RECHTBANK DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JB/b
Zaaknummer: 11634905 \ RL EXPL 25-6504
Vonnis van 13 november 2025
in de zaak van
[eisende partij] , h.o.d.n. [handelsnaam],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. M. Leung,
tegen
de besloten vennootschap BTX AANNEMERSBEDRIJF B.V.,
te De Lier,
gedaagde partij,
hierna te noemen: BTX,
gemachtigde: mr. Y. Habib.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met productie 1 t/m 4 van 4 maart 2025;
de conclusie van antwoord van 4 juni 2025;
de akte aanvullende producties van de zijde van [eisende partij] .
Op 15 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij voor [eisende partij] is verschenen [naam 1] . Voor BTX is verschenen [naam 2] , bijgestaan door mr. Y. Habib. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de datum van de uitspraak van dit vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten
Tussen [eisende partij] en BTX bestond een overeenkomst van aanneming van werk uit hoofde waarvan [eisende partij] voor BTX werkzaamheden heeft verricht.
[eisende partij] heeft tegen betaling van € 155,00 per maand gereedschap van BTX gebruikt. Ook heeft [eisende partij] een woning van BTX gehuurd voor een bedrag van € 500,00 per maand.
3. Het geschil
[eisende partij] vordert veroordeling van BTX tot betaling van een bedrag van € 3.194,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 4 maart 2025 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van BTX in de proceskosten. Deze vordering bestaat uit een hoofdsom van € 2.654,55, een bedrag van € 390,46 aan incassokosten en een bedrag van € 149,62 aan wettelijke handelsrente.
[eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat tussen partijen een mondelinge overeenkomst van aanneming bestaat uit hoofde waarvan hij werkzaamheden heeft verricht voor BTX. Voor de door [eisende partij] uitgevoerde werkzaamheden heeft [eisende partij] facturen aan BTX gestuurd, die BTX onbetaald heeft gelaten. Doordat BTX ondanks aanmaning en sommatie in gebreke is gebleven met betaling van de facturen, zag [eisende partij] zich genoodzaakt zijn vordering uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken.
BTX voert verweer. BTX concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
BTX beroept zich op verrekening. Volgens BTX zijn de betalingen die [eisende partij] verschuldigd was voor de huur van de woning en het gebruik van het gereedschap, verrekend met de bedragen die BTX aan [eisende partij] verschuldigd was voor zijn werkzaamheden.
BTX vordert voorwaardelijk veroordeling van [eisende partij] tot een bedrag van € 2.861,75. BTX legt hieraan ten grondslag dat zij – voor zover de vordering van [eisende partij] wordt toegewezen – een bedrag van € 2.465,00 te vorderen heeft van [eisende partij] . Dit betreft een zestal facturen die zijn gestuurd voor de huur en/of de vergoeding voor het gebruik van het gereedschap van BTX. Tevens maakt zij aanspraak op een bedrag van € 396,75 aan buitengerechtelijke incassokosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De kern van dit geschil richt zich op de vraag of een verrekening heeft plaatsgevonden waardoor BTX niets meer is verschuldigd aan [eisende partij] .
BTX heeft ter zitting verduidelijkt dat [eisende partij] in het begin het bedrag aan huur en aan vergoeding voor het gereedschap aftrok van zijn eigen facturen. Op een gegeven moment verbleef [eisende partij] nog wel in de woning van BTX en gebruikte hij gereedschap van BTX, maar verrichtte hij geen werkzaamheden meer voor BTX. Hierom heeft BTX hetgeen zij van [eisende partij] te vorderen had, verrekend met hetgeen BTX voor door hem verrichte werkzaamheden nog aan [eisende partij] was verschuldigd. Door BTX is dan ook op 6 februari 2025 een bedrag van € 1.272,00 aan Koryicinski nabetaald. Hiermee heeft BTX ook nog een bedrag extra aan [eisende partij] betaald om het dossier te sluiten. Door de gemachtigde van [eisende partij] is hier op de mondelinge behandeling niets tegenin gebracht. Dit betekent dat vast is komen te staan dat een verrekening heeft plaatsgevonden en dat BTX geen bedrag meer is verschuldigd aan [eisende partij] . De vordering van [eisende partij] zal dus worden afgewezen.
Omdat de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan, is een beslissing daarop niet aan de orde.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BTX worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
€
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
595,00
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 595,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2025.