ECLI:NL:RBDHA:2025:23631

ECLI:NL:RBDHA:2025:23631, Rechtbank Den Haag, 08-12-2025, 25/7417

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-12-2025
Datum publicatie 16-12-2025
Zaaknummer 25/7417
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0003482

Samenvatting

Verweerder heeft verzoeker afgewezen voor de functie omdat zijn operationeel commando hem heeft afgewezen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe omdat de belangen van verzoeker bij de gevraagde voorziening zwaarder wegen dan de belangen van verweerder.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/7417

(gemachtigde: mr. T.A. van Helvoort),

en

(gemachtigde: mr. S.S. Fernand).

Procesverloop

1. Verweerder heeft met het besluit van 9 oktober 2025 medegedeeld verzoeker niet op de functie van Hoofd Bureau Planning, bij de KMA te plaatsen.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat de zaak over?

2. Verzoeker is kapitein bij de Koninklijke Landmacht en was werkzaam bij de KMA. Na een reorganisatie bij de KMA is hij herplaatsingskandidaat geworden. Verzoeker heeft in december van 2024 gesolliciteerd naar de functie van Hoofd Bureau Planning, bij de KMA. Verzoeker heeft op 11 februari 2025 gehoord dat de functie hem niet wordt aangeboden omdat hij niet voldoet aan één van de vacature-eisen, namelijk dat hij ervaring moet hebben binnen een operationele staf. Dit was nog geen officieel besluit. Ondanks het bovenstaande is verzoeker door de voorzitter van de begeleidingscommissie (BCO) van de reorganisatie voorgedragen voor een gesprek. Van dit gesprek met de vacaturehouder is een gespreksverslag gemaakt waaruit blijkt dat de vacaturehouder verzoeker wil aanstellen. Volgens verweerder is de voorzitter van de BCO niet bevoegd om functietoewijzingshandelingen te verrichten. Verzoeker is onterecht aangeboden voor de functie. Verweerder heeft, met het besluit van 9 oktober 2025, verzoeker alsnog afgewezen voor de functie omdat zijn operationeel commando hem heeft afgewezen.

Wat vindt verzoeker?

3. Verzoeker stelt zich -kort samengevat- op het standpunt dat het besluit van verweerder onvoldoende gemotiveerd is en niet in stand kan blijven. Verweerder stelt alleen dat verzoeker volgens de functietoewijzer niet voldoet aan de functie-eis van ervaring binnen een operationele staf. Volgens verzoeker is dit echter geen eis vanuit de vacaturehouder, dit is hooguit gewenst. Verzoeker verwijst hiervoor naar de correspondentie met [naam] (functiehouder). Uit deze correspondentie blijkt onder andere dat het plaatsen van “ervaring binnen een operationele staf” onder het onderdeel ‘vereiste’ op een omissie berust. Dit had onder ‘gewenst’ moeten staan. Anders dan verweerder stelt is het ook niet zo dat in het vereiste ook opgenomen zal worden als de vacature opnieuw wordt opengesteld. Verzoeker verwijst hiervoor naar correspondentie van [naam] waaruit blijkt dat de vacaturetekst nog onderwerp van gesprek is. Voor verzoeker is dan ook onduidelijk waarom hij niet op de functie geplaatst kan worden. Vanuit organisatorisch oogpunt zijn er geen belemmeringen aangegeven door verweerder. De functie moet immers gevuld worden en verzoeker wordt door de vacaturehouder als geschikt gezien. Er zijn verder ook geen andere kandidaten. Daarbij komt dat verzoeker een herplaatsingskandidaat is. In zijn geval is het zo dat hij zijn functie is verloren door organisatorische wijzigingen. In die situatie ligt juist een zwaardere last op de organisatie om een functie voor verzoeker te vinden.

Verzoeker wijst ook nog op de Nota Loopbaanmogelijkheden militairen KL van 21 mei 2024. Uit deze nota volgt onder andere dat; “Afwegingsfactoren zijn richtlijnen, geen harde eisen. Dit wil zeggen dat ook militairen die niet voldoen aan een of meer richtlijnen in aanmerking kunnen komen voor de geambieerde functie.” en “Doordat in de nieuwe loopbaanmogelijkheden voor militairen de hard gestelde kwantitatieve ervaringseisen worden vervangen voor afwegingsfactoren, komt er meer ruimte voor flexibiliteit en maatwerk. In plaats van het afvinken van de hard gestelde kwantitatieve ervaringseisen zoals opgenomen in het document 'Loopbaanmogelijkheden (interim) officieren en onderofficieren KL', zal er meer oog komen voor de kwaliteiten van de militair”.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

Spoedeisend belang

4. Verweerder heeft aangegeven dat de vacature op 1 december 2025 opnieuw gepubliceerd zal worden. In bezwaar vindt een volledige heroverweging plaatst. Deze heroverweging is voor verzoeker niet langer relevant als de functie in de tussenliggende periode al vervuld zou worden. Dit temeer omdat niet duidelijk is of verzoeker wel opnieuw zal kunnen solliciteren. Op zitting is namelijk gebleken dat er geen bevorderruimte wordt opgenomen in de nieuwe vacaturetekst. Hierdoor zou verzoeker niet meer in aanmerking komen voor de functie. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.

Belangenafweging

5. In deze procedure gaat het om de vraag of verzoeker geweigerd mocht worden voor de functie van Hoofd Bureau Planning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent de voorlopige voorzieningenprocedure zich, ook gelet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder, in dit geval niet voor een inhoudelijke beoordeling. De voorzieningenrechter zal dan ook alleen beoordelen of het belang van verzoeker bij toewijzing van de gevraagde voorziening, het hangende bezwaar niet publiceren van de vacature, opweegt tegen het belang van verweerder bij afwijzing daarvan.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het gestelde belang van verweerder bij het niet toewijzen van de functie aan verzoeker er vooral op ziet dat anderen door toewijzing van de functie aan verzoeker mogelijk benadeeld worden. Zonder de eis “ervaring binnen een operationele staf” zouden zij namelijk (mogelijk) wel belangstelling hebben getoond. Daarbij komt dat verzoeker al langere tijd werkzaam is binnen het team waar de functie onder valt. Volgens verweerder zou toewijzing aan verzoeker het signaal kunnen geven dat sprake is van vooringenomenheid. Op zitting heeft verweerder in aanvulling op het bovenstaande nog aangegeven dat de functietoewijzer er voor moet zorgen dat het evenwicht (in ervaring) bewaard wordt binnen de verschillende defensieonderdelen. Functies kunnen niet zomaar willekeurig aan een ieder worden toebedeeld.

Tegenover het belang van verweerder staat het belang van verzoeker dat is gediend bij de opschorting van (her-) openstelling van de vacature. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat verzoeker in dit geval zwaarwegende redenen heeft aangedragen die opwegen tegen het belang van verweerder. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat uit het dossier blijkt dat de functiehouder heeft aangegeven dat het plaatsen van “ervaring binnen een operationele staf” in de vacature onder ‘vereiste’ op een omissie berust. Dit had onder ‘gewenst’ moeten staan. Dit is op zitting nog een keer bevestigd en verder toegelicht door de functiehouder. De functiehouder heeft aangegeven dat verzoeker al enkele jaren bij MWO werkt. Hij heeft in die periode onder andere als waarnemend commandant gewerkt, dit naar volle tevredenheid. Verzoeker is hierdoor al bekend met de opleidingssystematiek van de KMA. Voor de functie waar het hier om gaat is dat van groot belang, hij wordt immers verantwoordelijk voor de planning van alle opleidingssporen. De functiehouder heeft er in dit kader op gewezen dat het retentiebeleid (behoud van personeel) een belangrijk speerpunt voor defensie is. Dit wringt nu er al bijna een jaar een vacature open staat waar een geschikte en gewenste kandidaat voor is. De voorzieningenrechter vraagt zich dan ook af in hoeverre het belang van verweerder niet juist gediend wordt met het toewijzen van de functie aan verzoeker. Ook is niet duidelijk waarom het belang van verweerder geschaad wordt bij het aannemen van verzoeker. Uit het dossier blijkt dat verzoeker majorabel is, het is verder niet duidelijk waarom zijn benoeming onevenwichtig zou zijn. Dit zeker gelet op het feit dat verzoeker herplaatsingskandidaat was, op verweerder rustte dan ook een extra zorgplicht. Op zitting is verder gebleken dat de vacaturetekst hoogst waarschijnlijk aangepast zal worden en dat het vereiste van “ervaring binnen een operationele staf” komt te vervallen. Het bevoegd gezag was niet aanwezig op zitting, waardoor ook niet om een verdere toelichting gevraagd kon worden.

Alles overziend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van verzoeker bij de gevraagde voorziening in dit geval zwaarder wegen dan het belang van verweerder.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat de vacature niet opnieuw opengesteld mag worden tot na de beslissing op het bezwaar van verzoeker.

7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Het college moet die vergoedingen betalen. De vergoedingen worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,- bij een wegingsfactor 1). Toegekend wordt € 1814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- bepaalt dat de vacature niet opnieuw mag worden opengezet totdat op het bezwaar is beslist;

- bepaalt dat verweerder een proceskostenvergoeding van € 1814,- aan verzoeker moet betalen;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is op 8 december 2025 per e-mail naar partijen verstuurd.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.H.T. van Bruggen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?