[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.I. Latul).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 15 januari 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 februari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 25 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Morina als tolk, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Eerdere asielaanvragen
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1971 en heeft de Kosovaarse nationaliteit. Hij heeft op 31 januari 2024 zijn eerste asielaanvraag in Nederland gedaan. Aan deze aanvraag heeft eiser – in het kort – ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is, structureel werd gediscrimineerd, en meermaals is mishandeld en verkracht. Hierbij heeft hij aangegeven bij terugkeer te vrezen voor Wahabisten. Verweerder heeft deze asielaanvraag afgewezen met het besluit van 16 februari 2024. Hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend waardoor het besluit in rechte vaststaat.
Op 26 juli 2024 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag gedaan nadat hij door de Franse autoriteiten aan Nederland is overgedragen voor de behandeling van zijn asielaanvraag. In deze procedure heeft eiser – in het kort – als nieuwe feiten aangedragen dat hij sinds zijn vorige aanvraag in Nederland is bedreigd door Albanezen, dat foto’s van hem met een andere man in bed naar Kosovo zijn gestuurd en dat hij door de zonen van politici waar eiser in het verleden een relatie mee heeft gehad, wordt bedreigd omdat zij vrezen dat hij dit bekendmaakt. Daarbij wordt eiser door de familie verantwoordelijk gehouden voor de dood van een politicus omdat hij een hartstilstand zou hebben gehad door de angst dat eiser hun eerdere relatie bekend zou maken. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen met het besluit van 8 augustus 2024. Ook hiertegen heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend waardoor dit besluit in rechte vast staat.
Op 21 augustus 2024 heeft verweerder een nieuw verzoek van de Franse autoriteiten gehad om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen nadat eiser daar een aanvraag had gedaan. Verweerder heeft dit verzoek akkoord bevonden waarna eiser aan Nederland is overgedragen.
Huidige asielaanvraag
3. Eiser heeft het volgende aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd. In mei 2024 heeft eiser [naam] ontmoet, die overdag werkte voor een LHBTI-organisatie en ’s nachts werkte als prostitué. Op datzelfde moment had eiser een relatie met een Afghaanse man met wie hij op termijn wilde trouwen. [naam] wilde eiser voor zichzelf hebben en dat eiser ’s nachts met hem zou werken, maar eiser wilde dit niet. [naam] is op enig moment naar Kosovo gegaan waar hij eisers oom op de hoogte heeft gebracht van eisers plannen om met de Afghaanse man te trouwen. Hierop is de oom naar Straatsburg gekomen om eiser op te zoeken. Een bekende van eiser heeft hem hiervan op de hoogte gebracht en eiser heeft een week in Dijon verbleven om zijn oom te ontlopen. Eiser heeft aangifte gedaan tegen [naam] wat heeft geleid tot doodsbedreigingen van [naam] . Vanwege de berichtgeving van [naam] in Kosovo hebben ook enkele extremistische moslimmannen in oktober 2024 eisers Kosovaarse woning vernield en spullen van hem verbrand, en de belofte geuit dat ze eiser zullen vinden. Bij terugkeer vreest eiser voor zijn leven.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. De dreiging door [naam] en de daaruit voortvloeiende problemen worden niet geloofd. Hiervoor stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser geen objectieve documenten heeft overgelegd om zijn asielrelaas te onderbouwen. Ook niet een kopie van de aangifte tegen [naam] die eiser zei te hebben noch een proces-verbaal hiervan dat eiser in zijn zienswijze heeft genoemd. Daarnaast vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo is het ongeloofwaardig dat [naam] eiser zou dwingen tot prostitutie, is de manier waarop [naam] achter de woonplaats van eisers oom zou zijn gekomen ongeloofwaardig en is ook niet geloofwaardig dat [naam] eisers oom zou vertellen dat eiser met een Afghaanse man zou gaan trouwen. Daarbij heeft eiser ongerijmd verklaard over de bedreiging door de extremistische moslimmannen en zijn eisers problemen met hun ongeloofwaardig. Ook kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Verweerder heeft verder geoordeeld dat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst, dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico op ernstige schade niet wordt aangenomen. De asielaanvraag wordt daarbij afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser uit een veilig land van herkomst afkomstig is, omdat de asielaanvraag een opvolgende asielaanvraag betreft die niet niet-ontvankelijk is verklaard en omdat eiser de asielaanvraag enkel heeft ingediend om uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen. Aan eiser is tot slot eerder al een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd die nog steeds gelden.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Voorop staat dat een vreemdeling in bewaring niet vrij beschikt over zijn persoonlijke spullen. Eiser heeft hierdoor niet eerder stukken ter beschikking kunnen stellen die hij wel in zijn bezit had. In beroep legt eiser alsnog een proces-verbaal over dat zijn asielrelaas onderbouwt waardoor de motivering van het bestreden besluit geen stand kan houden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Eiser heeft in beroep primair aangevoerd dat het hierbij overgelegde proces-verbaal van de aangifte die eiser tegen [naam] heeft gedaan, zijn asielrelaas onderbouwt en het relaas daarmee geloofwaardig bevonden moet worden.
Verweerder heeft ter zitting voldoende gemotiveerd dat het proces-verbaal dat eiser eerst in beroep heeft ingediend geen doorslaggevend verschil maakt voor de beoordeling en dat er geen aanleiding is om het te laten onderzoeken op echtheid. Verweerder heeft er namelijk terecht op gewezen dat, zelfs al zou worden aangenomen dat het proces-verbaal echt is, het slechts een weergave van eisers verklaring is en het daarbij maar ziet op een deel van eisers relaas. Dit document maakt daarom niet zonder meer dat het relaas van eiser geloofwaardig moet worden geacht, gelet op hetgeen verweerder daarover in het bestreden besluit heeft opgemerkt. Daarbij is van belang dat eiser niet gemotiveerd heeft betwist dat de aanvulling op zijn eerdere relaas wederom vage en ongerijmde verklaringen bevat, en hij evenmin een verklaring heeft gegeven voor de inconsistenties, vaag- en ongerijmdheden die zijn vastgesteld in de eerdere asielprocedures, terwijl zijn huidige relaas voortbouwt op hetgeen hij in die eerdere procedures heeft verklaard. Dit alles maakt dat aan het proces-verbaal niet de waarde toekomt die eiser daaraan toegekend wenst te zien. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat Kosovo als veilig land van herkomst heeft te gelden en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat – ook als uitgegaan wordt van zijn seksuele gerichtheid – het voor hem desalniettemin onveilig is.
Verder heeft eiser ter zitting nadrukkelijk gewezen op de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, over de nieuwe werkinstructie (WI) 2024/6 waar verweerder in zijn voornemen naar heeft verwezen. Hierin zijn prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) over de rechtmatigheid van onderdelen uit deze werkinstructie van verweerder.
Voor zover eiser hiermee de rechtbank verzoekt om de zaak aan te houden in afwachting van de reactie van het Hof, ziet de rechtbank hiertoe geen aanleiding. Voorop staat dat eiser in detentie zit wat noopt tot een snelle afhandeling van het beroep. Daar komt bij dat eiser niet verder heeft toegelicht waaruit blijkt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals door verweerder in deze zaak toegepast, zich niet zou verenigen met WI 2024/6 of met het Unierecht. Bovendien heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank op 6 maart 2025 geoordeeld dat WI 2024/6 op zichzelf niet in strijd is met het Unierecht en dat beoordeeld dient te worden of verweerder in een concrete zaak met alle relevante omstandigheden rekening heeft gehouden. Nu verweerder in deze zaak in is gegaan op alle relevante omstandigheden, ziet de rechtbank in deze beroepsgrond geen aanleiding om het bestreden besluit onrechtmatig te achten.
Ter zitting heeft eiser ten slotte aangegeven dat informatie over zijn verklaring opgevraagd kan worden bij de Nederlandse ambassade in Kosovo. Het is aan eiser om alle elementen ter staving van zijn relaas in te brengen. Eiser heeft eerder de asielprocedure doorlopen en is tijdens zijn gehoor op het belang van onderbouwende documentatie gewezen. Naar oordeel van de rechtbank lag het op de weg van eiser zelf om – al dan niet via zijn gemachtigde – contact met de ambassade te zoeken en zo mogelijk de nodige informatie te verzamelen. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel.
Conclusie en gevolgen
7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser Nederland moet verlaten.
Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.