RECHTBANK DEN HAAG
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.24371 en NL25.24372
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] , V-nummer: [V-nummer] , eiser 1
[eiser 2] , V-nummer: [V-nummer] , eiser 2
Gezamenlijk te noemen: eisers (gemachtigde: mr. B.A. Palm), en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R. Bekker).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. Eisers krijgen dus geen gelijk. De beroepen van eisers zijn ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eisers hebben op 19 juli 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 23 mei 2025 in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
5. De rechtbank heeft de beroepen op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: R. Modi.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Activiteiten op sociale media en deelname aan demonstraties
Tatoeage
Het asielrelaas
6. Eisers zijn van Iraanse nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 1990 en [geboortedatum 2] 1994. Eisers zijn broers. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers hebben verklaard afvallig te zijn van de islam en zich bekeerd te hebben tot het christendom. Eisers hebben sinds hun jeugd al twijfels over de islam. Eiser 1 is na een project op de universiteit daadwerkelijk van de islam afgestapt. Eiser 2 is door het project van zijn broer, twee incidenten die hij heeft meegemaakt en eigen onderzoek ook afgestapt van de islam. De tante van eisers heeft hen geïnformeerd over het christendom. Dit heeft ertoe geleid dat zij hierin geïnteresseerd raakten en geleidelijk steeds meer overtuigd werden van het christendom. Op aanraden van hun tante gingen eisers ook naar een huiskerk in Iran. In 2020 zijn eisers samen naar Oekraïne gegaan om te studeren. In Oekraïne zijn eisers echt bekeerd tot het christendom en op [datum doop] 2021 gedoopt. Vervolgens zijn eisers teruggekeerd naar Iran. Toen eisers in 2022 via Turkije wilden terugkeren naar Oekraïne zijn zij ervan op de hoogte gesteld dat de huiskerk die zij in Iran bezochten was ontmaskerd. Ook heeft er toen een inval plaatsgevonden in de woning van eisers. Omdat eisers niet konden terugkeren naar Oekraïne – vanwege het verlopen van hun studievisum en de oorlog – waren zij van plan om door te reizen naar Engeland. Uiteindelijk hebben ze in Nederland een asielaanvraag ingediend. Bij terugkeer naar Iran vrezen eisers voor de Iraanse autoriteiten.
7. Het asielrelaas van eiser 1 en eiser 2 bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) afvalligheid van de islam;
(3) bekering tot het christendom; en
(4) deelname aan demonstraties.
8. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Ook vindt de minister geloofwaardig dat eisers hebben deelgenomen aan demonstraties. De gestelde afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom vindt de minister niet geloofwaardig. De minister heeft in de besluitvorming uiteengezet dat hij het horen en beslissen aan de hand van Werkinstructie 2022/3 (WI 2022/3) heeft verricht. De minister heeft vervolgens aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) beoordeeld of de asielmotieven van eisers geloofwaardig zijn. Volgens de minister is dat niet het geval. Eisers hebben hun bekering tot het christendom niet aangetoond met relevante documenten. Daarnaast vormen de verklaringen van eisers over hun afvalligheid van de islam en bekering tot het christendom geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verder hebben eisers hun asielaanvragen – zonder gegronde reden – niet zo spoedig mogelijk ingediend, wat volgens de minister afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de asielmotieven.
9. Gelet op het voorgaande komen eisers volgens de minister niet in aanmerking voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. De minister heeft de asielaanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. De minister heeft een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Iran, met een vertrektermijn van vier weken aan eisers opgelegd.
Referentiekader
10. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte aan hen heeft tegengeworpen dat zij oppervlakkig en summier hebben verklaard. In dit verband stellen eisers dat de minister in de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met hun referentiekader. Ter onderbouwing van dit standpunt doen eisers beroep op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1622). In dit verband stellen eisers dat zij als kwetsbare personen kunnen worden beschouwd, omdat bij hen duidelijk zichtbare angst- en traumaklachten aanwezig zijn. Dit blijkt uit de door hen overgelegde brieven van Saleem GGZ. Volgens eisers heeft de minister het standpunt dat met deze brieven niet is onderbouwd op welke wijze de klachten van invloed zijn geweest op hun verklaringen onvoldoende gemotiveerd. Hierbij doen eisers beroep op Werkinstructie 2021/9 ‘bijzondere procedurele waarborgen’ (WI 2021/9) en Werkinstructie 2021/12 ‘Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure’ (WI 2021/12, geactualiseerd met WI 2024/9). Verder voeren eisers aan dat het opleidingsniveau niet doorslaggevend is voor het vermogen van een vreemdeling om diepgaand over gevoelens te verklaren.
11. De rechtbank overweegt het volgende. Tijdens de zitting hebben eisers toegelicht dat de gehoren met voldoende waarborgen zijn afgenomen. Zo heeft de minister bijvoorbeeld pauzes aangeboden en gevraagd hoe het met eisers ging. Het gaat in dit geval dus niet om de vraag of eisers gehoord konden worden en op welke manier de vragen zijn gesteld. Het gaat eisers om de vraag op welke wijze hun verklaringen gewogen moeten worden.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de bestreden besluiten voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eisers. De rechtbank stelt vast dat de minister in de bestreden besluiten de beperkingen uit de brieven van Saleem GGZ van 25 oktober 2023 heeft benoemd en het standpunt inneemt dat daarmee rekening is gehouden (pagina 2 en 3 van de bestreden besluiten). De minister verwijst daarbij naar de MediFirst- adviezen van 17 en 19 januari 2024. Uit de adviezen blijkt dat de psychische klachten geconstateerd bij eisers onderkend zijn, maar geen belemmering zouden vormen voor de gehoren. In beroep hebben eisers recente brieven van Saleem GGZ overgelegd, van 17 respectievelijk 18 juni 2025. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat niet is gebleken dat eisers niet in staat waren om goed te verklaren over hun afvalligheid en bekering. Met de voormelde brieven van juni 2025 hebben eisers namelijk niet onderbouwd hoe de klachten van invloed zijn geweest op hun vermogen om inhoudelijk te verklaren. De rechtbank volgt dit en merkt bovendien op dat eisers tijdens de zitting hebben toegelicht dat de strekking van de brieven van Saleem GGZ van juni 2025 gelijk is aan die van de eerdere brieven van Saleem GGZ van oktober 2023. Gelet hierop heeft de minister de angst- en traumaklachten kenbaar betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verder hebben eisers niet toegelicht waarom een beroep op WI 2021/9 en WI 2021/12 tot een ander oordeel zou moeten leiden. Eisers hebben evenmin inzichtelijk gemaakt waar in de besluitvorming zou blijken dat hun opleidingsniveau doorslaggevend is geweest in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
13. Omdat eisers geen gronden hebben ingediend tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van het tweede element, de afvalligheid van de islam, gaat de rechtbank hierna enkel in op de gronden die zien op de geloofwaardigheidsbeoordeling van het derde element.
Bekering tot het christendom
14. Eisers voeren aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hun kennis over het geloof, de activiteiten voor de geloofsgemeenschap en de verklaring van de predikant van de Protestantse wijkgemeente [wijkgemeente] niet voldoende zijn om het asielrelaas alsnog geloofwaardig te vinden. Op de zitting hebben eisers toegelicht dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd hoe hij de zogenoemde compensatiemogelijkheid heeft beoordeeld. De in beroep overgelegde stukken van de [commissie] ondersteunen volgens eisers deze stelling. Bovendien blijft de minister in zijn standpunt dat zij summier en oppervlakkig hebben verklaard steken in oneliners.
15. De rechtbank overweegt dat uit Werkinstructie 2022/3 (WI 2022/3) blijkt dat de minister bij een bekering toetst of sprake is van een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Als dit aannemelijk is gemaakt, wordt uitgegaan van een geloofwaardige bekering. De minister toetst dit aan de hand van drie elementen: de motieven en proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof en de in dat kader uitgevoerde activiteiten. Het zwaartepunt ligt in de meeste gevallen bij het eerste element. Uit WI 2022/3 volgt verder dat beperkte verklaringen over één element eventueel kunnen worden gecompenseerd met verklaringen over de andere twee elementen. De minister is op zoek naar het authentieke verhaal van de vreemdeling, waarbij het zwaartepunt ligt op de antwoorden van de vreemdeling over zijn eigen ervaringen en de persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot deze drie elementen.
16. Ten aanzien van de verklaringen van eiser 1 heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij daarmee de gestelde bekering niet aannemelijk heeft gemaakt. In het voornemen, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser 1 summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn persoonlijke beleving van het christendom. Hierbij heeft de minister het volgende kunnen betrekken. De minister heeft eiser 1 gevraagd wat het voor hem persoonlijk betekent om vrijuit naar de kerk te gaan. Eiser 1 heeft daarop verklaard dat hij in Iran niet naar de kerk kon, maar in Oekraïne en Nederland wel. Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij tijdens de kerkdiensten in Oekraïne en Nederland het gevoel kon ontvangen, ondanks de taalbarrière (verslag nader gehoor, pagina 35). De minister heeft deze verklaring onvoldoende kunnen vinden, omdat eiser 1 niet inzichtelijk heeft gemaakt welk gevoel hij precies bedoelt en wat dit voor hem persoonlijk betekent. De minister heeft verder kunnen betrekken dat eiser 1 evenmin inzichtelijk heeft gemaakt wat het christendom voor hem betekent en welk gevoel christelijke activiteiten bij hem oproepen. De minister heeft namelijk kunnen vinden dat eiser 1 vooral feitelijk heeft verklaard over de betekenis van het christendom, en dat hij met de verklaring dat hij anderen helpt, liefde geeft en dat Jezus dat van hem verwacht, niet toelicht wat deze activiteiten voor hem persoonlijk betekenen (verslag nader gehoor, pagina 36–37). Ook heeft de minister kunnen meewegen dat eiser 1 niet heeft toegelicht welke onderwerpen hem tijdens de preken het meest aanspreken en waarom. Met de verklaring dat hij laatst heeft gehoord over de geschiedenis van Iran en over de kruisiging van Jezus, geeft eiser namelijk blijk van feitelijke kennis en niet van een persoonlijke geloofsbeleving (verslag nader gehoor, pagina 36).
17. Eiser 1 heeft nog een persoonlijke verklaring overgelegd bij zijn zienswijze en tijdens de beroepsprocedure. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt kunnen stellen dat eiser 1 in zijn persoonlijke verklaring bij de zienswijze onpersoonlijk en algemeen blijft, nu hij daarin grotendeels verwijst naar zijn eerdere verklaringen tijdens het nader gehoor. In beroep heeft eiser 1 in deze verklaring gesteld dat hij zijn persoonlijke ervaring volledig en met voorbeelden heeft uitgelegd. Met deze stelling maakt eiser echter niet concreet waarom de reactie van de minister in het bestreden besluit op zijn zienswijze de rechterlijke toets niet kan doorstaan. Dit argument kan daarom niet tot enig resultaat leiden.
18. Ten aanzien van de verklaringen van eiser 2 heeft de minister zich evenmin ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij daarmee de gestelde bekering niet aannemelijk heeft gemaakt. In het voornemen, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, heeft de minister kunnen tegenwerpen dat ook eiser 2 summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn persoonlijke beleving van het christendom. Hierbij heeft de minister het volgende kunnen betrekken. Eiser 2 heeft verklaard dat in het christendom sprake is van verlossing, die hij bij andere religies niet ziet. De minister heeft twee keer gevraagd om toe te lichten wat verlossing voor hem betekent. Daarop heeft eiser 2 verklaard dat hij verlossing als een mooi en aangenaam gevoel ervaart (verslag nader gehoor, pagina 19). Omdat eiser in zijn verklaring geen inzicht geeft in zijn persoonlijk geloofsbeleving, heeft de minister deze verklaring als algemeen kunnen aanmerken. Verder heeft eiser 2 verklaard dat hij het fijn vindt om vergeving te ontvangen binnen het christendom en dat sprake is van het eeuwige leven (verslag nader gehoor, pagina 20 en 44). De minister heeft hierop doorgevraagd. De daarop gegeven toelichting van eiser 2, dat vergeving belangrijk is binnen het christendom en dat iedereen eeuwig wil leven, heeft de minister echter ook als algemeen kunnen beschouwen. Met deze verklaring heeft eiser 2 namelijk niet duidelijk gemaakt waarom dit voor hem persoonlijk van betekenis is. Daarnaast heeft de minister kunnen betrekken dat eiser 2 zijn persoonlijke beleving van de doop niet inzichtelijk heeft gemaakt, nu hij enkel heeft uitgelegd hoe de doop in zijn algemeenheid verloopt (verslag nader gehoor, pagina 43). Daarbij heeft de minister mogen meewegen dat de doop doorgaans een belangrijk moment vormt in het leven van een bekeerde christen. Ook eiser 2 heeft een persoonlijke verklaring overgelegd bij zijn zienswijze en tijdens de beroepsprocedure. Omdat in die laatste verklaring niet is ingegaan op het argument dat hij summier en onpersoonlijk heeft verklaard wat betreft zijn bekering, zal de rechtbank deze verklaring hier verder niet betrekken. De minister heeft de bij de zienswijze overgelegde verklaring afdoende betrokken in het bestreden besluit.
19. Ten aanzien van de door eisers overgelegde verklaringen van derden heeft de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat het uitgangspunt is dat eisers zelf overtuigende verklaringen moeten afleggen over hun bekering. Verklaringen van derden die beschrijven welke rol de vreemdeling speelt binnen een (kerkelijke) organisatie kunnen weliswaar de verklaringen van een vreemdeling over zijn activiteiten ondersteunen, maar zijn op zichzelf niet voldoende om een bekering geloofwaardig te achten. Daarbij is van belang dat de vreemdeling ook kan uitleggen hoe deze activiteiten invloed hebben gehad op zijn persoonlijke beleving en ervaringen, en hoe zij voor hem persoonlijk hebben bijgedragen aan zijn bekering. De minister heeft de door eisers overgelegde verklaringen van derden beoordeeld. Daarbij heeft de minister kunnen overwegen dat de predikant van de Protestantse wijkgemeente [wijkgemeente] wel op basis van eigen waarneming beschrijft wat eisers voor de kerk doen, maar dat deze verklaring op zichzelf onvoldoende is om de bekering geloofwaardig te achten. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat de omstandigheid dat eisers kerkdiensten bezoeken weinig zegt over de innerlijke beleving en geen hard bewijs is van de bekering. Verder heeft de minister op de zitting toegelicht dat aan de verslagen van de geloofsgesprekken die eisers hebben gevoerd met de [commissie] beperkte waarde wordt gehecht. Deze verslagen bevatten namelijk – anders dan de verklaring van de predikant – geen feitelijke informatie. In de verslagen wordt een eigen oordeel gegeven over de gestelde bekering, gebaseerd op de door eisers gegeven antwoorden op vragen die met de bekering verband houden. Volgens de minister zijn deze vragen vooral te kwalificeren als kennisvragen en geven zij geen inzicht in de persoonlijke ervaring en beleving van de bekering. De minister heeft eisers bovendien kunnen tegenwerpen dat zij niet hebben toegelicht op welke wijze de geloofsgesprekken met de [commissie] als aanvulling op de gehoren kunnen worden beschouwd. In dit verband heeft de minister toegelicht dat hij een eigen geloofwaardigheidsbeoordeling verricht van de verklaringen van eisers. De rechtbank kan de minister in zijn standpunt volgen. De rechtbank overweegt verder dat eisers niet hebben onderbouwd dat hun kennis van het geloof zodanig is dat dit kan compenseren voor de tekortschietende verklaringen over hun bekering tot het christendom.
Conclusie geloofwaardigheidsbeoordeling
20. Gelet op het voorgaande is de minister in de bestreden besluiten voldoende ingegaan op de compensatiemogelijkheid, en heeft hij kunnen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun bekering tot het christendom is gebaseerd op een diepgewortelde innerlijke overtuiging in de zin van WI 2022/3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de bekering van eisers ongeloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Vrees voor vervolging en reëel risico op ernstige schade
Risico’s bij terugkeer
21. Eisers kunnen zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer naar Iran. Eisers voeren aan dat de minister hun afvalligheid van de islam ten onrechte niet heeft (door)getoetst op zwaarwegendheid. De afvalligheid kan hen immers ook worden toegedicht. Hierbij doen eisers beroep op de Afdelingsuitspraak van 19 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:94). Verder wijzen eisers er op dat uit het algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 blijkt dat er weldegelijk risico’s zijn bij terugkeer uit het westen. Volgens eisers is het niet ondenkbaar dat de Iraanse autoriteiten hen zullen bevragen over (de reden van) hun asielaanvragen, of over de mogelijke politieke of religieuze activiteiten. Daarnaast heeft de minister in dit kader onvoldoende gemotiveerd waarom de uitingen van eisers op sociale media niet van belang zouden zijn. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de deelname aan demonstraties tegen het Iraanse regime, het plaatsen van Bijbelteksten en video's over het christendom op sociale media – in samenhang bezien – niet voldoende zijn voor het toekennen van een asielvergunning. Daar komt bij dat eiser 1 een christelijke tatoeage in zijn nek heeft van een kruis.
Ondervraging door de autoriteiten
22. Ten aanzien van de ondervraging door de Iraanse autoriteiten overweegt de rechtbank dat de minister zich – onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 – voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet blijkt dat iedere terugkeerder in Iran ondervraagd zal worden bij terugkeer (pagina 115). Er bestaat weliswaar een risico dat eisers ondervraagd zullen worden, omdat zij al een langere tijd in het buitenland verblijven en moeten reizen met een laissez-passer, maar zoals de minister heeft opgemerkt staat contact met de Iraanse autoriteiten of een ondervraging niet gelijk aan zwaarwegende problemen die vervolging of ernstige schade met zich meebrengen. Uit het voormelde ambtsbericht volgt namelijk niet dat terugkerende, afgewezen asielzoekers die worden ondervraagd, systematisch te maken krijgen met of te vrezen hebben voor vervolging. Zo blijkt dat de autoriteiten doorgaans niet naar de geloofsovertuiging vragen (pagina 115) en dat het aantal terugkeerders dat problemen ondervindt bij terugkeer beperkt is (pagina 117-118). De rechtbank vindt hierbij van belang dat niet is gebleken dat eisers voor hun (legale) vertrek in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stonden. Zo hebben eisers Iran meerdere keren op legale wijze verlaten (verslag nader gehoor van eiser 1, pagina 26 en verslag nader gehoor van eiser 2, pagina 29). Op de zitting heeft de minister toegelicht dat bij een eventuele ondervraging door de Iraanse autoriteiten van eisers verwacht mag worden dat zij verklaren het religieuze asielmotief te hebben geveinsd om een asielvergunning te verkrijgen. De rechtbank kan het standpunt van de minister volgen. De minister heeft de gestelde afvalligheid en bekering immers ongeloofwaardig mogen vinden.
23. Ten aanzien van de sociale media activiteiten van eisers overweegt de rechtbank dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de (inhoud van de) geplaatste berichten op sociale media. Hoewel eisers zich online profileren als christen, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat de door hun geplaatste berichten de Iraanse autoriteiten daadwerkelijk hebben bereikt. Dit geldt eveneens voor de in beroep overgelegde foto’s, waaruit blijkt dat eisers op 5 juni 2025 aanwezig waren bij een demonstratie tegen het Iraanse regime. Met de enkele stelling dat tijdens deze demonstratie journalisten aanwezig waren en dat opnames en live-uitzendingen zijn gemaakt, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de overgelegde foto’s of uitzendingen bij de Iraanse autoriteiten bekend zijn en eisers daardoor in hun bijzondere belangstelling staan. Eisers hebben deze stelling namelijk niet onderbouwd. Op de zitting hebben eisers toegelicht dat de foto’s grotendeels afkomstig zijn van andere demonstranten en dat zij de foto’s vervolgens plaatsen op hun eigen sociale media. Deze stelling is evenmin onderbouwd en kan daarom niet tot een ander oordeel leiden.
24. Dat eiser 1 een christelijke tatoeage heeft leidt evenmin tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt dat de minister zich hierbij heeft mogen baseren op het algemeen ambtsbericht Iran van september 2023. Uit het ambtsbericht volgt dat tatoeages op zichzelf niet strafbaar zijn. Er is geen wet die het hebben van een tatoeage expliciet verbiedt of classificeert als verboden volgens islamitisch recht (pagina 82). Verder overweegt de rechtbank dat van eiser 1 mag worden verwacht dat hij – gelet op de ongeloofwaardige afvalligheid en bekering – het op zijn onderkant nek en rug geplaatste kruis bedekt en bedekt houdt (zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraak van 31 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1940).
Conclusie vrees voor vervolging en reëel risico op ernstige schade
25. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft mogen concluderen dat eisers het risico op vervolging of ernstige schade bij terugkeer onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij persoonlijk problemen met de Iraanse autoriteiten hebben gehad, hebben of (op het vliegveld) zullen krijgen. Ook hebben eiser niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten op de hoogte zijn van hun activiteiten op sociale media of dat hen afvalligheid wordt toegedicht. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie en gevolgen
26. De minister heeft de aanvragen terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 november 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.