RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35886
(gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels),
en
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het besluit
Het asielrelaas
1. Eiseres heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1983. Zij behoort tot de Jezidi bevolkingsgroep. Eiseres legt aan haar asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiseres is na het overlijden van haar echtgenoot door haar schoonfamilie in haar vrijheid beperkt en werd gedwongen om bedekkende kleding te dragen. Daarnaast werden zij en haar dochters door haar schoonvader en zwager mishandeld. Omdat zij niet meer op deze manier kon leven, heeft zij Irak verlaten. Ook is zij als Jezidi niet veilig in Irak.
Om haar asielrelaas te onderbouwen heeft eiseres de volgende documenten overgelegd:
Het bestreden besluit
2. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Problemen vanwege het behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep
3. Problemen met schoonfamilie
Verweerder heeft het eerste en tweede asielmotief geloofwaardig geacht. Het derde asielmotief wordt door verweerder niet geloofwaardig geacht omdat eiseres niet aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw, voldoet. Eiseres haar verklaringen over het derde asielmotief zijn volgens verweerder niet samenhangend en aannemelijk. De geloofwaardig geachte asielmotieven leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet onder het risicoprofiel alleenstaande vrouwen valt zoals geformuleerd in paragraaf C7/16.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Daarnaast is de situatie voor Jezidi’s niet dusdanig ernstig dat alle Jezidi’s in Irak gevaar lopen. Eiseres is er niet in geslaagd om op basis van persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat zij specifiek gevaar loopt vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit.
Beoordeling door de rechtbank
Referentiekader
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende althans onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met haar referentiekader. Eiseres is een Jezidi weduwe die met zes dochters onder het juk van haar schoonfamilie in een vluchtelingenkamp woonde en niet de vrijheid had om te gaan en staan waar zij wilde. Daarnaast is eiseres nooit naar school geweest en kan zij niet lezen en schrijven. Gezien haar referentiekader werpt verweerder volgens eiseres ten onrechte tegen dat zij geen gedetailleerde en consistente verklaringen heeft afgelegd en dat zij aangifte had moeten doen bij de politie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende en kenbaar rekening gehouden met het referentiekader van eiseres. Zo wijst verweerder er in het bestreden besluit terecht op dat uit het medisch advies enkel is gebleken dat eiseres moeite heeft met jaartallen (in het medisch advies: exacte data). In het medisch advies staat niet dat van eiseres geen gedetailleerde en consistente verklaringen kunnen worden verwacht. Daarnaast wijst verweerder er terecht op dat eiseres zowel aan het begin van het nader gehoor als aan het einde daarvan heeft aangegeven dat zij de tolk goed heeft verstaan. Ook heeft eiseres aangegeven dat zij het zou aangeven als zij moeite had met vragen (pagina 2 en 14 nader gehoor). Uit het rapport van het nader gehoor blijkt niet dat eiseres bepaalde vragen niet heeft begrepen, of niet voldoende kon beantwoorden vanwege haar referentiekader. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiseres na afloop van het gehoor heeft verklaard geen op- of aanmerkingen over de werkwijze van de hoormedewerker of de tolk te hebben (pagina 14 nader gehoor). De rechtbank acht hierbij ook van belang dat – zoals verweerder op de zitting heeft opgemerkt – de omstandigheden dat eiseres geen onderwijs heeft gehad en analfabeet is, niets zeggen over de intelligentie van eiseres. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij als laagopgeleide analfabete niet consistent kan verklaren en dat eiseres niet heeft aangegeven welke concrete verklaringen volgens haar wisselend of minimaal zijn vanwege haar referentiekader. Daarnaast heeft eiseres ter zitting geen andere concrete voorbeelden kunnen noemen van tegenwerpingen waarbij onvoldoende rekening zou zijn gehouden met haar referentiekader dan de (hierna te bespreken) tegenwerping dat van eiseres mocht worden verwacht dat zij zich tot een hogere instantie zou wenden. De beroepsgrond slaagt niet.
Problemen met schoonfamilie
4. Volgens eiseres heeft verweerder ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat zij problemen met haar schoonfamilie heeft. Zo kan eiseres niet worden tegengeworpen dat zij samen met haar schoonbroer Nederland is ingereisd omdat zij niet voor alle schoonbroers vreesde. Van eiseres kan verder niet worden verwacht dat zij aangifte doet tegen haar schoonfamilie. Eiseres verwijst hierbij naar pagina 40 en 41 van het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023. Ook kan eiseres niet worden tegengeworpen dat haar dochters binnen het kamp zijn verhuisd omdat het geweld van haar schoonfamilie nog steeds gaande is, en omdat het geweld zich in eerste instantie tegen eiseres richtte. Tot slot heeft eiseres niet wisselend verklaard over hoe haar eigen familie op de hoogte is geraakt van haar problemen met haar schoonfamilie omdat eiseres heeft uitgelegd dat zij haar familie via haar jongste broer op de hoogte heeft gebracht van de problemen.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiseres wisselend heeft verklaard over haar reis naar Nederland. Zo heeft eiseres verklaard dat haar broertje [naam 2] haar vertrek uit het kamp en uitreis heeft geregeld en dat ze is vertrokken zonder haar schoonfamilie in te lichten (pagina 10 nader gehoor). Eiseres heeft echter ook verklaard dat ze met een broer van haar man naar Nederland is gereisd (althans vanaf Griekenland) en dat hij alles heeft geregeld (pagina 2 proces-verbaal Vreemdelingenpolitie), maar ook dat zij niet met andere familieleden is gereisd (pagina 8 aanmeldgehoor). Daarnaast stelt verweerder zich ook niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres haar vrees voor haar schoonfamilie niet aannemelijk is nu zij samen met haar zwager naar Nederland is gereisd en hij eiseres heeft geholpen om de reis te regelen. Dat, zoals eiseres stelt, zij niet voor al haar zwagers vreesde, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte niet als afdoende verklaring gezien, nu dit niet verklaart waarom haar zwager haar, ondanks de gestelde problemen met de schoonfamilie, toch zou helpen om te vertrekken. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder niet ten onrechte dat deze verklaringen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van eiseres haar relaas.
Verweerder werpt eiseres verder niet ten onrechte tegen dat het niet met elkaar rijmt dat eiseres ondanks haar gestelde vrees toch jarenlang naast haar schoonfamilie is blijven wonen zonder zich aan de problemen te onttrekken. Verweerder heeft hierover op de zitting toegelicht dat eiseres zich op meerdere manieren aan de problemen had kunnen onttrekken, bijvoorbeeld door terug te gaan naar haar familie, haar tent te verplaatsen, of aangifte te doen. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Zo werpt verweerder niet ten onrechte tegen dat eiseres geen aangifte heeft gedaan, terwijl uit het Algemeen Ambtsbericht blijkt dat dit wel kan (pagina 40). Uit eiseres haar verwijzing naar pagina 40 en 41 van het Algemeen Ambtsbericht blijkt weliswaar dat vrouwen bij het doen van aangifte het risico op blootstelling aan (seksuele) intimidatie, pesterijen, afpersing, angst voor stigmatisering of mogelijke vergelding door de eigen familieleden of die van de dader(s) lopen, maar verweerder wijst er in dit kader niet ten onrechte op dat uit het Algemeen Ambtsbericht ook blijkt dat als de politie in gebreke blijft, eiseres zich tot een hogere autoriteit kan wenden. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom dit niet van haar kon worden verwacht. De rechtbank overweegt hierbij nog dat eiseres heeft verklaard dat haar eigen broertje [naam 2] haar heeft geadviseerd aangifte te doen tegen haar schoonfamilie (pagina 10 nader gehoor) en dat hij eiseres hierbij mogelijk op afstand had kunnen ondersteunen, of dat eiseres iemand in haar directe omgeving om hulp had kunnen vragen (bijvoorbeeld de buurvrouw in het kamp, iemand van haar werk of van de in het kamp actieve hulporganisaties). Uit de verklaringen van eiseres blijkt dat zij in het geheel niet heeft geprobeerd zich tot de autoriteiten te wenden. Verder stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat het niet met elkaar rijmt dat eiseres haar tent niet heeft verplaatst naar een andere plek op het kamp, terwijl haar kinderen dit na haar vertrek wel hebben gedaan en dat eiseres hierover heeft verklaard dat dit geen noemenswaardige problemen met de schoonfamilie opleverde en dat haar kinderen nu veel minder worden lastiggevallen (pagina 9 nader gehoor). Dat eiseres het niet durfde om binnen het kamp te verhuizen en dat het geweld zich vooral tegen haar richtte, heeft verweerder niet ten onrechte als onvoldoende verklaring gezien. Hieruit blijkt namelijk niet waarom het haar kinderen wel is gelukt om binnen het kamp te verhuizen, maar het eiseres niet zou lukken (eventueel met hulp van de buurvrouw die haar kinderen heeft geholpen). Verweerder wijst er in dit kader ook niet ten onrechte op dat het niet met elkaar strookt dat eiseres haar kinderen wel het risico laat lopen dat gepaard zou gaan met de verhuizing, terwijl zij dit zelf niet zou durven.
Tot slot werpt verweerder eiseres naar het oordeel van de rechtbank terecht tegen dat zij wisselend heeft verklaard over hoe haar eigen familie op de hoogte is geraakt van haar problemen met haar schoonfamilie. Zo heeft eiseres verklaard dat ze het alleen aan haar broertje [naam 2] heeft verteld (pagina 10 nader gehoor). Eiseres heeft echter ook verklaard dat ze zelf aan haar familie heeft verteld dat ze onder druk werd gezet door haar schoonfamilie (pagina 13 nader gehoor). Wanneer eiseres met deze tegenstrijdigheid wordt geconfronteerd verklaart zij dat haar broertje [naam 2] het op haar verzoek aan haar familie heeft verteld (pagina 13 nader gehoor). Verweerder stelt terecht dat dit wisselende verklaringen zijn, en stelt niet ten onrechte dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid.
Al gelet op de hiervoor vermelde tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiseres over haar problemen met haar schoonfamilie geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat dus niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Hieruit volgt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiseres over haar problemen met haar familie ongeloofwaardig zijn. Nu dit asielmotief dus niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, levert dit geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
Alleenstaande vrouwen
5. Volgens eiseres stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat eiseres niet onder het beleid voor alleenstaande vrouwen in Irak valt. Eiseres is namelijk onderdrukt en mishandeld door haar schoonfamilie en vreest ook door haar eigen familie in haar vrijheid te worden beperkt. Daarnaast zou zij als weduwe worden gedwongen haar kinderen bij haar schoonfamilie achter te laten.
Uit paragraaf C7/16.3.2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) blijkt dat verweerder in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw verleent aan een alleenstaande vrouw uit Irak. Bij de beoordeling of een vrouw in Irak alleenstaand is en op die grond bescherming behoeft, wordt in ieder geval meegewogen dat:
zij geen echtgenoot heeft – of geen persoon met wie zij een duurzame relatie heeft – in Irak met wie zij kan gaan samenleven;
de gezinsband met haar ouderlijk gezin is verbroken en zij aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet kan worden hersteld; of
er geen familielid of sociaal netwerk is waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen.
Verweerder verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of en hoe zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in het land van herkomst.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet onder het risicoprofiel alleenstaande vrouwen valt omdat zij nog een sociaal netwerk heeft in Irak en er nog verschillende (mannelijke) familieleden van eiseres in Irak verblijven. Eiseres heeft nog altijd contact met haar familie en de gestelde problemen met haar schoonfamilie zijn ongeloofwaardig geacht. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiseres een onherstelbare gezinsband met haar ouderlijke gezin heeft. In dit kader heeft verweerder er op kunnen wijzen dat uit eiseres haar verklaringen blijkt dat haar broertje [naam 2] voor haar klaar staat en haar steunt. Zo heeft hij haar geholpen met haar vertrek uit Irak, en heeft hij op verzoek van eiseres haar kinderen gebeld om te vertellen dat zij hun tent moesten verplaatsen (pagina 8 en 10 nader gehoor). Daarnaast wijst verweerder er terecht op dat, zoals onder 4.3. ook is overwogen, eiseres wisselend heeft verklaard over haar contacten met haar eigen familie en hun standpunt. Eiseres heeft eerst verklaard dat [naam 2] haar adviseerde aangifte te doen tegen haar schoonfamilie (pagina 10 nader gehoor) en later verklaart zij dat zij weet dat haar eigen familie haar ook zou onderdrukken en mishandelen omdat zij dat aan haar verteld hebben (pagina 12 en 13 nader gehoor). Geconfronteerd met haar wisselende verklaring, verklaart eiseres echter vervolgens dat [naam 2] aan haar familie heeft verteld over haar problemen met haar schoonfamilie (pagina 13 nader gehoor). Dat de familie van eiseres haar ook zal onderdrukken, heeft verweerder dan ook niet ten onrechte onvoldoende onderbouwd geacht en als onvoldoende gezien voor het oordeel dat eiseres een onherstelbare gezinsband met haar ouderlijk gezin heeft, temeer nu er ook geen andere aanknopingspunten zijn waarom de familie van eiseres haar daadwerkelijk zou onderdrukken. Daarnaast heeft verweerder er ook op kunnen wijzen dat eiseres zichzelf jarenlang staande heeft kunnen houden in het kamp in Irak. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres heeft verklaard dat zij kostwinner was voor haar gezin omdat zij geen hulp (voedsel) kreeg van haar schoonfamilie en dat zij zonder begeleiding van haar schoonfamilie of derden naar haar werk in een medische kliniek in het kamp ging (pagina 7 nader gehoor). Dat, zoals eiseres stelt, zij als weduwe gedwongen wordt om haar kinderen bij haar schoonfamilie achter te laten, heeft eiseres niet nader onderbouwd. De rechtbank overweegt hierbij dat eiseres heeft verklaard dat haar kinderen sinds het verplaatsen van de tent binnen het kamp niet meer bij de schoonfamilie wonen en zijn aangewezen op zichzelf en op hulp van de buurvrouw en anderen (pagina 11 nader gehoor ). De beroepsgrond slaagt niet.
Reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar vluchtelingenkamp
6. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het tentenkamp waar zij voor vertrek verbleef niet als normale woon- en verblijfplaats kan worden beschouwd. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 4 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:1393) en op het landgebonden beleid ten aanzien van Irak dat tot 1 juli 2024 gold. Volgens eiseres heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt waarom er nu anders wordt gekeken naar het leven in de tentenkampen. Eiseres loopt vanwege de slechte leefomstandigheden in de ontheemdenkampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR) bij terugkeer een reëel risico op schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiseres verwijst hierbij naar het thematisch ambtsbericht Irak van november 2025, landeninformatie van Vluchtelingenwerk Nederland van 29 oktober 2025, en naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 5 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:20921).
De rechtbank merkt allereerst op dat het verweerder in beginsel was toegestaan om het beleid ten aanzien van Jezidi’s in de KAR per 1 juli 2024 te wijzigen naar ander (aanvaardbaar) beleid. De centrale vraag is dan ook of het geldende beleid ten aanzien van Jezidi’s in de KAR aanvaardbaar is. Hierbij is van belang of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat, en waarom, hij het vluchtelingenkamp Khanke in de KAR voor eiseres aanmerkt als haar vaste woon- of verblijfplaats, en waarom verweerder concludeert dat eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade als zij moet terugkeren naar de KAR. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:357), volgt dat bij de beoordeling of een vreemdeling in het land, dan wel in het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een reëel risico loopt op ernstige schade moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- of verblijfplaats had. Bij de beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had is onder meer van belang hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling daar heeft verbleven. De omstandigheid dat de vreemdeling gevlucht is naar die plaats is daarbij niet van doorslaggevende betekenis.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder vluchtelingenkamp Khanke in de KAR, waar eiseres voor vertrek verbleef, terecht aangemerkt als haar normale woon- of verblijfplaats. Daarbij is van belang dat eiseres hier in de negen jaren voorafgaand aan haar vertrek samen met haar gezin heeft verbleven. Verweerder stelt terecht dat eiseres daar naar lokale maatstaven op een normaal niveau heeft kunnen functioneren. Zo heeft eiseres verklaard dat haar vier kinderen naar school gingen (pagina 12 nader gehoor), dat zij heeft gewerkt als schoonmaakster (pagina 7 nader gehoor), en dat zij toegang had tot de medische zorg (pagina 12 nader gehoor). Haar kinderen verblijven ook nog steeds in het kamp. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder het vluchtelingenkamp Khanke in de KAR heeft kunnen aanmerken als normale woon- en verblijfplaats van eiseres. Dat de humanitaire situatie in de vluchtelingenkampen mogelijk is verslechterd speelt bij de vraag of het tentenkamp mag worden aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats geen rol. Hierbij gaat het namelijk om de situatie vóór vertrek. De huidige situatie in de tentenkampen in de KAR is wel van belang bij de beantwoording van de vraag of eiseres bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Op die vraag gaat de rechtbank hierna in.
Het reële risico op ernstige schade bij terugkeer moet blijken uit de individuele situatie van eiseres en de door haar overgelegde en verder bekende algemene informatie. De rechtbank is het in dit kader met verweerder eens dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat zij als Jezidi in de KAR dusdanig werd gediscrimineerd dat zij maatschappelijk en sociaal niet kon functioneren. De rechtbank verwijst in dit kader kortheidshalve naar wat onder 6.2.1. is overwogen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eiseres op de zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij vanwege haar problemen met haar schoonfamilie is gevlucht, en niet vanwege haar positie als Jezidi. De rechtbank volgt verweerder dan ook in zijn standpunt dat de omstandigheden dat eiseres Jezidi is en in een ontheemdenkamp voor Jezidi’s verbleef, op zichzelf onvoldoende zijn voor het oordeel dat eiseres bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres bij terugkeer, alleen door haar aanwezigheid in het tentenkamp, geen reëel risico loopt op ernstige schade. In dit kader stelt de rechtbank vast dat uit het Algemeen Ambtsbericht van november 2023 en het thematisch Ambtsbericht Irak van november 2025 weliswaar blijkt dat de humanitaire situatie in de kampen zorgelijk is, en sinds 2023 ook is verslechterd, maar heeft verweerder zich op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat humanitaire omstandigheden slechts in beperkte mate een rol spelen bij de beoordeling of eiseres bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Zo volgt uit de arresten van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 28 juni 2011 (nr. 8319/07 en 11449/07, Sufi en Elmi, paragrafen 281 en 282), en van 29 januari 2013 (nr. 60367/10, S.H.H. tegen het Verenigd Koninkrijk, paragrafen 74 tot en met 77), dat als een humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van een gewapend conflict, artikel 3 van het EVRM slechts wordt geschonden in 'very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling'. Hoewel uit het thematisch Ambtsbericht en de door eiseres overgelegde landeninformatie van Vluchtelingenwerk blijkt dat er sprake is van een slechte humanitaire situatie in de ontheemdenkampen (waaronder Kanke), onder andere door een tekort aan basisvoorzieningen zoals weerbestendige en veilige onderkomens, voedsel(hulp), medische zorg en psychosociale ondersteuning, zijn deze omstandigheden in beginsel geen aanleiding om dergelijke uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat de Kurdistan Regional Government en (internationale) hulpverleningsorganisaties zich het lot van de ontheemden aantrekken en dat in de verslagperiode nog steeds (zij het beperkter dan voorheen) in Khanke sprake was van voedselhulp (door particuliere donateurs en liefdadigheidsorganisaties), drinkwater (zij het dat de waterveiligheid niet consistent was) en beperkte gezondheidszorg. Eiseres heeft met haar verklaringen, of met haar verwijzingen naar openbare bronnen, ook geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat dit in haar individuele situatie anders is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.