ECLI:NL:RBDHA:2025:23526

ECLI:NL:RBDHA:2025:23526, Rechtbank Den Haag, 19-09-2025, NL25.33732

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-09-2025
Datum publicatie 15-12-2025
Zaaknummer NL25.33732
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Dublin, zitting, herhaald en ingelast, interstatelijk vertrouwensbeginsel, AIDA rapport, arrest C.K., artikel 17 Dv, Bulgarije.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. M.L. van Leer)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: [naam] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 juli 2025 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije ervoor verantwoordelijk is.

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 5 september 2025 op zitting behandeld.

De gemachtigde van eiser en eiser zelf zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op

16 mei 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij een visum had in Bulgarije dat ten tijde van zijn asielaanvraag in Nederland minder dan zes maanden was verlopen. Bulgarije is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

Wat vindt eiser in beroep?

2. Eiser verzoekt ten eerste al hetgeen reeds in de procedure naar voren is gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Vervolgens voert hij aan dat hij zich niet kan verenigen met verweerders standpunt dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser wijst er hierbij op dat alle door verweerder aangehaalde uitspraken van de hoogste bestuursrechter in het bestreden besluit dateren van vóór het nieuwste AIDA-rapport (update 2024). Uit dit laatste rapport volgt een verdere verslechterde situatie voor asielzoekers en Dublin-terugkeerders in Bulgarije en een afname van opvanglocaties van 3.592 in 2023 naar 3.225 in 2024. Deze wijze van handelen van de Bulgaarse autoriteiten is in strijd met artikel 17, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, op grond waarvan lidstaten ervoor dienen te zorgen dat er voor verzoekers materiële opvangvoorzieningen beschikbaar zijn wanneer zij hun verzoek om internationale bescherming indienen. Onder verwijzing naar vier passages uit het AIDA-rapport (update 2024) betreffende de toestanden in Bulgaarse opvangvoorzieningen stelt eiser dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat bij terugkeer naar Bulgarije de kans zeer aannemelijk is dat hij terecht zal komen in een situatie strijdig met artikel 4 van het Handvest. Daarnaast zijn er bijzondere, individuele omstandigheden, op grond waarvan er voor verweerder aanleiding is om zijn asielaanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser lijdt aan psychische klachten, veroorzaakt door wat hem in Nigeria is overkomen. Tevens heeft hij al langere tijd last van zijn zicht, waarvoor hij recentelijk naar de oogarts is geweest en is doorverwezen naar een specialist in het ziekenhuis in Nijmegen. Eiser maakt zich veel zorgen om zijn zicht en vreest onder verwijzing naar het AIDA-rapport (update 2024) ook dat hij in Bulgarije niet de benodigde behandeling zal krijgen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.

Herhaald en ingelast

5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom zich de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. Onder verwijzing naar de recente rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit die rechtspraak volgt dat er (in het algemeen) geen aanleiding is om te veronderstellen dat een vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een situatie die in strijd is met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM.

Dat de hoogste bestuursrechter nog geen uitspraak heeft gedaan over het AIDA rapport over 2024, maakt niet dat ten aanzien van Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit het AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024) volgt namelijk geen wezenlijk ander beeld van de opvangvoorzieningen in Bulgarije dan de informatie uit eerdere AIDA-rapporten (update 2023 en update 2022). De twee passages waar eiser in overweging 10 van het beroepschrift naar verwijst van pagina 79 en 80 uit het AIDA-rapport (update 2024) zijn niet wezenlijk verschillend van passages uit het AIDA-rapport (update 2023), te vinden op pagina’s 75/76, 81/82 en 77. Hetzelfde geldt voor de passages van pagina 86 en 87 uit het AIDA-rapport (update 2024) in rechtsoverweging 11: deze zijn niet wezenlijk verschillend van passages op pagina 83 en 18 uit het AIDA-rapport (update 2023). Hoewel de rechtbank constateert dat er inderdaad een afname heeft plaatsgevonden in het aantal aanwezige opvangplekken voor niet kwetsbare Dublin-terugkeerders, ziet de rechtbank hierin onvoldoende aanleiding te oordelen dat ten aanzien van Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Eiser heeft verder geen andere informatie overlegd waaruit blijkt dat Bulgarije zich ten opzichte van hem niet aan zijn internationale verplichtingen houdt. Gelet op het voorgaande had verweerder derhalve uit mogen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Bulgaarse asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins beklaagt bij de (hogere) Bulgaarse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Bulgaarse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen.

Beroep op het arrest C.K.

7. Voor zover eiser met zijn stelling dat hij kampt met psychische en medische klachten een beroep doet op het arrest C.K., overweegt de rechtbank als volgt. Uit het arrest C.K. volgt dat een Dublinoverdracht een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling met zich kan brengen als de overdracht van een vreemdeling die psychische of lichamelijke beperkingen heeft een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat de vreemdeling met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht dient aan te tonen. Omdat ten aanzien van Bulgarije kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mag verweerder er in beginsel dus van uitgaan dat eiser daar passende medische zorg zal ontvangen. Eisers verwijzing naar het AIDA-rapport (update 2024) leidt niet tot een ander oordeel, nu, daargelaten dat uit de medische stukken niet kan worden opgemaakt dat er sprake is van uitzonderlijke medische omstandigheden, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat specifiek asielzoekers met zichtproblemen niet in aanmerking komen voor de benodigde medische hulp. De stelling ter zitting dat uit de rapportages enkel blijkt dat basiszorg beschikbaar is en niet de benodigde specialistische zorg volgt de rechtbank niet. Dit kan niet uit de overgelegde stukken worden opgemaakt. Al met al komt de rechtbank tot de conclusie dat niet is gebleken dat Nederland het meest aangewezen land is voor een eventuele behandeling.

Artikel 17 van de Dublinverordening

8. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Bij deze bevoegdheid heeft verweerder veel beslissingsruimte. Daarom kan de rechtbank alleen terughoudend toetsen of verweerder goed heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval niet van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd dat deze maken dat zijn overdracht aan Bulgarije van een zodanig onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Bulgarije ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.

11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van

V. Nooteboom, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.D. Gunster

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?