RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.20201 en NL25.20203
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], met V-nummer: [V-nummer 1] ,
[eiseres] , met V-nummer: [V-nummer 2] , eisers (gemachtigde: mr. H.K. Westerhof),
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvragen).
Overwegingen
Zijn de beroepen van eisers gegrond?
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
3. De minister heeft de aanvragen op 11 juni 2023 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvragen beslissen.3 De minister heeft deze termijn onder toepassing van WBV 2023/3⁴ met negen maanden verlengd. Eisers hebben de minister op 14 april 2025 in gebreke gesteld. Dat is hoe dan ook tijdig geweest, ongeacht de vraag over de rechtmatigheid van WBV 2023/3.⁵ Eisers hebben meer dan twee weken na de
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000.
4 Staatscourant van 8 februari 2023, nr. 3235.
5 Zie ECLI:EU:C:2025:326.
ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen. De beroepen zijn kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.6
5. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de beslistermijn van 21 maanden7 is overschreden. Deze ziet op de beslistermijn. Dit moet worden onderscheiden van de nadere beslistermijn die de rechtbank met deze uitspraak oplegt. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij moet zij rekening houden met zowel het belang van een snelle als een zorgvuldige besluitvorming.8 De omstandigheid dat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt.
6. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers in deze zaak nog niet zijn gehoord omtrent hun asielmotieven. De rechtbank ziet in deze omstandigheid aanleiding om aan de minister een langere nadere beslistermijn dan twee weken op te leggen. Gelet daarop en gelet op het feit dat de beslistermijn van 21 maanden is overschreden, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De nadere beslistermijn vangt aan na de dag van verzending van deze uitspraak.
7. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.6 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen acht weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
9. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hun een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).
6 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
10. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eisers zijn echtgenoten, hebben dezelfde vluchtgronden en ze worden vertegenwoordigd door dezelfde gemachtigde. Daarbij hebben ze tevens hun ingebrekestellingen en beroepen gelijktijdig ingediend. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.7 Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.8
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
7 Artikel 3 van het Bpb.
8 ECLI:NL:RVS:2020:1624.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 augustus 2025
Documentcode:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.