RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.58200 en NL25.58278
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 26 november 2025 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiseres de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 3 december 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen mr. [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Moldavische nationaliteit te hebben.
Over het terugkeerbesluit
2. Niet in geschil is dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland of elders in de Europese Unie. Verweerder heeft eerder op 15 oktober 2024 aan haar een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd. Eiseres is op 23 mei 2025 (opnieuw) Nederland ingereisd. Op 26 november 2025 heeft verweerder het onderhavige terugkeerbesluit uitgevaardigd aan eiseres.
Motivering van het besluit
3. Eiseres voert aan dat verweerder het terugkeerbesluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Allereerst heeft verweerder namelijk geen enkele motivering gewijd aan een eventueel risico op refoulement bij terugkeer naar Moldavië. Daarnaast is verweerder niet gemotiveerd ingegaan op het feit dat eiseres een dochter heeft die in Frankrijk verblijft, over wie zij tijdens het gehoor grote zorgen heeft geuit. Ook heeft verweerder ten onrechte in de motivering van het terugkeerbesluit niet benoemd dat eiseres zeer kwetsbaar overkomt en dat wordt aangenomen dat zij medische problemen heeft. Namens eiseres wordt erop gewezen dat niet uitgesloten kan worden dat zij slachtoffer is van een situatie waarin zij zichzelf niet heeft gebracht en waarin zij haar belangen niet kan overzien.
4. Eiseres wordt hierin niet gevolgd. De verklaringen van eiseres bevatten geen aanknopingspunt om een risico op refoulement te vermoeden. Gelet daarop is een nadere motivering van het terugkeerbesluit niet nodig. Tijdens het gehoor heeft eiseres namelijk uitdrukkelijk verklaard dat zij geen gevaar loopt in Moldavië. Op de vraag of zij vreest voor vervolging en/of onmenselijke of vernederende behandeling heeft zij weliswaar ‘ja zeker’ geantwoord, maar daarbij heeft zij vervolgens toegelicht dat haar dochter wordt verkracht. Eiseres heeft hiermee niet verklaard dat zij een persoonlijke vrees heeft in Moldavië. De omstandigheid dat eiseres zich warrig presenteert, inconsistent verklaart en onlogisch antwoordt op vragen, levert niet op voorhand een aanknopingspunt op dat terugkeer van eiseres naar Moldavië zal leiden tot refoulement. Eiseres heeft het door haar veronderstelde risico in verband hiermee ook niet verder onderbouwd. De verklaring van eiseres over haar dochter in Frankrijk is niet van betekenis voor de terugkeerverplichting van eiseres, aangezien eiseres geen rechtmatig verblijf heeft in de Europese Unie.
Vertrektermijn
5. Verweerder heeft in het terugkeerbesluit vermeld dat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en dat in verband daarmee een vertrektermijn wordt onthouden. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiseres betwist de zware en lichte gronden.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is zware grond 3a feitelijk juist, nu eiseres Nederland is ingereisd in weerwil van het aan haar op 15 oktober 2024 uitgevaardigde inreisverbod. De stelling van eiseres dat niet uitgesloten kan worden dat haar reis door anderen is georganiseerd en dat zij is doorgelaten bij de Nederlandse grenscontrole, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Daarnaast is ook zware grond 3b feitelijk juist, nu eiseres op 23 mei 2025 Nederland is ingereisd en geen melding heeft gemaakt bij de korpschef van haar onrechtmatige verblijf. De omstandigheid dat eiseres zich op de dag van haar inbewaringstelling heeft gemeld bij de AVIM omdat zij haar eerder ingenomen paspoort wilde terugvragen, doet er niet aan af dat zij haar onrechtmatige verblijf gedurende zes maanden niet heeft gemeld. Uit de zware gronden 3a en 3b tezamen volgt reeds het onttrekkingsrisico. De lichte gronden behoeven daarom geen bespreking meer. Verweerder heeft dan ook een vertrektermijn kunnen onthouden. In de door eiseres genoemde omstandigheden heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om hiervan af te zien.
Over de maatregel van bewaring
Grondslag en gronden van de maatregel van bewaring
8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat eiseres niet rechtmatig in Nederland verblijft en dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft hieraan dezelfde zware en lichte gronden ten grondslag gelegd als die genoemd in het terugkeerbesluit.
9. Voor zover eiseres heeft verzocht de beroepsgronden tegen het terugkeerbesluit in de bewaringsprocedure als herhaald en ingelast te beschouwen, stelt de rechtbank vast dat deze evenmin leiden tot een geslaagd beroep tegen de maatregel van bewaring. Gelet op het ontbreken van rechtmatig verblijf heeft verweerder de maatregel terecht gebaseerd op artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vw. Voor de beoordeling van de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden verwijst de rechtbank naar wat zij onder 7 heeft overwogen. Aangezien de zware gronden 3a en 3b terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en de maatregel van bewaring zelfstandig kunnen dragen, hoeven de gronden geen verdere bespreking.
Lichter middel en evenredigheid
10. Namens eiseres is aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Daarbij is erop gewezen dat eiseres kenbaar heeft gemaakt dat zij wil meewerken aan terugkeer. Daarnaast had verweerder eiseres om humanitaire redenen in vrijheid moeten stellen: zij heeft een dochter in Frankrijk en eiseres heeft de overtuiging dat zij haar dochter moet redden. Ook eiser is mogelijk slachtoffer van uitbuiting. Er wordt aangenomen dat sprake is van psychische problematiek. Het was dan ook niet passend om eiseres in bewaring te stellen.
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Daarbij heeft verweerder terecht onder meer van belang geacht dat eiseres heeft Nederland illegaal is ingereisd en haar onrechtmatige verblijf niet heeft gemeld. Eiseres is eerder op 8 november 2024 uitgezet naar Moldavië, op 4 april 2025 is haar de toegang tot Nederland geweigerd en op 23 mei 2025 is zij Nederland ingereisd. Verweerder heeft er op gewezen dat eiseres zegt niet onder medische behandeling te zijn. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat eiseres indien nodig ook in het detentiecentrum toegang heeft tot eventueel noodzakelijke medische zorg. Voor zover eiseres heeft bepleit dat ze op 26 november 2025 de AVIM heeft bezocht omdat ze zelf terug wil naar Moldavië is dat onvoldoende aannemelijk geworden. Eiseres is immers op 23 mei 2025 is in strijd met het aan haar uitgevaardigde inreisverbod ingereisd en zij heeft maanden in Nederland verbleven zonder dat is gebleken van enige poging tot terugkeer naar Moldavië. Verweerder heeft er ook op gewezen dat eiseres tijdens het vertrekgesprek op 2 december 2025 heeft verklaard dat zij niet naar Moldavië wil terugkeren. Verweerder heeft in de enkele verklaring van eiseres dat zij een dochter heeft die in Frankrijk verblijft ook geen aanleiding hoeven vormen om een lichter middel toe te passen. Zoals onder 4 is overwogen, heeft eiseres geen rechtmatig verblijf in de Europese Unie.
Verblijf in politiecel
12. Voor zover namens eiseres is aangevoerd dat op basis van het dossier niet gecontroleerd kan worden hoe lang eiseres in een politiecel heeft verbleven, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat eiseres op 27 november 2025 om 12:59 uur is geregistreerd in het detentiecentrum te [plaats]. Hieruit kan worden afgeleid dat eiseres niet langer dan 24 uur in een politiecel heeft verbleven.
Ambtshalve toets
13. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is.
Conclusie
14. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af..
Deze uitspraak is gedaan op 9 december 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.