RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57614
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en
(gemachtigde: mr. A. van Midden).
Procesverloop
1. Bij besluit van 21 november 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 2 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 2 december 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 4 december 2025 gereageerd. De rechtbank heeft op 8 december 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiser voert aan dat verweerder moet vragen naar allergieën voor gekruid eten voordat hij de vrijheidsontnemende maatregel oplegt. Dit is van belang om ernstige allergische reacties te kunnen voorkomen. Door hier niet naar te vragen, heeft verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden bij de besluitvorming betrokken. Daarnaast verblijft eiser in het [bewaringsaccommodatie] . Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024 wordt aangevoerd dat ten aanzien van het [bewaringsaccommodatie] niet langer gesproken kan worden van een bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10 van de Opvangrichtlijn, hetgeen tot opheffing van de maatregel moet leiden.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Uit het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel blijkt dat eiser is gevraagd of er feiten en omstandigheden zijn die maken dat oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel niet mogelijk is. Vervolgens is eiser gevraagd of er bijzondere medische omstandigheden zijn waarmee rekening moet worden gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hiermee voldoende in de gelegenheid gesteld om eventuele voedselallergieën naar voren te brengen. Bovendien is er geen rechtsregel die verweerder ertoe verplicht uitdrukkelijk naar specifieke (medische) omstandigheden - zoals voedselallergieën - te vragen. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser tot op heden niet stelt dat hij een last heeft van zijn voedselallergie, maar ook in dat geval was verweerder niet gehouden om een lichter middel op te leggen. Niet is gebleken dat eiser niet terecht zou kunnen bij de medische dienst als dat nodig is.
7. Verder ziet de rechtbank met verweerder geen grond voor het oordeel dat het [bewaringsaccommodatie] niet als een gespecialiseerde inrichting is aan te merken. In de uitspraak van 26 februari 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat het [bewaringsaccommodatie] nog altijd als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is aan te merken. Hiermee heeft Afdeling haar eerdere uitspraak van 29 januari 2025 bevestigd. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten of de zaak, in afwachting van de uitleg van het Hof, aan te houden.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.