RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56206
(gemachtigde: mr. A.B.G.T. von Bóné),
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 11 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft daarbij verzocht om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat zijn ophouding onrechtmatig is geweest omdat deze heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, terwijl zijn identiteit bekend moet zijn geweest nadat hij strafrechtelijk is heengezonden en verweerder de gegevens die bij zijn strafrechtelijke aanhouding zijn vastgesteld als uitgangspunt heeft genomen. Volgens de redenering van de uitspraak die verweerder aanhaalt, te weten de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 augustus 2025, ECLI:RVS:2025:3668, is het ook de bedoeling dat verweerder de persoonsgegevens die blijken uit een strafrechtelijk voortraject als uitgangspunt nemen. De identiteit van eiser stond dus al vanaf het begin vast en een ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw was dan ook een onnodige en onrechtmatige vorm van vrijheidsontneming, zo stelt eiser.
2. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. In de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2025 sluit de Afdeling aan bij haar eerdere uitspraak van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134. Daarin is overwogen dat bij de ophouding van een vreemdeling de tijdens de strafrechtelijke aanhouding verkregen identiteitsgegevens als uitgangspunt mogen worden genomen. Dit betekent echter niet dat die identiteit in het verdere verloop van de procedure als onomstotelijk vaststaand moet worden beschouwd. Tijdens de ophouding beschikte eiser niet over enig identiteitsdocument, zodat verweerder de bevoegdheid had om eiser met toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw op te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.