RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57867
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 21 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1991 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist alle gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel.
4. Wat eiser heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Zware grond 3b is naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het niet melden bij de korpschef voor deze grond onvoldoende is. Door van zijn onrechtmatig verblijf geen mededeling te doen aan de korpschef heeft eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. Verweerder heeft de zware grond 3b dan ook terecht ten grondslag gelegd aan de maatregel van bewaring. Daarnaast is ook zware grond 3c feitelijk juist. Aan eiser is immers een terugkeerbesluit en een aanvullend terugkeerbesluit uitgevaardigd, waaruit blijkt dat eiser Nederland en de Europese Unie dient te verlaten en terug dient te keren naar Marokko. Anders dan eiser meent, heeft hij geen gevolg gegeven aan het terugkeerbesluit door naar Spanje te vertrekken. Ook zware grond 3c is dus terecht ten grondslag gelegd aan de maatregel van bewaring. De zware gronden 3b en 3c zijn voldoende om de maatregel zelfstandig te dragen. Hieruit volgt het risico op onttrekking uit het toezicht. De overige gronden van de maatregel behoeven daarom geen bespreking meer.
Lichter middel en evenredigheid
5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of kon worden volstaan met een minder dwingende maatregel dan de maatregel van bewaring. Verweerder heeft volgens eiser ten onrechte geen individuele afweging gemaakt. Eiser wijst erop dat hij bereid is te vertrekken uit Nederland, dat hij bij familie in Spanje kan verblijven, dat hij een lopende procedure heeft in Spanje en dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde. De maatregel is daarnaast onevenredig zwaar. Eiser heeft een duurzame partnerrelatie met een EU-burger in Spanje en de maatregel van bewaring maakt voortzetting van de lopende aanvraag in Spanje voor een verblijfsvergunning op grond van eisers gezinsleven onmogelijk.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het risico op onttrekking te ondervangen en het daadwerkelijke vertrek van eiser naar Marokko te bewerkstelligen. Eiser heeft eerder in weerwil van een terugkeerbesluit en inreisverbod nagelaten om terug te keren naar Marokko. Ook nu geeft eiser te kennen niet terug te willen keren naar Marokko, maar dat hij naar Spanje wil vertrekken. Verweerder heeft bij zijn beoordeling terecht betrokken dat eiser echter geen rechtmatig verblijf heeft in Spanje. Verder heeft eiser geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is voor hem. Dat eiser een relatie heeft met een vrouw in Spanje is daartoe onvoldoende. Verder heeft verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat eiser de beslissing van de Spaanse autoriteiten op eisers aanvraag om aldaar het familieleven met zijn partner uit te oefenen in Marokko kan afwachten.
Zicht op uitzetting
7. Eiser voert verder aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Verweerder dient dit concreet te onderbouwen en in dit geval heeft verweerder slechts een standaardoverweging in de maatregel opgenomen, aldus eiser Daarbij komt dat het verkrijgen van een lp vaak maanden duurt en dat eiser pas naar Marokko kan worden uitgezet wanneer Spanje hem geen rechtmatig verblijf toekent.
8. Eiser wordt hierin niet gevolgd. In het algemeen ontbreekt het zicht op uitzetting naar Marokko niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is. Verweerder heeft meegedeeld dat op 25 november 2025 de lp-aanvraag van eiser is doorgestuurd naar de Marokkaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten voor eiser geen lp zullen afgeven of dat zij niet willen meewerken aan de terugkeerprocedure. Verweerder heeft zich ter zitting bovendien op het standpunt gesteld dat de terugkeerprocedure mogelijk wordt versneld nu eiser een kopie van zijn paspoort heeft overgelegd. Verder maakt, anders dan eiser meent, de door hem ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning in Spanje niet dat hij niet uitgezet kan worden naar Marokko. Zoals onder 6 reeds overwogen, kan eiser de uitkomst van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning in Spanje afwachten in Marokko.
Ambtshalve toets
9. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 9 december 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.