ECLI:NL:RBDHA:2025:23350

ECLI:NL:RBDHA:2025:23350, Rechtbank Den Haag, 26-11-2025, NL25.55589

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer NL25.55589
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Vervolgberoep, Bewaring, Zicht op uitzetting, Lichter middel, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.55589

(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 25 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 oktober 2025 (in de zaak NL25.48117) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

Zicht op uitzetting

3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn voor hem bestaat, nu er na bijna drie maanden geen reactie is gekomen van de Malinese autoriteiten op de aanvraag voor een laissez-passer (lp). Een presentatie aan het Malinees consulaat om zijn terugkeer te bevorderen kan volgens eiser ook niet plaatsvinden, omdat hij van mening is dat terugkeer naar Mali voor hem niet mogelijk is in verband met het reëel gevaar dat hij daarbij zou lopen.

4. De rechtbank oordeelt dat er geen aanknopingspunten bestaan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Mali in zijn algemeenheid ontbreekt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval geen sprake is van zicht op uitzetting. Dat er tot op heden geen (positieve) reactie van de Malinese autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen betekent, mede gelet op de relatief korte duur van de bewaring, niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Met een lp-traject bij de Malinese autoriteiten is in het algemeen de nodige tijd (meerdere maanden) gemoeid, zeker als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen enkel document over zijn identiteit en nationaliteit overlegt. Eiser weigert medewerking te verlenen aan de presentatie en is op de op 5 november 2025 geplande presentatie om die reden ook niet gepresenteerd. Wat eiser in dat verband aanvoert, namelijk dat hij geen deel kan nemen aan presentaties omdat terugkeer voor hem onmogelijk is, overtuigt niet. Bij uitspraak van 28 oktober 2025 van Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2025:19756, is eisers beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn asielaanvraag ongegrond verklaard. Eiser heeft, nu en in de te toetsen periode, een vertrekplicht, waarbij van hem mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan het bewerkstelligen van zijn terugkeer. Door onder andere niet deel te nemen aan presentaties heeft eiser aan deze plicht niet voldaan, en komt een eventuele langere periode van bewaring dan ook voor eisers eigen rekening en risico. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

5. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Hiertoe voert eiser aan dat het verblijf in detentie een aanzienlijke negatieve invloed heeft op zijn psychische gesteldheid, zoals blijkt uit het proces-verbaal bij de maatregel van bewaring en het medisch dossier. Daarnaast kampt eiser met mentale klachten als gevolg van eerdere trauma’s, maar ook met fysieke gezondheidsklachten door Hepatitis B en botpijn, deels veroorzaakt door eerdere dakloosheid.

6. Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 9 september 2025 (in de zaak NL25.40599), overwegingen 3.2 en 3.3. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser inmiddels wel detentieongeschikt moet worden geacht of dat de beschikbare zorg in detentie voor hem ontoereikend zou zijn. De enkele (nieuwe) omstandigheid van het tijdsverloop sinds het sluiten van het vorige onderzoek leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.

8. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T. Boesman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?