RECHTBANK DEN HAAG
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.44695
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en
Procesverloop
Eiser heeft op 30 augustus 2023 een opvolgende asielaanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
In het besluit van 11 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In de tussenuitspraak van 20 februari 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
De minister heeft op 6 maart 2025 aangegeven gebruik te willen maken van de geboden gelegenheid om de door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebreken te herstellen.
De minister heeft op 24 april 2024 in reactie op de tussenuitspraak de rechtbank gevraagd om naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) terug te komen op het oordeel in de tussenuitspraak over het iMMO- rapport.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
4. De minister heeft de rechtbank meegedeeld dat hij het niet eens is met het oordeel van de rechtbank dat de minister beter moet motiveren welke gevolgen het overgelegde iMMO-rapport heeft voor de beoordeling van het asielrelaas van eiser. Hierbij verwijst de minister naar de Afdelingsuitspraak van 2 april 2025.1 In deze uitspraak oordeelt de Afdeling dat de inhoud van het betreffende iMMO-rapport niet steeds in overeenstemming is met de actuele wetenschappelijke inzichten en eisen die aan een deskundigenrapport moeten worden gesteld. De minister stelt zich op het standpunt dat het iMMO in onderhavige zaak niet de vereiste individualisering heeft betracht. Het iMMO heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom en in hoeverre de klachten bij eiser ook hebben geleid tot een geheugenstoornis en evenmin waarom deze in zijn geval zouden hebben geleid tot een interferentie met zijn vermogen om compleet, coherent en consistent over zijn asielrelaas te verklaren. Gelet daarop is er volgens de minister sprake van een zeer uitzonderlijk geval en verzoekt de minister de rechtbank om terug te komen op de tussenuitspraak.
5. De rechtbank begrijpt dit standpunt van de minister zo dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen. De rechtbank kan, zoals al overwogen onder 1 en anders dan de minister kennelijk meent, alleen in zeer uitzonderlijke gevallen
1. ECLI:NL:RVS:2025:1472
terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Uit wat de minister in dit verband heeft opgemerkt in zijn reactie op de tussenuitspraak volgt niet dat zich hier zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet dat rechtvaardigt dat de rechtbank terugkomt van haar tussenuitspraak. Bovendien staat het de minister vrij om zijn standpunten ten aanzien van het iMMO-rapport te motiveren in een aanvullend besluit. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. De reden daarvoor is nu juist dat de minister geen poging heeft ondernomen de gebreken te herstellen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de minister de proceskosten die eiser heeft gemaakt aan hem moet vergoeden. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van
€ 907,-) bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1814,-. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.M. van de Wijdeven, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 november 2025
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.