ECLI:NL:RBDHA:2025:23387

ECLI:NL:RBDHA:2025:23387, Rechtbank Den Haag, 23-09-2025, NL25.28561

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-09-2025
Datum publicatie 09-12-2025
Zaaknummer NL25.28561
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001840

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag niet stand kan blijven. Op zich is Ecuador voor eiser een veilig derde land. Verweerder heeft zich echter niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser een dusdanige band heeft met Ecuador dat hij daarnaar moet terugkeren. Zijn verblijf daar was namelijk niet heel lang én meer dan 17 jaar geleden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.28561

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire),

en

(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).

1. Deze uitspraak gaat over eisers beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van

zijn asielaanvraag. Hij is het hier niet mee eens.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk

verklaring van de asielaanvraag niet stand kan blijven. Op zich is Ecuador voor eiser een veilig derde land. Verweerder heeft zich echter niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser een dusdanige band heeft met Ecuador dat hij daarnaar moet terugkeren. Zijn verblijf daar was namelijk niet heel lang én meer dan 17 jaar geleden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser is geboren op [datum] 1983 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Hij heeft op 18 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 20 juni 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft verklaard dat hij in oktober 2021 is aangevallen door drie FARC dissidenten. Een van hen verdenkt eiser ervan informatie te hebben doorgegeven aan het leger in Colombia. Eiser is tijdens dit incident op mishandeld. Eiser is toen elders in Colombia gaan wonen. Ook daar werd naar eiser gevraagd waarna hij naar Ecuador en, vervolgens, Chili is vertrokken. Hij is uiteindelijk naar Nederland gevlucht. In Ecuador vreest hij ook voor bendegeweld. Bij terugkeer naar Colombia vreest hij door FARC dissidenten te worden vermoord.

Wat staat er in het bestreden besluit?

4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard en aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder stelt dat Ecuador als veilig derde land voor eiser kan gelden. Eiser heeft een band met Ecuador door eerder verblijf aldaar en het is aannemelijk dat eiser toegang zal krijgen tot Ecuador. Ook heeft eiser met de door hem overlegde informatie niet aannemelijk gemaakt dat hij reële vrees heeft dat hij bij terugkeer zal worden blootgesteld aan een vernederende en onmenselijke behandeling. Ecuador is een veilig land in algemene zin en voor eiser.

Heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van een veilig derde land voor

eiser?

5. Eiser voert aan dat Ecuador geen veilig derde land is voor hem. Hij loopt gevaar slachtoffer te worden van bendegeweld. Uit eisers, niet inhoudelijk getoetste, verklaringen blijkt dat hij vreest voor gewapende landelijk opererende bendes. Uit de overgelegde stukken en uit openbare bronnen blijkt dat het geweld van deze bendes zich echter uitstrekt tot onder meer Ecuador. Eiser voert aan dat het binnenlands beschermingsalternatief van overeenkomstige toepassing zou moeten zijn bij internationaal opererende gewapende bendes. Uit de door eiser overgelegde informatie blijkt dat er een toename van geweld is in Ecuador door bendes uit Colombia. Ook blijkt hieruit dat er sprake is van discriminatie en xenofobie jegens Colombiaanse migranten en asielzoekers. Hieruit volgt dat Ecuador geen veilig derde land is voor eiser. Verweerder is onvoldoende ingegaan op eisers zienswijze. De situatie in Ecuador is dusdanig slecht dat ook in zijn algemeenheid niet kan worden gesteld dat het een veilig land is. Hier is eiser ook ten onrechte niet naar gevraagd. Eiser vreest dat de autoriteiten hem daar niet kunnen beschermen tegen bendegeweld.

Verweerder moet voor de niet-ontvankelijk verklaring vaststellen dat Ecuador een veilig derde land is voor eiser. Op grond van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is een vereiste hiervoor dat, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in dat derde land overeenkomstig de in dit eerste lid genoemde beginselen zal worden behandeld. Bij deze beoordeling moet verweerder op grond van artikel 3.37e, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv 2000) de in dit lid genoemde informatiebronnen betrekken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat Ecuador in zijn algemeenheid kan worden aangemerkt als veilig derde land. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In de besluitvorming is voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser volgens de beginselen genoemd in artikel 3.37e, eerste lid, van het (Vv 2000) en artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000 behandeld zal worden. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder gewezen op het TOELT rapport van juli 2025 en op het IB 2025/36. Hoewel de situatie verslechterd is, is niet gebleken dat het geweld in Ecuador van een dusdanige intensiteit of ernst is dat migranten op voorhand te vrezen hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade. Zo is Ecuador partij bij internationale verdragen en is het refoulement verbod opgenomen in de grondwet. De bronnen die eiser heeft overgelegd en op zitting heeft toegelicht maken het oordeel van de rechtbank niet anders. Deze bronnen zijn veelal betrokken bij het TOELT rapport, of zijn ouder dan de bronnen van het TOELT rapport. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 27 juni 2025 kan evenmin slagen. In die uitspraak is geoordeeld dat de IB 2020/16 onvoldoende blijk gaf van de huidige omstandigheden in Ecuador. In dit geval heeft verweerder verwezen naar de IB 2025/36 die in plaats is gekomen van de IB 2020/16 en waarin verweerder wel recente landeninformatie heeft meegenomen.

In hetgeen eiser heeft aangevoerd is geen aanleiding om aan te nemen dat, in afwijking van de algehele situatie in Ecuador, Ecuador ten aanzien van eiser niet als veilig derde land kan worden beschouwd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser met een beroep op de algemene situatie en het feit dat hij in Colombia dichtbij het grensgebied woonde, niet aannemelijk heeft gemaakt maakt dat hij om die reden een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook de omstandigheid dat eiser in Colombia stelt te zijn mishandeld en na zijn verhuizing op zijn nieuwe verblijfplaats vragen zijn gesteld over zijn aanwezigheid daar, maakt dit niet anders. Gesteld is namelijk niet dat eiser vanwege zijn asielrelaas een persoonlijk risico zou lopen in Ecuador, maar omdat hij een Colombiaanse vluchteling zou zijn in Ecuador. Eisers stelling dat hij vreest voor discriminatie vanwege zijn Colombiaanse nationaliteit biedt evenmin aanleiding voor het oordeel dat eiser een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. Dat sprake is van discriminatie betekent immers op zich niet dat hij een dergelijk risico loopt. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat eiser toegang krijgt tot Ecuador?

6. Voor zover eiser stelt dat hij (mogelijk) geen toegang heeft tot Ecuador is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser toegang heeft. Eiser heeft niet betwist dat hij als Colombiaan visumvrij Ecuador kan inreizen. Verweerder heeft daarbij verder mogen betrekken dat eiser in 2021 nog toegang heeft gehad tot Ecuador. Eiser heeft niet onderbouwd waarom dat nu niet langer het geval zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser een voldoende significante band met Ecuador heeft?

7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een voldoende significante band voor eiser met Ecuador. Verweerder heeft geen rekening gehouden met het tijdsverloop van 20 jaar. Eiser heeft verklaard dat hij in 2005 voor een periode van twee jaar in Ecuador heeft verbleven en dat hij destijds geen verblijfsvergunning heeft verkregen. Verweerder werpt eiser ten onrechte tegen dat hij toen op eigen initiatief is vertrokken en de uitslag van zijn asielprocedure niet heeft afgewacht. Eiser heeft aangegeven dat hij is teruggekeerd omdat hij toen veilig kon terugkeren naar Colombia. De problemen destijds hadden niets te maken met de asielmotieven in deze procedure. Ook is de situatie in Ecuador sinds 20 jaar geleden veranderd en verslechterd.

Verweerder stelt zich onder verwijzing naar C2/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 op het standpunt dat eiser een band heeft met Ecuador. Eiser heeft in de jaren 2005-2008 in Ecuador gewerkt, gewoond en spreekt de taal. Bovendien heeft hij ook toegang gehad tot de UNHCR in Ecuador om asiel aan te vragen. Daarom wordt eisers band met Ecuador zodanig geacht, dat het redelijk is voor hem om terug te gaan. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat ondanks de nieuwe situatie in Ecuador het toch redelijk is voor eiser om daarheen terug te keren. In dit verband heeft verweerder verwezen naar de ingebrachte informatie van TOELT over Ecuador. Ook heeft verweerder er op gewezen dat eiser geen persoonlijk risico loopt in Ecuador.

Vereist voor de niet-ontvankelijk verklaring is dat eiser een zodanige band heeft met Ecuador dat het voor hem redelijk is daarheen te gaan (de redelijkheidstoets). Dat volgt uit artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000. Op grond van het derde lid van dat artikel worden bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf. Het is in beginsel aan verweerder om aan de hand van de verklaringen van een vreemdeling en eventuele overgelegde of anderszins verkregen documenten aannemelijk te maken dat die vreemdeling een band heeft met het derde land. Het is vervolgens aan die vreemdeling om dat te weerleggen. De reikwijdte van de redelijkheidstoets omvat verder een plicht voor verweerder om deugdelijk te motiveren dat het redelijk is om van een vreemdeling te verwachten dat deze afreist naar een veilig derde land en daar asiel aanvraagt, daarbij rekening houdend met alle individuele omstandigheden die relevant zijn voor de beoordeling van de band die een vreemdeling heeft met het tegengeworpen veilig derde land. Van een zodanige band met het derde land dat het voor de vreemdeling redelijk zou zijn daar naartoe te gaan, kan volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) sprake zijn als een vreemdeling in het verleden in dat land heeft gewoond, maar het kan ook worden afgeleid uit andere individuele omstandigheden, zoals het hebben van een partner of andere familie in dat land.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser een band heeft met Ecuador. Dat eiser eerder in Ecuador heeft gewoond en gewerkt, daar een aanvraag bij het UNHCR heeft kunnen indienen en daardoor een tijdelijk verblijfsrecht heeft gehad, is niet in geschil. Daarmee staat vast dat eiser een band heeft met dat land. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder het tijdsverloop sinds eisers genoemde verblijf in Ecuador onvoldoende kenbaar heeft meegewogen bij de redelijkheidstoets. Ter toelichting dient het volgende.

Eiser heeft in beroep verklaard dat hij vanaf 2005 ruim twee jaar in Ecuador heeft verbleven. Dit stemt overeen met zijn verklaringen bij het gehoor, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Hij heeft geen directe familie wonen in Ecuador of een partner met die nationaliteit. Verweerder heeft de band dus enkel vastgesteld op grond van eerder verblijf in de periode 2005 tot in 2008. Dat eiser in 2021 ook drie weken in Ecuador heeft verbleven, heeft verweerder expliciet niet bij de beoordeling van de band betrokken. De rechtbank volgt verweerder op dit punt aangezien dat een kort verblijf was.

Omdat eisers relevante verblijf in Ecuador ruim 17 jaar geleden was, slechts enkele jaren bedroeg en de situatie in Ecuador inmiddels is gewijzigd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid worden gesteld dat sprake is van een band op grond waarvan het redelijk is voor eiser om terug te gaan. Verweerder heeft in ieder geval niet kenbaar deze nieuwe situatie in Ecuador bij zijn beoordeling betrokken. De rechtbank ziet hierin een onzorgvuldigheid. Daarbij is relevant dat de veiligheidssituatie in Ecuador sinds eisers eerste verblijf sterk in negatieve zin is gewijzigd. Verwezen wordt naar de door eiser ingebrachte landeninformatie. Daaruit blijkt onder andere dat Ecuador lange tijd een ‘island of peace in the Andes’ was. Door de toename van geweld in Ecuador vanaf 2020, met name door bendegeweld, de verlegging van internationale drugshandelsroutes en interne problemen, is die situatie veranderd. Er wordt gesproken over een veiligheidscrisis. Het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse zaken voor Ecuador luidt, zoals eiser terecht heeft overwogen, inmiddels voor grote delen van Ecuador rood of geel. Dit heeft ook invloed op de wijze van behandeling van vluchtelingen in Ecuador, zo blijkt uit de ingebrachte landeninformatie. Het op zich op orde lijkende juridische systeem voor internationale bescherming in Ecuador is in de praktijk overbelast.

Dat, zoals verweerder gezien het voorgaande terecht heeft gesteld, sprake is van een veilig land, terwijl eiser geen persoonlijk risico loopt in Ecuador, hij de taal spreekt en hij toegang kan krijgen tot Ecuador, maakt niet dat eiser een zodanige band met Ecuador heeft dat het redelijk is voor hem om terug te keren. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft de aanvraag niet kunnen afwijzen als niet-ontvankelijk. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat

verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de

gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft

deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 20 juni 2025;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een

nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze

uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T.N. van Rijn

Griffier

  • mr. J.M.T. Zoon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?