ECLI:NL:RBDHA:2025:23519

ECLI:NL:RBDHA:2025:23519, Rechtbank Den Haag, 10-12-2025, NL25.54260

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 24-12-2025
Zaaknummer NL25.54260
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Dublin Duitsland - beroep ongegrond

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. T. Thissen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting

2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

Waar gaat het over?

3. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.

Wat vindt eiser?

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe kort samengevat het volgende aan. Verweerder heeft bij het gehoor ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van een registertolk. Daarnaast heeft eiser niet de tijd gekregen om de brochures te lezen en heeft verweerder niet de tijd genomen om eiser de inhoud mee te delen. Verder voert eiser aan dat hij vreest voor indirect refoulement. Daarnaast heeft eiser aangegeven hoe hij in Nederland met zijn geloofsgenoten zijn geloof wil uiten. Verweerder stelt dat dit niet bepalend is voor de vraag welk land verantwoordelijkheid is voor de behandeling van het asielverzoek, maar daarmee heeft verweerder niet gemotiveerd waarom hij de behandeling van de asielaanvraag niet aan zich trekt.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Gebruik niet beëdigde tolk

5. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) maakt verweerder uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is, indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet verweerder uiterlijk in het bestreden besluit motiveren waarom hij gebruik maakt van een niet-beëdigde tolk.

In het bestreden besluit heeft verweerder in dit verband uiteengezet dat bij het inplannen van de tolk voor het gehoor niet-tijdig een registertolk beschikbaar was. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd dat uit de aard en de termijnen van de Dublinprocedure volgt dat is voldaan aan de voorwaarde van vereiste spoed zoals bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wbtv en dat daarom bij het niet-tijdig beschikbaar zijn van een registertolk een niet-registertolk wordt ingezet. Verweerder heeft tevens gewezen op preambule 5 van de Dublinverordening. Verder heeft verweerder uiteengezet dat nadat de vreemdeling een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, een eerste screening plaatsvindt. Het aanmeldgehoor maakt onderdeel uit van die eerste screening. Er vindt ook een beoordeling plaats of de aanvraag in een Dublinprocedure afgedaan zal worden. Hierbij is opgemerkt dat de aanvragen in de Dublinprocedure als evident kansarme aanvragen versneld kunnen worden behandeld. Uitgangspunt is dat de screening plaatsvindt binnen maximaal veertien dagen na de eerste aanmelding. Hiermee is volgens verweerder de spoedeisendheid gegeven. Daarnaast heeft verweerder als aanvullende reden voor de spoedeisendheid opgemerkt dat de centrale ontvangstlocatie waar de vreemdelingen tijdens het identificatie- en registratieproces en het aanmeldproces verblijven niet geschikt is om langere tijd te verblijven, wat de vereiste spoed om te horen nog meer bevestigt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende toegelicht dat en waarom er geen gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk. Gelet op de aard en de termijnen van de Dublinprocedure is de vereiste spoed als bedoeld in artikel 28, derde lid Wbtv een gegeven, waarbij verweerder daarnaast als aanvullende reden voor de spoedeisendheid heeft opgemerkt dat de centrale ontvangstlocatie waar de vreemdelingen tijdens het identificatie- registratie- en het aanmeldproces verblijven niet geschikt is om langere tijd te verblijven en ook niet-beëdigde tolken bovendien moeten voldoen aan de kwaliteits- en integriteitseisen voordat zij worden opgenomen in het tolkenbestand van de IND. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende gemotiveerd waarom gebruik is gemaakt van een niet-registertolk. Anders dan eiser stelt heeft de spoedeisendheid dus vooral betrekking op het tijdsverloop tussen de aanmelding en het kunnen horen en niet op het tijdsverloop tot aan het moment van het verstrijken van de overdrachtstermijn.

Dat de termijn van veertien dagen - die geldt als uitgangspunt - tijdens het aanmeldgehoor reeds was verstreken, laat onverlet dat verweerder in een Dublinprocedure tracht voortvarend te handelen en daarom niet gehouden was het gehoor uit te stellen totdat er een beëdigde tolk beschikbaar zou zijn. Dat het hier ging om telefonische bijstand van een tolk en dat dan wellicht sneller een registertolk Urdu beschikbaar is dan een tolk die fysiek op de locatie aanwezig moet zijn, maakt niet dat er van verweerder moest worden verwacht dat het aanmeldgehoor werd uitgesteld. Van een zorgvuldigheids- dan wel motiveringsgebrek kan dan ook geen sprake zijn.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat uit het rapport aanmeldgehoor is gebleken dat eiser tijdens de inleiding en bij de afsluiting van het gehoor heeft geantwoord de tolk goed te kunnen verstaan en te begrijpen. Ook is niet gebleken dat tijdens het aanmeldgehoor sprake is geweest van miscommunicatie tussen eiser en de tolk of dat eiser zijn verhaal niet goed naar voren heeft kunnen brengen. Daarnaast is eiser in de gelegenheid gesteld correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor in te dienen. Het valt dan ook niet aan te nemen dat eiser in zijn belangen is geschaad door gehoord te zijn met een niet-registertolk. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Gehoor en de brochures

6. De rechtbank merkt allereerst op dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) een arrest heeft gewezen over onder andere artikel 4 (informatieplicht) en artikel 5 (persoonlijk onderhoud) van de Dublinverordening (Dvo). Het Hof heeft, voor zover van belang voor deze zaak, bepaald dat wanneer het persoonlijk onderhoud als bedoeld in artikel 5 Dvo is gevoerd, maar de gemeenschappelijke brochures als bedoeld in artikel 4 van de Dvo niet aan de betrokkene zijn overhandigd, de nationale rechter die de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit moet beoordelen, dit besluit alleen nietig kan verklaren als hij, gelet op de specifieke juridische en feitelijke omstandigheden van het geval, van oordeel is dat die persoon daardoor daadwerkelijk de mogelijkheid is ontnomen zijn argumenten op zodanige wijze naar voren te brengen dat de procedure een andere afloop had kunnen hebben.

De rechtbank stelt vast dat eiser de brochures 'Ik heb asiel aangevraagd in de EU, welk land zal mijn asielaanvraag in behandeling nemen? (Deel A), 'De Dublinprocedure - Informatie voor personen die om internationale bescherming verzoeken en zich in een Dublinprocedure bevinden' (Deel B) en 'Voordat uw asielprocedure begint' heeft ontvangen. Uit het gehoor blijkt ook dat eiser de brochures voor een groot deel heeft kunnen doornemen. Daarnaast blijkt uit het verslag van aanmeldgehoor dat eiser tijdens het aanmeldgehoor uitleg heeft gehad over de Dublinprocedure. Uit het gehoor blijkt dat eiser heeft kunnen verklaren over bezwaren om aan Duitsland te worden overgedragen. Daarnaast heeft eiser op het voornemen kunnen reageren met een zienswijze. Hiermee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank voldoende de gelegenheid gehad om zijn bezwaren naar voren te brengen. Eiser heeft daarnaast onvoldoende onderbouwd welke belangrijke informatie hij heeft gemist en op welke manier hij in zijn belangen is geschaad. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de hiervoor beschreven gang van zaken niet gebleken dat eiser de mogelijkheid is ontnomen zijn argumenten op zodanige wijze naar voren te brengen dat de procedure een andere afloop had kunnen hebben, zodat deze beroepsgrond niet slaagt.

Indirect refoulement

7. Eiser geeft in zijn beroepsgronden aan dat hij bekend is met de jurisprudentie van het Hof over het verschil in beschermingsbeleid en dat hij niet stelt dat het besluit van verweerder op dit punt gebrekkig is gemotiveerd. Nu eiser uitdrukkelijk aangeeft dat hij de motivering van het besluit niet betwist, kan het beroep op indirect refoulement niet slagen.

Discretionaire bevoegdheid

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat eiser zijn geloof ook in Duitsland kan uitoefenen. Verweerder heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid. Van een motiveringsgebrek is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. Nu er op het beroep is beslist, zal het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege een gebrek aan connexiteit.

10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.R. Froma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?