ECLI:NL:RBDHA:2025:23523

ECLI:NL:RBDHA:2025:23523, Rechtbank Den Haag, 10-12-2025, NL25.58167

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 24-12-2025
Zaaknummer NL25.58167
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Artikel 6, derde lid Vw - vervolgberoep en kennisgeving - beroep ongegrond, kennisgeving niet-ontvankelijk

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.58167 (beroep) en NL25.59086 (kennisgeving)

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),

en

Procesverloop

1. Bij besluit van 31 augustus 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiser heeft op 26 november 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld, geregistreerd met zaaknummer NL25.58167. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft op 28 november 2025 voor eiser een kennisgeving voortduring bewaring aan de rechtbank verzonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL25.59086.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 29 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

2. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.

3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 september 2025 (in de zaak NL25.43950) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

5. Eiser voert aan dat hij meer dan dertien weken in vreemdelingenbewaring heeft gezeten en dat dit in strijd is met de Opvangrichtlijn. Eiser verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 1 juli 2025.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Verweerder heeft op zondag 31 augustus 2025, in week 35, de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Op zaterdag 29 november 2025, in week 48, heeft verweerder de maatregel opgeheven. De rechtbank stelt vast dat verweerder de termijn van dertien weken uit de hiervoor door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling niet heeft overschreden. Het betoog van eiser slaagt niet.

8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Kennisgeving

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de kennisgeving onnodig heeft gedaan, omdat eiser zelf al op 26 november 2025 beroep tegen het voortduren van de maatregel heeft ingesteld. Omdat het beroep tegen het voortduren van de maatregel al op grond van het beroepschrift in de zaak met nummer NL25.58167 is beoordeeld, bestaat voor partijen geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep dat is ontstaan als gevolg van de door verweerder ingediende kennisgeving. De rechtbank zal het beroep in de zaak met nummer NL25.59086 daarom niet-ontvankelijk verklaren.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep NL25.58167 ongegrond;

- verklaart het beroep NL25.59086 niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. Holleman

Griffier

  • mr. J.R. Froma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?