RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52783
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
(gemachtigde: mr. J.W.S. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De zaak is op 10 november 2025 ter zitting aan de orde gesteld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Tunesische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1988.
Ontbrekende informatie
2. Eiser voert allereerst aan dat het dossier niet compleet is, wat in strijd is met het Procesreglement. Eiser kan zich hierdoor in strijd met artikel 6 van het EVRM niet adequaat verdedigen.
Ter zitting is aan eiser voorgehouden dat de stukken met betrekking tot de oplegging van de maatregel zich in het dossier bevinden en dat eiser kennelijk doelt op stukken die zien op zijn asielprocedure. Eiser heeft daarop toegelicht dat deze stukken relevant zijn, omdat hij niets begrijpt van de Dublinverordening. Dit maakt echter naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder niet alle stukken zou hebben ingediend die zien op de oplegging en voortduring van de maatregel van bewaring. Eiser heeft, nog los van het feit dat verweerder op 9 november 2025 nog stukken die zien op de asielprocedure heeft toegevoegd, ook niet onderbouwd waarom de asielstukken van belang zouden zijn voor de beoordeling van zijn beroep tegen de maatregel van bewaring. Voor zover eiser inzage wil in de stukken uit het asieldossier, of de asielprocedure niet begrijpt, kan hij zich wenden tot zijn asieladvocaat voor inzage of toelichting.
De beroepsgrond slaagt niet.
3. Eiser voert verder aan dat het proces-verbaal van aanhouding ontbreekt in het dossier. Deze informatie is relevant, omdat hieruit kan worden afgeleid in hoeverre sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding en aanhouding. De vordering van het identiteitsbewijs van eiser is onrechtmatig en er blijkt niet van feiten en omstandigheden die naar objectieve maatstaven een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleverden.
De rechtbank volgt eiser niet in deze beroepsgrond. Uit het model M105-A Proces-verbaal van ophouding en onderzoek als bedoeld in artikel 50 dan wel artikel 50a van de Vw (hierna: de M105), ondertekend op 30 oktober 2025, blijkt dat eiser na strafrechtelijke heenzending is overgenomen en opgehouden. Hiermee is afdoende toegelicht dat eiser eerder op strafrechtelijke grond is staandegehouden.
De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser voert verder aan dat er geen overdrachtsbesluit in het dossier zit en dat verweerder door een technische storing eisers reisbewegingen niet kon verifiëren of tegenwerpen, noch ten grondslag kon leggen aan de maatregel van bewaring, zodat ook dit het dossier incompleet maakt.
In artikel 59a, eerste lid, van de Vw is bepaald dat vreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring kunnen worden gesteld met inachtneming van artikel 28 van de Dublinverordening. Daarmee bevat deze bepaling een wettelijke grondslag voor bewaring van vreemdelingen van wie onmiddellijk of pas later duidelijk is dat de Dublinverordening op hen van toepassing is. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 mei 2019. Eiser heeft op 28 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend. Op het moment van de inbewaringstelling bestond een concreet aanknopingspunt dat de Dublinverordening van toepassing is. Een overdrachtsbesluit is in deze fase van de asielprocedure daarom niet nodig.
De beroepsgrond slaagt niet.
Gebreken voortraject
5. Eiser voert verder aan dat aan de ophouding gebreken kleven. Aan de ophouding is een onjuiste grond ten grondslag gelegd. Ook heeft de ophouding te lang geduurd. Eiser voert ook aan dat ten onrechte geen transportformulier is opgesteld met bijzonderheden voor de overdracht aan het detentiecentrum (DTC) in Rotterdam. Dat had wel gemoeten, omdat eiser bij het gehoor heeft gemeld dat hij een angststoornis heeft. Deze medische situatie is dus niet aan het DTC doorgegeven. Volgens eiser is hiermee sprake van een samenstel van gebreken in het voortraject. De te maken belangenafweging moet in het voordeel van eiser uitvallen.
De rechtbank stelt vast dat uit de M105 blijkt dat de ophouding is begonnen op 28 oktober 2025, 14.22 uur en is geëindigd op 28 oktober 2025, 20.51 uur. Daarmee heeft de ophouding 29 minuten te lang geduurd. Dit deel van de beroepsgrond slaagt.
Eisers stelling dat een onjuiste grond ten grondslag is gelegd aan de ophouding volgt de rechtbank niet. Zoals volgt uit de M105 is de ophouding geschied op grond van artikel 50, derde lid Vw, omdat de identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld maar niet, of niet onmiddellijk bleek dat eiser rechtmatig verblijf had. In het geval van eiser bleek op het moment van de ophouding dus niet dat eiser rechtmatig verblijf had, en was ophouding op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw dus niet mogelijk. Dat eiser daarna, door het indienen van een asielaanvraag alsnog rechtmatig verblijf heeft gekregen, maakt dat niet anders. Dit deel van de beroepsgrond slaagt dus niet. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder geen formulier voor overdracht behoefde op te maken ten aanzien van eisers gezondheidssituatie. Eiser heeft ook niet onderbouwd op welke wijze hij hierdoor zou zijn geschaad in zijn belangen. Gelet hierop is geen sprake van een samenstel van gebreken, waardoor een verzwaarde belangenafweging zou moeten worden gemaakt.
Het in rechtsoverweging 5.1 geconstateerde gebrek leidt niet zonder meer tot het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 18 november 2022, waaruit blijkt dat er in een geval als dit ruimte is voor een belangenafweging. Deze valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. De rechtbank wijst in dat verband op wat hierna wordt overwogen. Daarbij is verder van belang dat eiser niet concreet heeft toegelicht op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad en - zoals hierna wordt overwogen - voldoende gronden aanwezig zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
Onjuiste grondslag maatregel
6. Eiser voert verder aan dat ten onrechte artikel 59a, eerste lid, van de Vw aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Eisers overdracht is al eens gerealiseerd en niet blijkt op basis waarvan het daarmee geëindigde rechtmatig verblijf in Nederland zou kunnen herleven.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft op 28 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hiermee heeft eiser rechtmatig verblijf gekregen op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw. Afgezien daarvan is de rechtbank van oordeel dat niet rechtmatig verblijf een voorwaarde is voor de oplegging van de maatregel op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw, maar het bestaan van een concreet aanknopingspunt dat de Dublinverordening van toepassing is. Daarvan is in dit geval sprake, wat eiser ook niet heeft betwist. Daarmee is de maatregel op de juiste grondslag gebaseerd.
De beroepsgrond slaagt niet.
Significant risico op onttrekken toezicht
7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist dat verweerder de zware grond onder 3a kon tegenwerpen. Eiser stelt dat hij vlak voor zijn inbewaringstelling Nederland was ingereisd met geldige reisdocumenten. Bovendien is de grond feitelijk onjuist gemotiveerd, omdat alleen eisers inreis vanuit Oostenrijk relevant zou zijn, maar deze reis geschiedde niet via mensensmokkelaars. Verder voert eiser aan dat verweerder de zware grond onder 3b in redelijkheid niet aan hem kan tegenwerpen, omdat hij pas enkele dagen in Nederland was. Dit tezamen genomen maakt ook dat de lichte grond onder 4a niet aan eiser kon worden tegengeworpen. Ten aanzien van de lichte grond onder 4c voert eiser aan dat hij wel degelijk een verblijfadres heeft, namelijk bij een vriend in Rijswijk. Verder had eiser voldoende middelen van bestaan bij die vriend liggen, zodat ook de lichte grond onder 4d niet aan hem kon worden tegengeworpen.
De rechtbank is van oordeel dat de zware grond onder 3b en de lichte gronden onder 4a, 4c en 4d in ieder geval ten grondslag konden worden gelegd aan de conclusie dat ten aanzien van eiser een significant risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen melding heeft gemaakt bij de Korpschef van zijn verblijf in Nederland, terwijl dit wel had gemoeten. Eisers enkele verklaring dat hij nog maar een paar dagen in Nederland verbleef, is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder deze grond niet aan eiser kon tegenwerpen. Verder volgt uit eisers verklaring dat hij bij een vriend in Nederland verblijft niet dat hij op een adres in de basisregistratie personen van een gemeente is ingeschreven, of anderszins over een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland beschikt. Dat eiser geld bij een vriend heeft liggen, maakt verder niet dat eiser heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor de duur van zijn beoogde verblijf.
De beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiser voert verder aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van eiser sprake is van een significant risico op onttrekking. Eiser was steeds beschikbaar voor gesprekken en de overdracht en heeft ook direct zijn identiteitsbewijs afgegeven en zijn paspoort laten brengen. Eiser wil meewerken aan zijn overdracht aan Oostenrijk. Omdat hij dacht dat hij in Spanje rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsaanvraag, heeft hij verzocht naar Spanje te mogen vertrekken. Ter zitting heeft eiser deze beroepsgrond aangevuld en gewezen op door hem overgelegde informatie. Hieruit blijkt dat de aanvraag om rechtmatig verblijf daadwerkelijk is ingediend in Spanje op 5 november 2025. Eiser dacht dat dit al op 15 september 2025 was gedaan en hij rechtmatig verblijf had in Spanje als familielid van een onderdaan van de Europese Unie en heeft daarom verklaard dat hij dat hij naar Spanje wilde.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van de hiervoor genoemde van toepassing zijnde zware grond 3b en lichte gronden 4a, 4c en 4d zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten aanzien van eiser een significant risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het feit dat eiser beschikbaar was voor gesprekken over de overdracht, (mede) is gelegen in het feit dat eiser in bewaring is gesteld.
Dat eiser in Spanje een aanvraag heeft ingediend voor rechtmatig verblijf, maakt niet dat hij in Nederland rechtmatig verblijf heeft als familielid van een onderdaan van de Europese Unie. Evenmin heeft eiser hiermee aangetoond dat hij op grond van deze aanvraag rechtmatig verblijf heeft in Spanje, waardoor verweerder een vertrek naar dat land zou moeten toestaan. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het enkele indienen van een aanvraag voor rechtmatig verblijf in Spanje niet maakt dat in Nederland niet geconcludeerd kan worden dat ten aanzien van eiser een significant risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
9. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten afzien van de oplegging van de maatregel, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser is een kwetsbare man met angstklachten. Niet blijkt in hoeverre ten tijde van de inbewaringstelling door verweerder deugdelijk is getoetst op zaken als refoulement en eisers angst voor gesloten ruimten, noch op enig moment daarna. Er is in ieder geval niet duidelijk welk lichter middel zou zijn overwogen.
In de maatregel van bewaring van 28 oktober 2025 is, samengevat weergegeven, vermeld dat een lichter middel dan inbewaringstelling is overwogen, maar niet geschikt is geacht in relatie tot het uiteindelijke doel, te weten overdracht aan de voor de asielaanvraag verantwoordelijke lidstaat. Dat hierbij niet is gespecificeerd welk lichter middel is overwogen, betekent niet dat in het geheel niet is overwogen of met een ander middel dan oplegging van de maatregel van bewaring kon worden volstaan.
Verder is in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Spanje en het dus niet mogelijk is eiser naar Spanje te laten vertrekken. Ook is betrokken dat eiser eerder is overgedragen aan Oostenrijk op 20 januari 2023 en eiser daarmee de mogelijkheid had zijn asielprocedure in dat land af te wachten, maar hij dat niet heeft gedaan en Oostenrijk heeft verlaten. Ook is verwezen naar de zware grond en lichte gronden, waaruit volgt dat het significante risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat niet met een ander middel dan de oplegging van de maatregel van bewaring kon worden volstaan.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit niet maakt dat eiser heeft aangetoond dat hij detentieongeschikt is. De enkele, niet onderbouwde, stelling dat eiser last heeft van claustrofobie heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden, waarbij verweerder terecht verwijst naar de omstandigheid dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra hier rekening mee kan houden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de zorgverlening in het DTC voor hem niet adequaat is.
De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op overdracht
10. Eiser voert aan dat er geen concreet zicht is op overdracht aan Oostenrijk, omdat over de uitvoerbaarheid van een overdracht nog niets bekend is, althans is niet bekend in hoeverre Oostenrijk eiser nog terugneemt in het licht van de geldende termijnen en het feit dat eiser reeds eerder was overgedragen. Er was ten tijde van het opleggen van de maatregel dan ook nog geen begin gemaakt met feitelijke overdracht, terwijl bewaring ter uitvoering van de Dublinverordening alleen is toegestaan als een actieve terug- of overnameprocedure loopt waardoor redelijk vooruitzicht bestaat op overdracht. Over de uitvoerbaarheid is op dit moment nog niets bekend, omdat niet bekend is of Oostenrijk eiser terugneemt.
Eiser voert verder aan dat verweerder pas op 30 oktober 2025 via Dublinet over zijn zaak heeft gecorrespondeerd. Het is niet duidelijk of verweerder enig gesprek met eiser heeft gevoerd over zijn overdracht, anders dan in het aanmeldgehoor.
De rechtbank is van oordeel dat daadwerkelijke overdracht aan Oostenrijk op dit moment niet aan de orde is, omdat eisers asielprocedure in Nederland nog niet is afgerond. Uit de gang van zaken blijkt ook niet dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt in de asielprocedure, waardoor de bewaring niet zo kort mogelijk zou voortduren. Verweerder heeft op 30 oktober 2025 de Oostenrijkse autoriteiten verzocht eiser terug te nemen. Verweerder mag het (fictieve) antwoord van de Oostenrijkse autoriteiten afwachten. Verder heeft verweerder eiser op 5 november 2025 gehoord en is op diezelfde dag een voornemen uitgebracht. Dat is voldoende voortvarend.
Dat ten tijde van de oplegging van de maatregel nog geen begin was gemaakt met feitelijke overdracht terwijl volgens eiser bewaring ter uitvoering van de Dublinverordening alleen is toegestaan als sprake is van een actieve terug- of overnameprocedure, berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van artikel 28, tweede en derde lid, van de Dublinverordening. Uit het derde lid van artikel 28 van de Dublinverordening volgt immers dat bewaring mogelijk is terwijl nog een verzoek om over- of terugname moet worden ingediend en in afwachting van het antwoord op dat verzoek en de duur van een eventueel beroep tegen het overdrachtsbesluit, zolang dat beroep schorsende werking heeft.
De beroepsgrond slaagt niet.
Refoulementrisico
11. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder eiser ten onrechte niet heeft bevraagd over het risico op refoulement. Eiser wijst op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 1 oktober 2025. Het is op dit moment niet duidelijk in hoeverre namens eiser door zijn asieladvocaat bezwaren zullen worden geuit tegen verweerders voornemen om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Daarom kan verweerder niet uitgaan van een situatie waarin het risico op refoulement geen rol zou spelen in eisers situatie.
De rechtbank stelt vast dat in het geval van eiser sprake is van een bewaring ter fine van overdracht aan een andere lidstaat van de Europese Unie op grond van de Dublinverordening. Hiermee is dus geen sprake van een bewaring ter fine van uitzetting van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025. Verder volgt uit het
arrest van het Hof van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser zelf geen omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat geoordeeld moet worden dat bij overdracht aan Oostenrijk sprake zal zijn van refoulement, ook niet in het aanmeldgehoor. Deze omstandigheden zijn de rechtbank ook niet ambtshalve bekend.
De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
12. Ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd of voortduurt.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Gelet op het in rechtsoverweging 5.1 geconstateerde gebrek ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een betaling van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R.N. Parlevliet, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.