RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer: C/09/679743 / HA ZA 25-130
Vonnis van 9 juli 2025
in de zaak van
[partij A] , te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk,
tegen
[partij B] , te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. R.W. van den Hoek te Leiden.
Partijen worden hierna ‘ [partij A] ’ en ‘ [partij B] ’ genoemd.
1. Samenvatting
Deze zaak gaat over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de inmiddels beëindigde samenleving van partijen, in het bijzonder over de verdeling van de gemeenschappelijke woning. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [partij B] om in de gelegenheid te worden gesteld om de woning – indien mogelijk – over te nemen zwaarder moet wegen dan het belang van [partij A] om een zo hoog mogelijke opbrengst uit de verkoop te realiseren. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [partij A] in de onderlinge verhouding tussen partijen voor een deel van de gezamenlijke hypotheekschuld geheel draagplichtig is. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 3 februari 2025 met producties 1 tot en met 10;
de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van 26 maart 2025 met producties 1 tot en met 10;
de conclusie van antwoord in reconventie van 7 mei 2025 met producties 11 tot en met 15.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2025. Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.
Ten slotte is de datum bepaald waarop dit vonnis wordt gewezen.
3. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn sinds 13 april 2015 ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van een woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: ‘de woning’).
[partij A] heeft de woning per 1 mei 2024 verlaten. [partij B] is in de woning blijven wonen.
De gezamenlijke hypotheekschuld bedroeg per 1 augustus 2024 € 309.156,40. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Annuïteitenhypotheek: € 197.506,40;
Aflossingsvrije hypotheek: € 111.650,00.
4. Het geschil
In conventie
[partij A] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [partij B] veroordeelt mee te werken aan de verkoop en levering van de woning aan een derde, door een NVM-geregistreerde makelaar, bij voorkeur een makelaar van [makelaar] te Katwijk, dan wel een andere door gedaagde aangedragen en door eiser geaccordeerde makelaar in Katwijk, tegen een vraagprijs van € 675.000,00, dan wel een door genoemde makelaar geadviseerde vraagprijs:
a. door middel van het binnen vijf werkdagen na het eerste verzoek van de makelaar ondertekenen van de verkoopopdracht van de makelaar en door vervolgens onverwijld alle adviezen en aanwijzingen van de makelaar aan partijen op te volgen;
b. door middel van het meewerken aan de verkoop van de woning aan de potentiële koper die volgens de makelaar een reëel bod op de woning heeft uitgebracht en ten aanzien van welk bod de makelaar partijen schriftelijk adviseert om die te aanvaarden, en vervolgens binnen vijf dagen na het eerste verzoek de schriftelijke koopovereenkomst te tekenen op de door de makelaar aangegeven wijze;
c. door middel van het meewerken aan de notariële overdracht van de woning aan de koper conform de met de koper gesloten koopovereenkomst door alles te doen en niets na te laten in verband met de verzoeken van de notaris, waaronder die in verband met de vaststelling van de identiteit van [partij B] , en te verschijnen op uitnodiging van de notaris teneinde de leveringsakte te doen passeren;
d. door middel van het geheel ontruimen van de woning en leeg opleveren van de woning aan de koper conform gesloten koopovereenkomst;
e. door alles te doen en niets na te laten dat noodzakelijk is voor de verkoop en levering van de woning aan de kopers overeenkomstig de bepalingen in de koopovereenkomst en de aflossing van de hypothecaire schulden van partijen;
f. door medewerking te verlenen aan de verdeling van het eindbedrag op de nota van afrekening van de notaris conform de opgave van partijen in verband met de levering van de woning aan de kopers tussen partijen bij helfte, met vervolgens de verrekening, ten laste van het aandeel in de verkoopopbrengst van de partij die verschuldigd is, van alle bedragen die partijen op grond van het ten deze te wijzen vonnis aan elkaar verschuldigd zijn, met overmaking van de aan [partij A] toekomende helft van dat bedrag binnen vier werkdagen na de levering van de woning aan de koper op een door de eiser op te geven IBAN;
2. bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de voor de leveringsakte vereiste wilsverklaring en handtekening indien [partij B] hieraan niet meewerkt;
3. bepaalt dat [partij B] aan [partij A] een dwangsom verbeurt van € 500,00 per dag die [partij B] , na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, zich niet aan het onder 1 gevorderde houdt;
4. [partij B] veroordeelt tot betaling van een gebruiksvergoeding voor de woning van € 600,00 per maand aan [partij A] met ingang van 1 september 2024 tot de ontruiming van de woning, te vermeerderen met de helft van het netto-equivalent van de bruto hypotheeklasten van € 1.068,27 in geval [partij B] van [partij A] vordert om aan [partij B] te betalen hetgeen zij meer dan haar aandeel in de hypotheeklasten, zijnde de helft, heeft betaald aan de hypotheekbank;
5. [partij B] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 20.030,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
6. [partij B] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 11.713,10, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 juni 2024 tot aan de dag van volledige betaling;
7. bepaalt dat [partij A] gerechtigd is de in het kader van de vorderingen onder 4, 5 en 6 toegewezen bedragen te verrekenen met het aandeel van [partij B] in de netto-verkoopopbrengst van de woning en [partij B] veroordeelt aan deze verrekening medewerking te verlenen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag die [partij B] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
8. [partij B] veroordeelt in de proceskosten.
[partij A] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat partijen ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn van de woning en dat ieder van de deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen op grond van artikel 3:178 BW. Daarnaast is [partij B] aan [partij A] een gebruiksvergoeding voor de woning verschuldigd vanaf 1 mei 2024 tot het moment waarop de woning is ontruimd. Verder is [partij B] ongerechtvaardigd verrijkt ten kosten van [partij A] voor een bedrag van € 20.030.- en een bedrag van € 11.713,10.
[partij B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] , met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.
Op de stelling van partijen wordt hierna, voor zover van belang, verder ingegaan.
In reconventie
[partij B] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
bepaalt dat [partij A] drie NVM makelaars uit de regio Katwijk aanwijst, waarvan de [partij B] er één kiest, die de woning zal taxeren;
bepaalt dat [partij B] vanaf het moment waarop de door partijen aangewezen makelaar de woning heeft getaxeerd gedurende een periode van drie maanden de mogelijkheid heeft de overname van de woning te realiseren;
[partij A] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 3.705,31 aan [partij B] inzake de eigenaarslasten van de gezamenlijke woning over de periode van 1 mei 2024 tot en met maart 2025;
[partij A] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 308,53 per maand aan [partij B] als bijdrage in de eigenaarslasten vanaf 1 april 2025 tot en met het moment dat de gezamenlijke woning is overgedragen;
[partij A] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 55.825,- aan [partij B] ;
de proceskosten tussen partijen compenseert.
[partij B] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij meer belang heeft bij toedeling van de woning aan haar dan [partij A] heeft bij verkoop van de woning aan een derde. Daarnaast is [partij A] verplicht een bijdrage te leveren in de eigenaarslasten zolang de woning nog niet verdeeld is. Tot slot wordt [partij A] ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van [partij B] voor een bedrag van € 55.825,-.
[partij A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met veroordeling van [partij B] in de proceskosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
In conventie en in reconventie
Nu partijen over en weer vorderen dat de rechtbank de wijze van verdeling van de woning vaststelt, worden de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk beoordeeld. De rechtbank gaat eerst in op de verdeling van de woning inclusief de gezamenlijke hypotheekschuld. Vervolgens worden de gebruiksvergoeding en de eigenaarslasten, de vorderingen van [partij A] uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking en de proceskosten besproken.
De verdeling van de woning
Tussen partijen is in de eerste plaats de wijze van verdeling van de woning in geschil. Daarnaast is tussen partijen de interne draagplicht met betrekking tot de gezamenlijke hypotheekschuld in geschil.
De wijze van verdeling van de woning
Op grond van artikel 3:185 lid 1 BW stelt de rechtbank de wijze van verdeling vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.
[partij A] stelt met betrekking tot de wijze van verdeling van de woning dat deze met tussenkomst van een makelaar aan een derde moet worden verkocht. Volgens [partij A] is inmiddels gebleken dat [partij B] niet in staat is de woning over te nemen, aangezien [partij A] haar hiervoor in een eerder stadium de gelegenheid heeft geboden drie potentiële taxateurs aan te dragen, waaruit [partij A] er één zou kiezen om bindend de waarde van de woning vast te stellen; [partij B] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. [partij A] heeft verder ter zitting toegelicht dat zijn belang bij verkoop aan een derde is gelegen in de realisatie van een zo hoog mogelijke opbrengst en dat hij een opbrengst van ongeveer € 670.000,- verwacht.
[partij B] stelt dat het voor haar mogelijk is om de woning over te nemen en dat zij hiertoe de gelegenheid moet krijgen. Partijen hebben afgesproken dat [partij B] een voorstel zou doen. [partij B] heeft vervolgens een concreet voorstel gedaan om de woning over te nemen, maar [partij A] heeft hier niet op gereageerd. [partij B] heeft verder ter zitting toegelicht dat haar belang bij overname van de woning er in is gelegen dat zij met de twee minderjarige kinderen van partijen in de woning wil blijven wonen.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van [partij B] om met haar minderjarige kinderen in de woning te blijven wonen zwaarder moet wegen dan het financiële belang van [partij A] om een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren. Dat [partij B] tot op heden geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij financieel in staat is om de woning over te nemen, is in de omstandigheden van dit geval onvoldoende om de balans ten gunste van [partij A] te laten doorslaan. Daarbij is van belang dat, zoals beide partijen tijdens de mondelinge behandeling van 2 juni 2025 hebben toegelicht, de voornaamste reden waarom het partijen niet gelukt is om met betrekking tot de verdeling van de woning tot een minnelijke regeling te komen er in is gelegen dat er een verschil van inzicht bestaat over de interne draagplicht van de aflossingsvrije hypotheek. Nu de beslechting van dit geschilpunt van wezenlijk belang is voor de financieringsbehoefte van [partij B] , mocht zij in redelijkheid de uitkomst van deze procedure afwachten.
[partij B] zal aldus in de gelegenheid worden gesteld (het aandeel van [partij A] in) de woning over te nemen. Daartoe dienen partijen gezamenlijk opdracht aan een makelaar te geven om de woning te taxeren. De rechtbank leidt uit de stellingen van partijen af dat het hen voor ogen staat dat de makelaar de waarde van de woning bindend zal vaststellen. De rechtbank zal [partij B] daarom in de gelegenheid stellen om binnen een periode van drie maanden na het taxatierapport het aandeel van [partij A] tegen de getaxeerde marktwaarde over te nemen, waarbij [partij B] de hypotheekschuld overneemt en [partij A] wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Als het [partij B] niet lukt om de woning over te nemen, dan zal deze - overeenkomstig de vordering van [partij A] - worden verkocht aan een derde. Deze wijze van verdeling wordt in het dictum uitgewerkt.
[partij A] heeft gevorderd dat de rechtbank [partij B] een dwangsom oplegt voor het geval zij niet voldoet aan de veroordeling tot medewerking aan de verkoop en levering van de woning aan een derde. Aangezien de rechtbank zal bepalen dat dit vonnis, indien nodig, in de plaats treedt van de voor verkoop en levering vereiste wilsverklaringen van [partij B] , zoals uitgewerkt in het dictum, ziet de rechtbank voor het opleggen van een dwangsom geen aanleiding. Deze vordering van [partij A] zal daarom worden afgewezen.
De interne draagplicht met betrekking tot de gezamenlijke hypotheekschuld
Het volgende punt dat partijen verdeeld houdt betreft de op 31 maart 2022 door partijen afgesloten aflossingsvrije hypotheek ter hoogte van € 111.650,-. Volgens [partij B] is [partij A] op enig moment naar Irak gereisd om de financiële problemen van zijn moeder in Irak op te lossen. Hij heeft daar toezeggingen aan derden gedaan om de schulden namens zijn moeder te betalen. Na terugkomst in Nederland heeft [partij A] aangegeven een tweede hypotheek te willen afsluiten om zo aan het benodigde geld te komen. [partij B] heeft daar destijds tegen geprotesteerd en heeft aangegeven niet mee te willen betalen aan het oplossen van de financiële problemen van zijn moeder. [partij B] heeft uiteindelijk toch haar medewerking aan het afsluiten van een tweede hypotheek verleend, omdat zij zich genoodzaakt voelde om haar partner te helpen, en [partij A] haar heeft verzekerd dat zijn moeder de schuld aan hem zou terugbetalen, zodat met deze aflossingen ook de tweede hypotheek kon worden terugbetaald. De rechtbank begrijpt de stellingen van [partij B] aldus dat in de onderlinge verhouding van partijen de schuld uit hoofde van de aflossingsvrije hypotheek volledig voor rekening komt van [partij A] .
[partij A] voert aan dat hij en [partij B] deze schuld welbewust gezamenlijk zijn aangegaan, dat [partij B] alle administratieve handelingen voor het afsluiten van de tweede hypotheek heeft verricht en daar ook voor heeft medegetekend. Het geld is vervolgens stapsgewijs van de rekening van [partij A] opgenomen en in contanten naar Irak gebracht, onder andere door de broer van [partij B] . [partij A] heeft verder ter zitting aangevoerd dat de aflossing van de schulden van zijn moeder in samenspraak is gegaan met zowel zijn ouders als de ouders en broer van [partij B] in Irak. Verder heeft hij uiteengezet dat hij destijds met [partij B] het plan heeft gemaakt om het geleende bedrag samen in vijf jaar af te lossen, dat zij hiervoor beiden meer zouden gaan werken en minder geld uit zouden gaan geven. Tot slot heeft [partij A] er op gewezen dat de hypotheekrente altijd van de rekening van [partij B] is betaald.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat gezamenlijke schuldenaren op grond van artikel 6:10 van het BW ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat, draagplichtig zijn. De wet bevat geen algemene bepaling hoe het gedeelte van de schuld dat de schuldenaar aangaat, moet worden vastgesteld. De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van hetgeen zij uitdrukkelijk of stilzwijgend omtrent hun bijdrageplicht zijn overeengekomen. Is de schuld om baat aangegaan, dan is tevens van belang in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen. Tenslotte kan ook het beginsel van ongerechtvaardigde verrijking een rol spelen. Indien geen van deze beginselen uitsluitsel beidt, dan is een draagplicht voor gelijke delen de aangewezen oplossing.
Partijen verschillen van mening over de vraag wat over de bijdrageplicht overeen is gekomen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. Er zijn onvoldoende feitelijke aanknopingspunten voor de stelling van [partij A] dat is afgesproken dat beide partijen meer zouden gaan werken, en de tweede hypotheek met die extra verdiensten zou worden afbetaald. Zowel [partij A] als [partij B] zijn sinds maart 2022 niet meer gaan werken, en [partij B] heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat extra werken ook geen mogelijkheid was, omdat beide partijen al (bijna) volledig werkten. Sinds het afsluiten van de lening is ook geen enkele aflossing op de aflossingsvrije hypotheek verricht, ook niet toen de relatie tussen partijen nog goed was. Dit getuigt niet van een gezamenlijk plan om deze hypotheekschuld in een periode van vijf jaar gezamenlijk af te lossen, maar onderschrijft veel eerder de stelling van [partij B] dat de aflossing afhankelijk was van de terugbetalingen van de moeder van [partij A] . In dit kader is tevens van belang dat [partij A] tijdens de mondelinge behandeling geen eenduidig antwoord heeft gegeven op de vraag van de rechtbank of partijen een gezamenlijke - voor verdeling vatbare - vordering op zijn moeder hebben tot terugbetaling van het aan haar betaalde bedrag. De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande vanuit dat partijen in het voorjaar van 2022 overeen zijn gekomen dat [partij A] de verkregen gelden zou aanwenden om een lening aan zijn moeder te verstrekken, en dat hij met de aflossingen op die lening de (aflossingsvrije) tweede hypotheek volledig zou terugbetalen.
In deze omstandigheden is het enkele feit dat [partij B] jegens de bank heeft medegetekend voor het afsluiten van de aflossingsvrije hypotheek, en dat de familie van [partij B] heeft geholpen om het bedrag contant in Irak te krijgen, niet voldoende om te kunnen concluderen dat zij zich deze schuld in de onderlinge relatie met [partij A] heeft aangetrokken. Ook aan de omstandigheid dat [partij B] de over de aflossingsvrije hypotheek verschuldigde rente heeft betaald komt geen doorslaggevende betekenis toe, omdat tussen partijen niet in geschil is dat [partij A] maandelijks aan [partij B] het overgrote deel van zijn salaris over maakte, en dat [partij B] vervolgens alle gezamenlijke en sommige individuele lasten van [partij A] betaalde. Uit de omstandigheid dat de rentebetalingen vanaf de rekening van [partij B] zijn verricht, kan dus niet worden afgeleid dat [partij B] zich de aflossingsvrije hypotheek heeft aangetrokken.
De rechtbank concludeert dat de gezamenlijke hypotheekschuld tot een bedrag van € 111.650,- (de aflossingsvrije hypotheek) in de onderlinge verhouding tussen partijen volledig voor rekening van [partij A] komt. Dit bedrag zal in mindering worden gebracht op het aandeel van [partij A] in de overwaarde van de woning, zoals in de beslissing is uitgewerkt.
Nu een bedrag van € 111.650,- in mindering zal worden gebracht op het aandeel van [partij A] in de overwaarde van de woning, behoeft de vordering van [partij B] tot betaling van € 55.825,- uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking geen bespreking.
De gebruiksvergoeding en de eigenaarslasten
[partij A] vordert een gebruiksvergoeding van [partij B] voor de periode dat zij alleen in de woning verblijft. [partij B] vordert van [partij A] betaling van de helft van de door haar sinds 1 mei 2024 betaalde hypotheekrente en eigenaarslasten.
Volgens artikel 3:169 BW is iedere deelgenoot - behoudens een andersluidende regeling - bevoegd tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. De Hoge Raad heeft bepaald dat dit artikel ook meebrengt dat de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de ander gebruikt, verplicht is de ander schadeloos te stellen voor het feit dat hij geen gebruik kan maken van zijn eigendom, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9143). Deze vergoeding wordt toegekend als de rechter dit billijk vindt.
Verder moeten partijen op grond van artikel 3:172 BW tot aan de datum van verkoop en levering van de woning in beginsel naar evenredigheid van hun aandeel, in dit geval ieder voor de helft, bijdragen in de eigenaarslasten van de woning. Voor zover de ene partij bepaalde bedragen volledige heeft voldaan, ontstaat in beginsel een regresvordering op de andere partij.
Vaststaat dat [partij B] in de woning is blijven wonen en dat zij sindsdien de maandelijkse hypotheekrente en de overige eigenaarslasten voldoet. Voorts staat vast dat [partij B] nooit een gebruiksvergoeding aan [partij A] heeft betaald. De rechtbank acht het redelijk en billijk om de gebruiksvergoeding die [partij B] aan [partij A] verschuldigd is weg te strepen tegen de bijdrage in de eigenaarslasten van de woning die in beginsel voor rekening komt van [partij A] . Gelet op het voorgaande hebben partijen niets meer van elkaar te vorderen op dit punt. De door [partij B] gedane aflossingen op de hypotheek zijn geen kosten, maar vermogensopbouw, waardoor de overwaarde van de woning is toegenomen. [partij A] behoort dit daarom nog aan [partij B] te vergoeden. Uit het aandeel van de overwaarde van [partij A] dient daarom nog de helft van alle door [partij B] sinds 1 mei 2024 gedane aflossingen aan [partij B] te worden vergoed.
De betalingen van [partij A] in de periode van 1 maart 2023 tot en met 30 april 2024
[partij A] stelt dat hij in de periode van 1 maart 2023 tot en met 30 april 2024, zonder daartoe verplicht te zijn en zonder grond, in totaal een bedrag van € 28.030,- heeft overgemaakt. Hiervan is € 8.000,- besteed aan de plaatsing van een dakkapel op de gezamenlijke woning. Voor het restant van € 20.030,- is [partij B] ten koste van [partij A] ongerechtvaardigd verrijkt. Ter zitting heeft [partij A] toegelicht dat hij maandelijks geld aan [partij B] overmaakte nadat hij zijn salaris had ontvangen met het doel het op een spaarrekening te zetten, omdat [partij B] de financiën deed.
[partij B] heeft betwist dat deze bedragen aan haar zijn overgemaakt om op een spaarrekening te zetten en heeft - samengevat - aangevoerd dat [partij A] haar deze bedragen heeft overgemaakt om de gezamenlijke lasten mee te betalen.
De rechtbank is van oordeel dat [partij A] zijn stelling dat [partij B] ongerechtvaardigd ten koste van hem is verrijkt, onvoldoende heeft onderbouwd. Vast staat dat partijen een gezamenlijke huishouding voerden, dat [partij B] de gezamenlijke lasten voldeed, en dat [partij A] maandelijks een bedrag aan [partij B] overmaakte. Gelet op de gezamenlijke huishouding van partijen, kan zonder nadere onderbouwing – die door [partij A] niet is geboden – niet worden vastgesteld dat de door [partij A] overgemaakte bedragen niet bestemd waren om de gezamenlijke lasten mee te voldoen. De vordering van [partij A] zal worden afgewezen.
De reparatie van de auto
[partij A] heeft verder - samengevat - gesteld dat [partij B] schade aan een door [partij A] geleende auto heeft veroorzaakt (merk Tesla, kenteken [kenteken] ). [partij A] heeft deze schade laten repareren door FM Autoschade en daar een bedrag van € 11.713,10 voor betaald. [partij A] heeft deze stelling onderbouwd aan de hand van een schermafdruk van een betaalopdracht aan FM Autoschade. [partij B] heeft volgens [partij A] de uitkering van de schadeverzekeraar op haar rekening uitbetaald gekregen, en voor zichzelf gehouden. Er is daarmee sprake van een ongerechtvaardigde verrijking.
[partij B] heeft betwist dat [partij A] dit bedrag aan FM Autoschade heeft voldaan en heeft een schriftelijke verklaring van FM Autoschade ingebracht, waarin FM Autoschade verklaart dat zij geen Tesla met kenteken [kenteken] heeft gerepareerd en dat zij daar ook geen betaling voor heeft ontvangen. Bij deze verklaring is een schermafdruk gevoegd, waaruit blijkt dat FM Autoschade haar bankrekening heeft nagezocht naar de betreffende betaling van [partij A] en niet heeft gevonden.
De rechtbank is van oordeel dat - gelet op de onderbouwde betwisting door [partij B] – niet is komen vast te staan dat [partij A] ten koste van [partij B] is verarmd. Het had op de weg van [partij A] gelegen om verder inzichtelijk te maken dat hij kosten heeft gemaakt voor de reparatie van de auto. Nu [partij A] dat niet heeft gedaan, zal deze vordering worden afgewezen.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De rechtbank:
In conventie en in reconventie
stelt de wijze van verdeling van de woning van partijen als volgt vast:
Primair: overname van de woning door [partij B]
[partij A] stuurt binnen één week na datum van dit vonnis een bericht aan [partij B] , waarin hij drie verschillende makelaars voorstelt die de woning kunnen taxeren en verkopen. Uit deze drie makelaars kiest [partij B] er één. Zij bericht [partij A] binnen een week na het voorstel van [partij A] over haar keuze. Als één van de partijen niet tijdig een voorstel of een keuze doet, heeft de andere partij het recht om de makelaar eenzijdig aan te wijzen. Partijen zullen vervolgens gezamenlijk een opdracht verlenen aan de gekozen of aangewezen makelaar om de woning te taxeren. De makelaar stelt de actuele vrije verkoopwaarde voor partijen bindend vast. Beide partijen moeten in de gelegenheid worden gesteld bij de taxatie aanwezig te zijn. Partijen moeten ieder de helft van de kosten van de taxatie betalen;
de woning wordt toegedeeld aan [partij B] , onder de opschortende voorwaarde dat zij binnen drie maanden na de datum van het taxatierapport aan [partij A] aantoont dat zij in staat is (i) de volledige eigendom van de woning te verkrijgen en (ii) [partij A] te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld;
indien aan de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde voorwaarden wel wordt voldaan, zal [partij A] zijn aandeel in de woning zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen een maand na het moment waarop [partij B] aantoont dat zij de benodigde financiering kan verkrijgen, bij Verhees Notarissen te Katwijk (‘de notaris’) leveren aan [partij B] . [partij A] verkrijgt hierdoor een vordering uit hoofde van overbedeling op [partij B] . Deze vordering is gelijk aan de helft van de taxatiewaarde, minus de helft van de actuele hypotheekschuld uit hoofde van de annuïteitenhypotheek en een bedrag van € 111.650,- vanwege de aflossingsvrije hypotheek en de helft van de sinds 1 mei 2024 door [partij B] verrichte aflossingen op de annuïteitenhypotheek. [partij B] moet dit bedrag ten tijde van de levering bij de notaris aan [partij A] betalen. [partij B] moet in dit geval de kosten betalen van de levering bij de notaris van (het aandeel van [partij A] in) de woning aan [partij B] ;
bepaalt dat, indien [partij A] niet tijdig voldoet aan dat wat is bepaald in 6.1.3 althans zijn medewerking niet verleent aan de verkoop en levering van zijn aandeel in de woning aan [partij B] , dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst met de makelaar, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [partij A] dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan [partij B] ;
Subsidiair: verkoop van de woning aan een derde
indien en voor zover aan de hiervoor onder (i) en (ii) genoemde voorwaarden niet wordt voldaan, zal de woning worden verkocht en geleverd aan een derde. Om dat te realiseren zullen partijen gezamenlijk binnen twee weken na het verstrijken van de termijn van drie maanden zoals genoemd onder 6.1.2, een verkoopopdracht verstrekken aan de makelaar. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen het in de branche gebruikelijke tarief, de vraag- en laatprijs van de woning bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van de woning zal verrichten;
partijen moeten de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van de woning, waaronder (maar niet beperkt tot) het opruimen van de woning voor het maken van foto’s en het laten bezichtigen van de woning door potentiële kopers.
Partijen stemmen zo snel als mogelijk in met een op de woning uitgebracht bod als dit gelijk aan of hoger is dan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs. Zij ondertekenen binnen vijf dagen na het verzoek hiertoe van de makelaar de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd. En zij tekenen op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij de notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering. De levering zal minimaal drie maanden na het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen;
partijen betalen ieder de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering van de woning;
partijen zullen de hypothecaire geldlening aflossen uit de verkoopopbrengst van de woning op het moment dat de woning aan een derde wordt geleverd. [partij B] maakt aanspraak op de helft van € 111.650,- en de helft van de sinds 1 mei 2024 door [partij B] verrichte aflossingen op de annuïteitenhypotheek. Het resterend gedeelte van de overwaarde zal door partijen bij helfte worden gedeeld. Indien het resterend gedeelte van de overwaarde minder bedraagt dan € 111.650,- vermeerderd met de sinds 1 mei 2024 verrichte aflossingen, dan moet [partij A] het verschil aan [partij B] betalen;
wanneer een van partijen niet binnen de hiervoor genoemde termijnen zijn of haar medewerking verleent aan de verkoop en levering van de woning aan een derde, treedt dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats van het deel van de opdracht aan de makelaar, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit blijkt dat [partij A] of [partij B] opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt dan wel (mede) levert aan de koper;
Ten aanzien van de overige vorderingen
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen in conventie en in reconventie de eigen proceskosten dragen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025.
3390