artikle 59 daarvan afhankelijk van de wettelijke grondslag van de maatregel, zo stelt eiser.

3. Hoewel eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling inderdaad heeft gezegd dat hij geen asiel aan wil vragen omdat hij denkt dat zijn asielaanvraag hoe dan ook zal worden afgewezen, heeft hij tijdens dat gehoor óók, en zelfs bij herhaling, verklaard dat hij niet kan terugkeren naar Georgië omdat er mensen zijn die hem daar willen vermoorden en stelt hij verder dat hij bang is voor de Georgische politie, dat deze hem hebben bedreigd, en dat de politie in Georgië hem wil vermoorden. Gelet op deze herhaalde uitlatingen van eiser, waaruit een duidelijke asielgerelateerde vrees bij terugkeer naar Georgië blijkt, acht de rechtbank het zorgvuldig en niet onjuist, en bovendien ook niet in eisers nadeel, dat verweerder ervoor heeft gekozen om niet direct in te zetten op uitzetting van eiser naar Georgië maar om eerst eisers uitlatingen te interpreteren als een asielaanvraag. Deze aanpak getuigt dan ook van de zorgvuldigheid die van verweerder verlangd mag worden bij het interpreteren van een eventuele asielwens tijdens het gehoor. Een asielaanvraag is immers vormvrij en uitlatingen zoals de hiervoor geciteerde uitlatingen van eiser tijdens het gehoor dienen te worden geïnterpreteerd als een asielwens (zie in dit verband de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:159, overweging 3.2 en van 4 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7118, overwegingen 2.4.4 tot en met 2.4.6). Gelet op het feit dat eiser uitlatingen heeft gedaan waaruit zowel een vrees voor terugkeer naar Georgië blijkt als de wens een asielaanvraag te doen mits hij die aanvraag in vrijheid af zou mogen afwachten, is het zorgvuldig geweest dat verweerder eiser in eerste instantie op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring heeft gesteld. De stelling van eiser dat verweerder enkel meer tijd wenste om een toets als bedoeld in het Adrar-arrest, volgt de rechtbank niet. Uit de toelichting van verweerder ter zitting blijkt voldoende dat de grondslag van de onderhavige maatregel van bewaring is gekozen omdat voor verweerder niet ondubbelzinnig vaststond dat eiser geen asiel wilde aanvragen tijdens zijn detentie, en verweerder eiser die mogelijkheid uit voorzorg heeft willen bieden door diens uitlatingen tijdens het gehoor als een asielwens op te vatten. Anders dan eiser betoogt, is niet gebleken dat verweerders besluit om artikel 59b, eerste lid, van de Vw als grondslag te hanteren verband hield met het effectief verlengen van de periode waarin het non-refoulementbeginsel getoetst kon worden.

4. Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat de afwegingen van verweerder ten aanzien van de zware en lichte gronden waaruit een risico op onttrekking moet blijken niet juist is geweest omdat deze afweging plaatsvond in het kader van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het gehoor voorafgaand aan een inbewaringstelling heeft juist de functie om verweerder zorgvuldig te laten beoordelen of een maatregel van bewaring noodzakelijk is, en wat de juiste grondslag van een eventuele maatregel zou moeten zijn gelet op de omstandigheden van de vreemdeling. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de zware en lichte gronden die aan de bewaringsmaatregel ten grondslag zijn gelegd niet anders zouden zijn geweest als wel toepassing was gegeven aan artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, en ook niet anders beoordeeld dienen te worden.

5. Gelet op het voorgaande ligt in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geen grond besloten voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op een onjuiste wettelijke grondslag is gebaseerd. De beroepsgrond slaagt niet.

De bewaringsgronden

6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

7. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, niet heeft betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen de maatregel van bewaring dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011).

Lichter middel

8. Eiser voert aan dat verweerder voorafgaand aan de opheffing van de bewaring had moeten volstaan met een lichter middel. Hij betoogt dat onduidelijk is waarom hij na zijn staandehouding en ophouding op 8 november 2025 is heengezonden zonder in bewaring te worden gesteld, terwijl verweerder op 19 november 2025 alsnog heeft besloten de maatregel op te leggen. Volgens eiser is in de periode tussen 8 en 19 november niets voorgevallen dat aanleiding gaf verweerders eerdere oordeel (om op 8 november 2025 geen bewaring toe te passen) te veranderen.

9. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309)

en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dat verweerder op 8 november 2025 geen aanleiding heeft gezien om eiser in bewaring te stellen doet niet af aan de juistheid van de aanknopingspunten die verweerder in de maatregel naar voren heeft gebracht om eiser op 19 november 2025 wel in bewaring te stellen en geen toepassing te geven aan een lichter middel. In de maatregel heeft verweerder terecht overwogen dat het onwaarschijnlijk is dat eiser zich beschikbaar zou houden voor zijn asielprocedure, gelet op de omstandigheid dat eiser eerder niet voor zijn nader gehoor is verschenen, heeft aangegeven dat hij via Brussel wil vertrekken naar Turkije of Servië, en op 8 november 2025 heeft geprobeerd Nederland te verlaten en de Duitse grens over te steken wetende dat dit niet was toegestaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

11. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

12. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie-en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

02 december 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T. Boesman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?