ECLI:NL:RBDHA:2025:23411

ECLI:NL:RBDHA:2025:23411, Rechtbank Den Haag, 17-11-2025, 09-113496-25

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-11-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer 09-113496-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

ASR. Toepassen jeugdstrafrecht. De verdachte heeft met een mes in de bovenarm van het slachtoffer gestoken. Vrijspraak poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. Veroordeling voor poging tot zware mishandeling. Oplegging van 220 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaard waarmee de rechtbank afwijkt van het arrest van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2024:788). Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij, waarbij bij de bepaling van de hoogte van de immateriële schade gebruik gemaakt is van de Rotterdamse schaal.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09-113496-25

Datum uitspraak: 17 november 2025

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:

[de verdachte] (hierna: de verdachte),

geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres; [adres] , [postcode] [plaats 1] ,

nu preventief gedetineerd in Justitieel Complex te [plaats 2] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzittingen van 26 juni 2025 en 7 augustus 2025 (beide pro forma) en 3 november 2025 (inhoudelijke behandeling).

De officier van justitie in deze zaak is D. Kortekaas en de raadsman van de verdachte is mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 april 2025 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [de aangever] opzettelijk van het leven te beroven, die [de aangever] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de arm heeft gestoken en/of gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 april 2025 te Gouda aan [de aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond aan de arm en/of een slagaderlijke bloeding, heeft toegebracht door die [de aangever] te steken met een mes

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 april 2025 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [de aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [de aangever] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de arm heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en dat het subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard. Volgens de officier van justitie is sprake van zwaar lichamelijk letsel, omdat het slachtoffer met spoed medische hulp in de vorm van een operatie nodig heeft gehad, veel bloed heeft verloren en een litteken op zijn arm heeft overgehouden aan het steekincident.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken en dat het meer subsidiair tenlastegelegde, een poging tot zware mishandeling, bewezen kan worden. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Utrecht (ECLI:NL:RBUTR:2011:BV7642), waaruit volgt dat bij het steken in de bovenarm en nek in beginsel de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel wordt aanvaard, maar dat het slechts bij een poging is gebleven, omdat het slachtoffer geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Vrijspraak van het primaire en subsidiaire feit

Feiten

Op 12 april 2025 heeft een ruzie plaatsgevonden tussen jongeren bij het winkelcentrum Bloemendaal in Gouda. De aangever is daarbij op het parkeerterrein in gevecht geraakt met een jongen en er zijn over een weer klappen uitgedeeld. De aangever en de jongen zijn vervolgens door andere jongeren uit elkaar gehaald. Op beelden is te zien dat de verdachte op gegeven moment naast de ruzie staat te kijken en hier geen onderdeel van uitmaakt. Vervolgens heeft de groep jongeren zich verplaatst naar het trottoir voor de Jumbo. Daar staat de aangever tussen fietsen bij een muur met een aantal jongens om hem heen. De verdachte gaat dan nog op een afstandje van de aangever en de rest van de groep staan, terwijl de aangever druk gebaart en schreeuwt (mogelijk ook richting de verdachte). Op enig moment is de verdachte naar het groepje toegelopen. Kort nadat hij zich bij het groepje met de aangever voegt, haalt de verdachte een groot mes uit zijn broek, zet een grote stap in de richting van de aangever en maakt een stekende beweging met het mes richting de aangever. De aangever bloedt direct hevig en de verdachte rent weg.

Vrijspraak poging doodslag

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak zware mishandeling, poging tot zware mishandeling wettig en overtuigen bewezen

De rechtbank zal de verdachte, anders dan door de officier van justitie gevorderd, ook vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde feit. De rechtbank acht het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank overweegt daartoe dat de verdachte, door het mes in de richting van de rechterbovenarm van de aangever te steken de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat steken met een mes in een bovenarm, waarin zich (slag)ader(s), pezen en spieren bevinden een aanmerkelijke kans oplevert op zwaar lichamelijk letsel. Voorgaande betekent dat voldaan is aan het vereiste van (voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank is echter van oordeel dat in onderhavig geval de aangever niet daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank stelt op basis van de medische verklaring en de toelichting van de advocaat van de aangever vast dat de aangever ter plaatse hevig bloedde en vervolgens in het ziekenhuis direct operatief is behandeld waarbij onder meer een ader en een spier zijn gehecht. Verder stelt de rechtbank vast dat na de operatie volledig herstel binnen twee weken werd verwacht en dat de aangever een litteken aan het incident heeft overgehouden. De rechtbank is van oordeel dat voorgaande onvoldoende is om te kunnen spreken van zwaar lichamelijk letsel, te meer omdat de rechtbank geen verdere informatie heeft over de huidige situatie van de aangever. De advocaat van de aangever heeft ter zitting naar voren gebracht dat de aangever tintelingen en krachtverlies heeft in zijn hand en arm en daarvoor is doorverwezen naar de fysiotherapeut, dit is echter niet nader met stukken onderbouwd. Het handelen van de verdachte, in samenhang gezien met de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de aangever, kan daarom naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met onderzoeksnummer DH7R025019, van de politie-eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn – Gouda, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 133).

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 november 2025;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [de aangever] , opgemaakt op 12 april 2025 (p. 10-12);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 april 2025 (p. 101-104);

4. Een geschrift, te weten een letselbeschrijving, op 7 mei 2025 opgemaakt en ondertekend door [naam] , forensisch arts KNMG, (p. 109).

Conclusie

De rechtbank is met betrekking tot het meer subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 12 april 2025 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [de aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [de aangever] met een mes in de arm heeft gestoken of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De op te leggen straf en maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte, met toepassing van het jeugdstrafrecht, wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt opgelegd met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de verdachte te veroordelen volgens het jeugdstrafrecht en de eis van de officier van justitie te volgen, ook met betrekking tot het opleggen van de voorwaardelijke PIJ-maatregel. Het is belangrijk dat de verdachte duidelijke kaders en structuur krijgt om verder tot ontwikkeling te komen. Ten aanzien van de duur van de jeugddetentie heeft de raadsman nog naar voren gebracht dat deze gelijk kan worden gesteld aan de duur van de voorlopige hechtenis tot aan de uitspraak, zijnde 217 dagen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich als achttienjarige schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door de aangever met een mes in de bovenarm te steken. De verdachte is, terwijl in eerste instantie weinig tot niets te maken had met de ruzie die gaande was tussen de aangever en een groepje jongeren, toch op de aangever afgestapt en heeft hem direct in zijn bovenarm gestoken. De aangever heeft als gevolg van het steekincident ernstig bloedverlies geleden, is direct geopereerd en heeft een litteken overgehouden aan de steekwond. Het incident vond plaats bij een winkelcentrum waar – blijkens de beelden – op dat moment meerdere mensen aan het winkelen waren. De verdachte heeft hierdoor gevoelens van angst en onrust veroorzaakt, niet alleen bij de aangever, maar ook bij de omstanders die bij het winkelcentrum waren en het steekincident en de hevig bloedende aangever hebben zien.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juni 2025. De rechtbank weegt in het nadeel van de verdachte mee dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten temeer nu daar ook sprake was van het steken met een mes.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het (dubbel) Pro Justitia rapport van 12 september 2025. Daaruit volgt – kort samengevat – dat bij de verdachte sprake is van een zwakbegaafd (en disharmonisch) intellectueel functioneren, een gestagneerde sociaal-emotionele en morele ontwikkeling, een normoverschrijdende gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in antisociale richting. Daarbij hebben traumatische ervaringen uit het verleden mogelijk bijgedragen aan negatieve (vijandige) attributies. Als gevolg hiervan rechtvaardigt de verdachte zijn handelen en kan hij de gevolgen en consequenties van zijn gedrag niet overzien. Voornoemde problematiek was aanwezig ten tijde van het gepleegde feit en daarom wordt geadviseerd het feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het recidiverisico wordt als matig-hoog ingeschat. Verder wordt geadviseerd om het adolescentenstrafrecht toe te passen en de verdachte te veroordelen volgens het jeugdstrafrecht. De combinatie van handelingsvaardigheden, die wijzen op een functioneren op meerdere ontwikkelingsdomeinen als jonger dan de kalenderleeftijd, en de pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden geven hiertoe aanleiding. Daarnaast worden er geen contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht gezien. Ten aanzien van de straf wordt geadviseerd een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, omdat het noodzakelijk is dat intensieve begeleiding, behandeling, toezicht en ondersteuning in een strak kader wordt voortgezet.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 24 oktober 2025 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige op de terechtzitting van 3 november 2025 is gegeven. De Raad onderschrijft de adviezen uit het Pro-Justitia rapport grotendeels. De Raad adviseert om het jeugdstrafrecht toe te passen en een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling en begeleiding, een contactverbod, een locatieverbod en -gebod, het volgen van onderwijs en het meewerken aan middelencontrole. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wordt op dit moment niet noodzakelijk geacht, maar het is wel van groot belang dat de verdachte onder voorwaarden kan profiteren van intensieve begeleiding en behandeling om verder tot ontwikkeling te komen.

Toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank volgt de conclusies van de psycholoog en psychiater voor wat betreft de toerekenbaarheid en zal de feiten daarom in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.

Toepassing van het jeugdstrafrecht in ASR zaken

De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen.

Gelet op voornoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.

Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Uit de oriëntatiepunten volgt dat er bij een (poging) zware mishandeling met gebruikmaking van een wapen in beginsel jeugddetentie wordt opgelegd.

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank – met de officier van justitie en de advocaat van de verdachte – van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere sanctie dan jeugddetentie. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 220 dagen met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

PIJ-maatregel

Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om, zoals gevorderd door de officier van justitie, aan de verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een PIJ-maatregel, zoals vermeld in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan.

De bewezenverklaarde feiten betreffen onder meer misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van wat de deskundigen over de verdachte hebben opgenomen in de rapportages, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, te weten een zwakbegaafd (en disharmonisch) intellectueel functioneren, een gestagneerde sociaal-emotionele en morele ontwikkeling, een normoverschrijdende gedragsstoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in antisociale richting. Daarnaast eisen de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een (voorwaardelijke) PIJ-maatregel.

Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat de verdachte gebaat is bij intensieve ondersteuning, behandeling en begeleiding in een kader met strakke voorwaarden. De rechtbank zal aan de verdachte dan ook de geadviseerde voorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen. De voorwaardelijke PIJ-maatregel fungeert als een dwingend kader voor de bijzondere voorwaarden die de rechtbank zal opleggen. De voorwaardelijke PIJ-maatregel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Als tijdens de proeftijd de behandeling van de verdachte (verwijtbaar) onvoldoende van de grond komt of als blijkt dat hij toch in aanraking komt met justitie en politie, dan wacht hem de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel waarbij de behandeling en begeleiding niet meer ambulant zal plaatsvinden.

Aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel verbindt de rechtbank een proeftijd van twee jaar. De verdachte moet zich gedurende die proeftijd aan bijzondere voorwaarden houden, zoals hierna genoemd in de beslissing. Dit strakke kader is noodzakelijk om het hoge recidiverisico te beperken en hiermee krijgt de verdachte de kans om zich in te zetten voor de voor hem noodzakelijk geachte behandeling.

De rechtbank overweegt dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van meerdere misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat in het geval van tenuitvoerlegging, verlenging van deze maatregel mogelijk is voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Dadelijke uitvoerbaarheid De rechtbank zal tevens bevelen dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank komt tot die conclusie gezien de ernst van het gepleegde feit, de eerdere veroordeling alsmede het door de psycholoog en de psychiater en de jeugdreclassering geschatte recidiverisico (matig-hoog) en de in dat verband geschetste noodzaak tot het starten van een intensieve ondersteuning, behandeling en begeleiding.

De rechtbank verwijst daarvoor naar de wettekst van de artikelen 77x lid 2, 77z en 77za van het Wetboek van Strafrecht en naar de kamerstukken 32 319, nr. 3. Hieruit volgt dat het doel van het dadelijk uitvoerbaar verklaren is om te voorkomen dat een veroordeelde door het instellen van hoger beroep zich aan het toezicht van justitie onttrekt. De rechtbank vindt dat dit doel, zoals ook door de deskundigen ter terechtzitting onderstreept, bestaat bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Dat de voorwaardelijke PIJ-maatregel niet met zoveel woorden is genoemd in deze kamerstukken betekent niet zonder meer dat bedoeld is om deze uit te sluiten van de mogelijkheid uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zeker niet als deze kamerstukken worden bezien in het licht van de nota van wijziging (kamerstukken 33 498, nr. 7), waarin wordt beoogd de gedragsbeïnvloedende maatregel meer in lijn te brengen met de regeling die is neergelegd in 77za van het Wetboek van Strafrecht.

7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[de aangever] , vertegenwoordigd mr. R.A. van Seumeren, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 10.290,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 290,- aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade geheel kan worden toegewezen en dat de gevorderde immateriële schade moet worden gematigd tot minder dan de helft van het gevorderde bedrag. Het totaal toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft naar voren gebracht dat ten aanzien van de materiele schade alleen het vest in aanmerking komt voor vergoeding. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman verzocht deze te matigen tot een bedrag van € 1.500,- tot € 2.000,-.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Uit het dossier en de beelden blijkt dat de benadeelde partij hevig bloedde als gevolg van het steekincident en niet alleen het vest, maar ook de broek en de schoenen daardoor onbruikbaar zijn geworden. De rechtbank zal de schade die hierop betrekking heeft schatten op een bedrag van € 290,-, aangezien deze post niet is onderbouwd met aankoopbewijzen.

Immateriële schade

Verder is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op basis van de feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 3.250,-, zodat de vordering tot dit bedrag aan [de aangever] zal worden toegewezen. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal. Daaruit volgt dat in geval van gering armletsel een bedrag van € 2.500,- tot € 10.000,- kan worden opgelegd. In geval van een blijvend litteken kan daarbij tot € 1.500,- worden opgeteld. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval – nu bewijsstukken van de doorverwijzing naar de fysiotherapie en de EMDR-therapie ontbreken – een bedrag van € 3.250,- passend. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering voor het overige. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Totaal toegewezen

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering van [de aangever] toewijzen tot een bedrag van € 3.540,-, bestaande uit € 290,- aan materiële schade en € 3.250,- aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 12 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade op die datum is ontstaan.

Proceskostenveroordeling

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht.

De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.540,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [de aangever] . Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:

poging tot zware mishandeling;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

straf en maatregel

veroordeelt de verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 220 (TWEEHONDERDTWINTIG) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (217 dagen), bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (twee) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. gedurende de proeftijd meewerkt aan het toezicht door de jeugdreclassering en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt;

2. zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door en jeugdreclassering en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt. De veroordeelde houdt zich altijd aan de afspraken met de zorgverlener en aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach vanuit E25 of een soortgelijke instelling, te bepalen door en jeugdreclassering en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt, en houdt zich aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;

4. gedurende de proeftijd, of zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt, op geen enkele wijze direct of indirect contact zal opnemen, zoeken of hebben met: - [de aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 2006;

5. zich gedurende de eerste 6 maanden van de proeftijd niet in een straal van 2700 meter van het woonadres van het slachtoffer en het winkelcentrum Bloemendaal in Gouda bevindt. De veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de jeugdreclassering. De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op de locatieverboden. Van dit verbod kan alleen in overleg met de jeugdreclassering worden afgeweken (voor bijvoorbeeld school of gebruik van het openbaar vervoer);

6. gedurende de eerste 6 maanden op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres: [adres] , [postcode] in Gouda. De jeugdreclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 14 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft de veroordeelde een aaneengesloten blok van 8 uur per dag vrij te besteden. De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de jeugdreclassering daarvoor toestemming geeft;

7. een mbo-opleiding volgt voor de duur van 12 maanden of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt;

8. meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De jeugdreclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De jeugdreclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan Jeugdbescherming west, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het - op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij met betrekking tot de gestelde materiële schade geheel toe tot een bedrag van € 290,- en met betrekking tot de immateriële schade deels toe tot een bedrag van € 3.250,- en veroordeelt de verdachte

om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover van 12 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [de aangever] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.540,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [de aangever] , en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.

het bevel tot voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. van der Harg, kinderrechter, voorzitter,

mr. W.G. de Boer, kinderrechter,

en mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 november 2025.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.M.C. Mulders

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?