[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 24 januari 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 februari 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 25 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser is niet ter zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Eerdere asielaanvraag
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft de Gambiaanse nationaliteit.
Eiser heeft voor het eerst op 1 februari 2020 een asielaanvraag in Nederland gedaan. Deze aanvraag werd niet in behandeling genomen omdat Italië voor de aanvraag verantwoordelijk was. Omdat eiser echter niet op tijd aan Italië was overgedragen heeft verweerder alsnog de aanvraag van eiser in behandeling genomen. Eiser heeft hierbij – in het kort – verklaard dat hij een hoge schuld van zijn overleden vader overgenomen heeft die hij ondanks pogingen daartoe niet af heeft kunnen betalen. Dit heeft geleid tot doodsbedreigingen vanuit de schuldeisers waardoor eiser is gevlucht. Met het besluit van 8 november 2021 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen. Hiertegen heeft eiser beroep en hoger beroep ingesteld, die ongegrond zijn verklaard. De eerdere weigering eiser asiel te verlenen, staat daarmee in rechte vast.
Huidige asielaanvraag
3. Eiser heeft aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn eerdere situatie nog steeds van kracht is. Sinds 2021 heeft eiser niets meer vernomen over de situatie met de schuldeisers in Gambia. Daarbij heeft eiser sinds zijn eerdere afwijzing psychische klachten ontwikkeld waarvoor hij een behandeling volgt. Bij terugkeer naar Gambia vreest eiser gedood te worden door de schuldeisers.
In de correcties en aanvullingen die eiser bij zijn zienswijze heeft ingediend, heeft eiser de volgende aanvullingen gedaan. Volgens eiser is van belang dat hij geen contact meer heeft met zijn familie in Gambia en niet weet waar zij momenteel verblijven. Daarnaast heeft een Gambiaanse vriend uit Arnhem in Gambia kunnen bevestigen dat zijn familie – te weten zijn vader, moeder, twee zussen en één broer – niet langer in hun huis woont en is vertrokken. Het kan niet anders dan dat de schuldeisers dit hebben veroorzaakt.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft geen nieuwe elementen of bevindingen uit het asielrelaas van eiser herleid. Verwezen wordt naar het gehoor waarin eiser zelf heeft aangegeven geen nieuwe feiten of documentatie te hebben en dat zijn verhaal hetzelfde is als de vorige keer. Hierbij vindt verweerder van belang dat eiser pas in vreemdelingenbewaring zijn asielaanvraag heeft ingediend, de eerdere afwijzing waarin eisers asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden onherroepelijk is geworden en er meerdere jaren sinds zijn vorige aanvraag zijn verstreken. De aanvullingen van eiser die in de zienswijze zijn aangevoerd worden door verweerder ook niet als nieuwe elementen of bevindingen beschouwd. De omstandigheden dat eisers familie is vertrokken en eiser geen contact meer met ze heeft, kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Eiser had tijdens zijn vorige aanvraag immers ook geen contact meer met hun, hij heeft niet onderbouwd dat hen iets aangedaan zou zijn en eiser is vaag over wat de Gambiaanse vriend precies heeft gedaan en waargenomen. Ook wordt eiser aangerekend dat hij dit niet tijdens het gehoor heeft verteld. Verder heeft eiser eerder aanhoudend verklaard dat zijn vader was overleden. De toevoeging van eiser staat hier haaks op. Over de psychische problemen heeft verweerder daarnaast aangegeven dat een opvolgende aanvraag niet wordt getoetst aan artikel 64 van de Vw 2000. Daarbij heeft eiser zijn klachten niet verder onderbouwd of aangegeven wat de relevantie hiervan is voor zijn asielaanvraag. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Tot slot wordt opgemerkt dat eiser eerder al een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen welke nog steeds van kracht is en hem nu ook een inreisverbod van twee jaar wordt opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Verweerder heeft ten onrechte de verdwijning van eisers familie, het gebrek aan sociaal vangnet bij terugkeer en de verslechterde psychische toestand van eiser, niet als nieuwe elementen of bevindingen aangemerkt. De ontdekking van de Gambiaanse vriend vormt daarbij een objectieve bevestiging van het verdwijnen van de familie. Dat de vader in de aanvullingen is genoemd is daarbij een fout en dit neemt niet weg dat het kerngezin is gevlucht. Het gebrek aan sociaal vangnet vindt eiser daarnaast van belang gezien zijn psychische klachten. Ook zijn eisers psychische klachten onderbouwd met een brief van 9 december 2024 van de behandelend psycholoog van ARQ. Hierin is benoemd dat eiser PTSS heeft. Dit leidt er ook toe dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 64 van de Vw 2000 en artikel 3 van het EVRM. Eiser verkeert in een ernstige medische toestand met acute suïcidale gedachten en onbehandelde psychische problemen wat de risico’s bij terugkeer verhoogt. Verder heeft verweerder ten onrechte geen belangenafweging gemaakt voor de handhaving van het terugkeerbesluit en het opleggen van het inreisverbod. Het opleggen van een inreisverbod zou daarbij een schending van artikel 3 van het EVRM, artikel 7 van het EU-Handvest en de zorgplicht van de staat opleveren, omdat eiser zich dan geen toegang meer kan verschaffen tot zorg binnen de EU. Verweerder heeft ook op basis van artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn moeten onderzoek of er in het land van herkomst adequate, passende zorg beschikbaar is. Door dit niet te doen heeft verweerder zich niet gehouden aan zijn vergewisplicht.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Nieuwe elementen of bevindingen
6. Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een opvolgende asielaanvraag beoordeelt verweerder of er sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de aanvraag. Deze beoordeling moet daarbij gebeuren aan de hand van twee fasen. In de eerste fase moet onderzocht worden of er nieuwe elementen of bevindingen zijn die verband houden met de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. In de tweede fase moet verweerder beoordelen of die nieuwe elementen of bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Een nieuw element of nieuwe bevinding is niet relevant als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan de overwegingen van het eerder genomen besluit.
Verweerder heeft naar oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de verklaringen van eiser geen nieuwe elementen of bevindingen bevatten die relevant zijn voor zijn asielaanvraag. Verweerder heeft voorop kunnen stellen dat eiser aanvankelijk zelf heeft verklaard geen nieuwe feiten te hebben, slechts dat de eerdere situatie nog steeds voortduurt. De eerdere verklaringen over de gestelde problemen met de schuldeisers zijn daarbij ongeloofwaardig geacht. Dit staat in rechte vast. De aanvullingen zoals weergegeven onder rechtsoverweging 3.1 hoefde verweerder niet aan te merken als relevante nieuwe elementen of bevindingen. Weliswaar kan het vertrek van de familie als ‘nieuw’ worden beschouwd in de zin van een nieuwe ontwikkeling, maar dit is niet zonder meer relevant voor de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft daarbij terecht gewezen op het feit dat de verklaring van de vriend van eiser summier en vaag is, zodat daaruit niet afgeleid kan worden hoe hij heeft vastgesteld dat de familie van eiser daadwerkelijk is vertrokken, laat staan dat daarmee inzicht wordt gegeven in de reden of de omstandigheden waaronder het gestelde vertrek zou hebben plaatsgevonden. Hierom al kan de verklaring niet bijdragen aan de onderbouwing van het eerder ongeloofwaardig geachte asielrelaas van eiser, nog daargelaten dat deze niet afkomstig is uit een objectieve bron. Verweerder heeft verder tegengeworpen dat het gebrek aan contact tussen eiser en zijn familie ook in de vorige procedure al speelde en alleen al daarom niet nieuw is. Eiser heeft dit in zoverre niet weersproken.
Voor zover eiser betoogt dat de aangevoerde medische omstandigheden het eerdere asielrelaas onderbouwen volgt de rechtbank dit niet. Hierbij is van belang dat het feit dat bij eiser PTSS is vastgesteld onverlet laat dat hier vele mogelijke oorzaken voor kunnen zijn. De stelling dat het trauma het gevolg is van de gebeurtenissen die eiser heeft benoemd in zijn eerdere relaas, is een aanname die niet zonder meer kan worden gevolgd.
Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder terecht geen nieuwe relevante elementen of bevindingen uit het aanvullende asielrelaas van eiser heeft herleid, heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk kunnen verklaren op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
Medische omstandigheden
7. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij zijn medische omstandigheden primair heeft ingebracht als bijzondere omstandigheid binnen de asielprocedure waarmee rekening gehouden moet worden in het kader van artikel 3 van het EVRM. Niet zozeer als reden om uitstel van vertrek om medische redenen in de zin van artikel 64 van de Vw 2000. Hiervoor wordt volgens de gemachtigde gekeken naar de mogelijkheid voor een aparte aanvraag.
De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) in de zaak M’Bodj tegen de Belgische Staat van 18 december 2014 en een uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 30 juni 2017. Hieruit volgt dat verweerder geen verblijfsvergunning asiel kan verlenen als een vreemdeling geen reëel risico loopt als bedoeld in artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn. Medische omstandigheden kunnen daarbij slechts leiden tot ernstige schade in de zin van de Kwalificatierichtlijn als er sprake is van een situatie waarin medische zorg in het land van herkomst opzettelijk door een actor wordt geweigerd. Dit is gesteld noch gebleken. Voor wat betreft eventuele medische redenen die zich verzetten tegen uitzetting van eiser naar zijn land van herkomst, al dan niet in de zin van artikel 3 van het EVRM, heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser hiervoor een aanvraag kan doen voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Ten slotte geldt dat uit de medische stukken die eiser in deze procedure heeft overgelegd niet blijkt dat de uitzetting van eiser kennelijk strijd zal opleveren met artikel 3 van het EVRM als gevolg waarvan het eerder genomen terugkeerbesluit niet meer kan worden gehandhaafd.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
8. De rechtbank stelt voorop dat het terugkeerbesluit niet met het bestreden besluit is opgelegd en inmiddels in rechte vast staat. Dit is door eiser ook niet betwist. Verweerder heeft daarnaast in het besteden besluit voldoende toegelicht dat er niet ambtshalve wordt getoetst aan artikel 64 van de Vw 2000 nu het een opvolgende asielaanvraag betreft. Ten aanzien van het inreisverbod heeft eiser aangevoerd dat dit de toegang tot noodzakelijke medische zorg in de EU zou verhinderen, wat een schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM, artikel 7 van het EU Handvest en de zorgplicht van de staat. De rechtbank merkt op dat niet is gebleken dat eiser afhankelijk is van medische zorg binnen Nederland, dan wel de EU, of dat eiser de nodige zorg niet in zijn land van herkomst kan krijgen. Te meer nu eiser volgens de door hem ingebrachte brief van ARQ van 9 december 2024, sinds november 2024 niet meer onder behandeling is voor zijn PTSS omdat eiser eerst zijn cannabisgebruik moet verminderen. Daar komt bij dat eiser desgewenst de mogelijkheid heeft om een verblijfsvergunning voor medische behandeling aan te vragen, waarbij het inreisverbod zo nodig opnieuw beoordeeld en ingetrokken kan worden. Van een onredelijke benadeling of schending van de door eiser genoemde artikelen, is naar oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag niet ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser Nederland moet verlaten.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.