ECLI:NL:RBDHA:2025:23351

ECLI:NL:RBDHA:2025:23351, Rechtbank Den Haag, 26-11-2025, NL25.55849

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer NL25.55849
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Vervolgberoep, Bewaring, Zicht op uitzetting, Voortvarend handelen, Lichter middel, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.55849

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),

en

Procesverloop

Verweerder heeft op 18 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 september 2025 (in de zaak NL25.41911) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

Zicht op uitzetting

3. Eiser betoogt dat er geen zicht is op een uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Hij voert aan dat hij inmiddels al meer dan vier maanden in vreemdelingenbewaring verblijft, terwijl de Algerijnse autoriteiten tot op heden geen laissez-passer (lp) voor hem hebben afgegeven. Bovendien is er geen concrete datum bekend waarop eiser aan de Algerijnse autoriteiten kan worden gepresenteerd. Eiser wijst er verder op dat hij geen identificerende documenten bezit, wat volgens hem betekent dat de Algerijnse autoriteiten hem geen lp zullen verstrekken. Daarnaast beroept eiser zich op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 april 2021, waarin werd geoordeeld dat de verweerder moet beschikken over concrete aanknopingspunten die de verwachting rechtvaardigen dat er een reële mogelijkheid is dat eiser binnen een redelijk termijn naar Algerije kan worden uitgezet. In dit kader verzoekt eiser verweerder om inzicht te verschaffen in het aantal lp’s dat door de Algerijnse autoriteiten sinds het begin van 2025 is afgegeven. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen gedwongen en vrijwillige terugkeer, evenals tussen gedocumenteerde en ongedocumenteerde Algerijnse onderdanen.

4. De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. De rechtbank verwijst in dit verband, net als in de eerdere uitspraak van 9 september 2025, naar de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722). Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waardoor zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid nu wel zou ontbreken. Het enkele tijdverloop sinds de sluiting van het vorige onderzoek is daarvoor onvoldoende. De rechtbank ziet, gelet op de redelijk recente uitspraak van de Afdeling, nog geen aanleiding om verweerder de cijfers van 2025 te laten overleggen. Als het gaat om eisers specifieke geval, overweegt de rechtbank dat de lp-aanvraag van 18 juli 2025 nog altijd in behandeling is bij de Algerijnse autoriteiten. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten gegeven die tot de conclusie leiden dat voor hem niet binnen een redelijke termijn een lp zal worden afgegeven. Dat er voor eiser (nog) geen presentatie staat gepland, is daarvoor onvoldoende. Daarbij wordt opgemerkt dat met een lp-traject bij de Algerijnse autoriteiten in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid gaat, zeker als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen enkel document over zijn identiteit en nationaliteit overlegt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en het lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat in de te beoordelen periode voldoende heeft gedaan. Zo blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 11 september 2025 dat eiser heeft verklaard niet naar Algerije terug te willen keren en geen stappen te hebben ondernomen om zijn terugkeer te bespoedigen. Verder blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 8 oktober 2025 dat eiser weigert om in gesprek te gaan met de regievoerder. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

5. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Verweerder heeft sinds het sluiten van het vorige onderzoek slechts vier keer gerappelleerd, laatstelijk op 6 november 2025 en twee vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Bovendien meent eiser dat verweerder onvoldoende inspanningen heeft verricht om, naast het schriftelijke rappelleren, het dossier van eiser nog extra onder de aandacht te brengen van de Algerijnse autoriteiten.

6. Uit de voortgangsrapportage van 10 november 2025 blijkt dat verweerder in de te toetsen periode vier keer schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten over de openstaande lp-aanvraag. Ook blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder op 11 september 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Dat eiser op 9 oktober 2025 en 6 november 2025 heeft geweigerd om in gesprek te gaan met de regievoerder van de Dienst Terugkeer & Vertrek, komt voor zijn eigen rekening en risico. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder dan ook voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage dat, anders dan eiser stelt, verweerder op 16 september 2025 de lp-aanvraag extra onder de aandacht heeft gebracht bij de Algerijnse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

7. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is overgegaan tot een minder ingrijpend middel, zoals een meldplicht of borgtocht. Daartoe voert eiser aan dat vreemdelingenbewaring een ultimum remedium is, en dat verweerder daarom een belangenafweging had moeten maken.

8. Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 9 september 2025 (in de zaak NL25.41911), overweging 8. In de algemene stelling van eiser in deze procedure ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toetsing

9. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van

Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.

10. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T. Boesman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?