[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.I. Latul).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buiten behandelingstelling van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 27 januari 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 15 februari 2025 deze aanvraag buiten behandeling gesteld.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 25 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Omdat de rechtbank vond dat het onderzoek nog niet volledig was, heeft de rechtbank het onderzoek heropend en hierbij verweerder om aanvullende informatie verzocht. Verweerder heeft op de vragen van de rechtbank gereageerd. Eiser heeft op zijn beurt een schriftelijke reactie gegeven waarna het onderzoek zonder nadere zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Turkse nationaliteit.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld omdat eiser tot tweemaal toe heeft geweigerd deel te nemen aan zijn gehoor. Eiser was geïnformeerd dat hij op 12 februari 2025 gehoord zou worden met een videoverbinding over zijn asielmotieven. Hij heeft die dag via de bewaarders bij de hoormedewerker aangegeven te ziek te zijn voor het gehoor. Dit is rond 9:00 uur die dag gebeurd en vervolgens nog een keer bij de poging later op die dag omstreeks 13:00 uur. Omdat eiser tot twee keer toe niet zelf voor de camera is verschenen en geen toelichting heeft gegeven over waarom hij niet gehoord kon worden, wordt dit eiser aangerekend. Ook wordt eiser aangerekend dat hij niet tijdig heeft aangegeven dat hij niet aan het gehoor kon deelnemen. Daar komt bij dat eiser heeft geweigerd om met MedTadvies in gesprek te gaan voor een medische keuring voorafgaand aan zijn gehoor.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Eiser betoogt dat hij niet heeft geweigerd deel te nemen aan zijn gehoor, maar dat hij daar niet toe in staat was. Hij kampt namelijk met ontwenningsverschijnselen door verslavingsproblematiek en hevige pijnklachten die worden verergerd doordat eiser in detentie een lagere dosering medicatie krijgt. Het is volgens eiser dan ook onterecht dat verweerder hem aanrekent dat hij niet zelf aan de hoormedewerker zijn afmelding voor het gehoor heeft doorgegeven dan wel heeft toegelicht. Daarnaast merkt eiser op dat beide hoorpogingen op dezelfde dag waren. Verweerder kan dan moeilijk volhouden dat eiser tot twee keer toe een gehoor heeft geweigerd. Ook stelt eiser dat – ondanks dat zijn gemachtigde om een medisch onderzoek heeft gevraagd – er geen medisch adviseur bij hem is langs geweest en wijst hij op enkele fouten in het onderzoeksformulier van MedTadvies. Zo staat bij de spreektaal “Turks” genoemd, terwijl eiser vloeiend Nederlands spreekt. Gelet op hierop is volgens eiser voldoende duidelijk dat er geen sprake is geweest van een impliciete intrekking van zijn asielaanvraag of impliciet afzien van de behandeling, waardoor verweerder zijn aanvraag niet buiten behandeling heeft kunnen stellen. Bovendien heeft een vreemdeling, zelfs al zou dit anders zijn, de mogelijkheid om alsnog om behandeling te verzoeken, wat verweerder naar aanleiding van de zienswijze had moeten doen. Eiser wijst er ook op dat eerder al is geoordeeld dat artikel 28 van de Procedurerichtlijn niet goed is geïmplementeerd in de nationale wetgeving. De handelwijze van verweerder in deze door dergelijke zware consequenties te verbinden aan niet verschijnen is daarnaast in strijd met wat de EU-wetgever beoogt. Verweerder had eisers aanvraag niet zonder meer buiten behandeling kunnen stellen en had moeten toestaan dat hij zich ook via de bewaarder kon afmelden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten vast. Op 7 februari 2025 heeft de gemachtigde van eiser per mail bij de Senior van Dienst van het Aanmeldcentrum Schiphol om een medische keuring ten behoeve van eiser gevraagd. Op 11 februari 2025 heeft MedTadvies eiser met een videoverbinding voor een keuring willen zien maar heeft eiser, volgens het adviesformulier, geweigerd toestemming voor een keuring te geven. Dit staat niet vermeld op het onderzoeksformulier van MedTadvies, dat tijdens de keuring werd gebuikt voor het uiteindelijke advies. Op 12 februari 2025 is eiser opgeroepen voor zijn nader gehoor om te kunnen verklaren over zijn asielmotieven. Eiser is die dag volgens het hoorverslag twee keer opgeroepen, om 9:00 uur en om 13:10 uur, en op beide momenten heeft eiser – met tussenkomst van een bewaarder – aangegeven ziek te zijn. Hierbij heeft hij ook geen gehoor gegeven aan het verzoek alsnog voor de camera te verschijnen om dit toe te lichten.
Met haar heropening heeft de rechtbank verweerder opgedragen om bij MedTadvies na te gaan wat zich op 11 februari 2025 heeft voorgedaan, omdat verweerder hier ter zitting geen antwoord op had en eiser met klem betoogt niet te zijn gezien door een arts of verpleegkundige. De rechtbank hechtte hier ook belang aan omdat verweerder ter zitting heeft toegelicht mede geen aanleiding te hebben gezien om op een andere dag nogmaals te horen, omdat eiser de door zijn gemachtigde aangevraagde medische keuring ook al had geweigerd. Hierop heeft verweerder de rechtbank voorzien van een brief van MedTadvies. De stafarts, mevrouw [naam] , heeft hierin toegelicht dat het gebruikelijk is dat het onderzoeksformulier op voorhand wordt ingevuld met al bekende informatie uit hun systemen, via collega’s of de planning. Deze informatie wordt in het gesprek dan geverifieerd en zo nodig aangepast. Verder blijkt uit interne informatie dat eiser aan de verpleegkundige via een bewaarder heeft doorgegeven dat hij het gesprek dat via videoverbinding zou plaatsvinden “niet wil of kan houden, omdat hij zich ziek voelt.” De verpleegkundige heeft eiser niet zelf gezien of gesproken en heeft ook de op het onderzoeksformulier vermelde informatie niet kunnen nagaan bij hem.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de brief van MedTadvies te twijfelen, mede omdat eiser de toelichting van MedTadvies in zoverre niet inhoudelijk heeft betwist of een andere gang van zaken heeft onderbouwd. Vaststaat daarmee dat eiser zichzelf, net als voor het gehoor op 12 februari 2025, heeft ziekgemeld via een bewaarder en niet voor zijn medische keuring op 11 februari 2025 is verschenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan dit samenstel van omstandigheden de conclusie mocht verbinden dat eiser niet is verschenen bij zijn gehoor en dat hij niet binnen twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen. Verweerder mocht daarom op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 de aanvraag buiten behandeling stellen. Weliswaar is niet in geschil dat eiser last had van pijnklachten vanwege afkickverschijnselen en daar medicatie voor kreeg, maar gesteld noch gebleken is dat op 11 en 12 februari 2025 sprake was van een dusdanige verslechtering van de klachten van eiser, dat hij – anders dan bij eerdere afspraken – in het geheel niet kon verschijnen, ook niet om aan te geven dat hij zich te slecht voelde om langere tijd bevraagd of gehoord te worden en te bezien wat de mogelijkheden waren om met die situatie om te gaan. Eiser heeft evenmin gepoogd om met tussenkomst van zijn advocaat de situatie te verduidelijken en te kijken of het mogelijk was om tot alternatieve afspraken te komen. Voor zover eiser niet op de hoogte was van de mogelijke gevolgen van het niet verschijnen op de afgesproken tijdstippen, geldt dat dit voor zijn rekening en risico komt.
De stelling van eiser dat er mogelijk sprake is geweest van een persoonsverwisseling, dan wel dat dit niet uit te sluiten valt, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft ter zitting op een brief gewezen die hij heeft gehad in reactie op zijn klacht aan de Commissie van Toezicht over zijn medicatie. Het enkele feit dat hierin wordt aangegeven door de directie van het detentiecentrum in Rotterdam dat eiser daar niet zou verblijven, terwijl hij daar wel verblijft, maakt niet zonder meer aannemelijk dat ook een fout is gemaakt bij het ophalen van eiser voor het medisch onderzoek. Hetgeen eiser in dit kader verder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
De verwijzing van eiser naar de conclusie van Advocaat-Generaal Medina leidt evenmin tot een ander oordeel. De inhoud van deze conclusie ziet op het verplicht stellen van het in persoon verschijnen in beroep (“appeal”) ten overstaan van het orgaan dat daarop beslist. Dat staat hier niet ter discussie en eiser heeft niet gemotiveerd hoe dit afdoet aan het bestreden besluit. Het beroep van eiser op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 26 juni 2024 treft ook geen doel. Hierin is geoordeeld dat de mogelijkheid voor verweerder om een aanvraag in een situatie als genoemd in artikel 28 van de Procedurerichtlijn af te wijzen als kennelijk ongegrond, niet is geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Wel heeft verweerder de mogelijkheid de asielaanvraag buiten behandeling te stellen, zoals hier is gebeurd. Daarbij geeft artikel 28, tweede lid, van de Procedurerichtlijn niet aan dat verweerder gehouden is om eisers aanvraag alsnog in behandeling te nemen omdat eiser nu expliciet aangeeft dat hij zijn asielaanvraag alsnog behandeld wil zien, zoals eiser in zijn gronden betoogt. Dit ziet immers op de situatie van een nieuwe aanvraag nadat er een besluit tot buiten behandelingstelling is genomen.
Conclusie en gevolgen
4. Verweerder mocht de asielaanvraag van eiser buiten behandeling stellen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.