ECLI:NL:RBDHA:2025:23722

ECLI:NL:RBDHA:2025:23722, Rechtbank Den Haag, 10-12-2025, NL25.9388

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer NL25.9388
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Faciliterend visum – Richtlijn 2004/38/EG – parallelle mvv-TEV-procedure – ten onrechte niet gehoord in bezwaar – tardieve geboorteregistratie in Ghana – beroep gegrond – PKV – griffierecht.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.9388

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een faciliterend visum afgewezen.

Bij besluit van 30 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder was ter zitting aanwezig [referent]. De zitting heeft zonder tolk plaatsgevonden. Partijen hebben ermee ingestemd de behandeling zonder tolk voort te zetten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 2005 en heeft de Ghanese nationaliteit. Op 25 september 2023 heeft hij verzocht om afgifte van een faciliterend visum op grond van de Richtlijn 2004/38/EG voor verblijf bij [referent]. Referent is de vader van eiser, heeft de Italiaanse nationaliteit en is woonachtig in Nederland.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de visumaanvraag afgewezen, omdat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard, omdat niet is aangetoond dat tussen eiser en referent een familierechtelijke relatie bestaat op grond waarvan eiser als familielid in de zin van de Richtlijn kan worden aangemerkt. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat uit het in de parallelle mvv-TEV-procedure verrichte documentenonderzoek niet volgt dat de tardieve registratie van de geboorte van eiser naar Ghanees recht juist is verlopen en dat de gestelde familierechtelijke relatie tussen eiser en referent daarom niet kan worden aangenomen. Verder heeft verweerder afgezien van horen, omdat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit zouden leiden.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 stelt eiser dat slechts bij uitzondering van het horen in bezwaar mag worden afgezien. Zijn vader, referent, heeft de Italiaanse nationaliteit, verblijft al geruime tijd in Nederland en heeft daarmee gebruik gemaakt van het recht op vrij verkeer als bedoeld in de Richtlijn. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit de bevindingen uit het in de parallel lopende mvv-TEV-procedure verrichte documentenonderzoek overgenomen, terwijl de beslissing in die procedure op dezelfde datum is genomen als het bestreden besluit en eiser daardoor in geen van beide procedures de gelegenheid heeft gehad om op die bevindingen te reageren. Door deze resultaten zonder voorafgaand horen of reactiemogelijkheid aan hem tegen te werpen, heeft verweerder gehandeld in strijd met zijn recht om te worden gehoord. Tot slot is sprake van schending van het verbod op reformatio in peius, omdat verweerder in het besluit op bezwaar andere, zwaardere afwijzingsgronden tegenwerpt dan in het primaire besluit en zich daarbij op het standpunt stelt dat eventuele gebreken in primo in bezwaar kunnen worden hersteld, zonder te onderkennen dat in een dergelijke situatie niet zonder hoorzitting dan wel nadere reactie kan worden volstaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan verweerder van het horen afzien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

5. De Afdeling heeft op 6 juli 2022 in haar uitspraak nadere uitleg gegeven over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. Daaruit volgt dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling in bezwaar wordt gehoord. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin verweerder beoordelingsruimte heeft en het besluit sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Verder moet terughoudend worden omgegaan met de uitzonderingen op de hoorplicht. Of van horen kan worden afgezien, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Als relevante omstandigheid heeft de Afdeling onder meer genoemd in hoeverre een vreemdeling bereidwillig en actief inspanningen heeft verricht en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd. Naarmate een vreemdeling meer inspanning heeft verricht, ligt het meer in de rede om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.

6. In dit geval wordt de afwijzing van het faciliterend visum in het bestreden besluit voor het eerst dragend gebaseerd op het oordeel dat de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent niet is aangetoond, onder verwijzing naar het in de parallelle mvv-TEV-procedure verrichte documentenonderzoek. De bevindingen van Bureau Documenten zijn tegelijkertijd met de kennisgeving in de mvv-TEV-procedure, op 30 januari 2025, voor het eerst aan eiser tegengeworpen. Eiser heeft voorafgaand aan het besluit op bezwaar niet de gelegenheid gehad om zich over deze voor hem nadelige bevindingen uit te laten, terwijl die bevindingen de kern van de afwijzing vormen. Daar komt bij dat eiser in bezwaar aanvullende gelegaliseerde documenten heeft overgelegd die juist zien op de tardieve registratie van zijn geboorte en de gestelde gezinsband en dat hij uitdrukkelijk om een hoorzitting heeft verzocht om de late registratie nader toe te lichten. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de in bezwaar aangevoerde gronden op voorhand geen enkele kans van slagen hadden. Dat verweerder heeft gewezen op de omstandigheid dat de verklaring van de moeder van eiser is gedateerd na de registratie van de geboorte neemt die twijfel niet weg. Die omstandigheid vormt hooguit een aanwijzing tegen de juistheid van de registratie, maar sluit niet uit dat eiser dan wel referent daarvoor een plausibele verklaring kan geven en dat de overgelegde stukken in onderlinge samenhang tot een andere waardering van de familierechtelijke relatie kunnen leiden. Gelet hierop had verweerder aanleiding moeten zien om eiser, eventueel samen met referent dan wel los van elkaar, in de bezwaarfase te horen. Het bezwaar kon daarom niet als kennelijk ongegrond worden aangemerkt. Door van horen af te zien is gehandeld in strijd met artikel 7:2 van de Awb.

7. Het beroep van eiser is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen gehoor heeft plaatsgevonden. Dit maakt dat de overige beroepsgronden geen verdere bespreking behoeven.

8. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:2 van de Awb. Dit betekent dat verweerder eiser en desgewenst ook referent alsnog moet horen en het bezwaar daarna opnieuw moet beoordelen. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

9. In de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn vastgesteld op € 1814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 aan eiser vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met

inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814

(duizend achthonderdveertien euro);

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194 (honderdvierennegentig euro) aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 10 december 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K.M. de Jager

Griffier

  • mr. S. Mohandes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?