ECLI:NL:RBDHA:2025:23723

ECLI:NL:RBDHA:2025:23723, Rechtbank Den Haag, 10-12-2025, NL25.18016

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer NL25.18016
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

mvv familie en gezin – artikel 8 EVRM - eiseres moeder in Syrië – op leeftijd – weduwe – medische omstandigheden – gehoord in bezwaar – meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.18016

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een mvv voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen.

Bij besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder was ter zitting aanwezig [referent]. Als tolk is verschenen [naam].

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [datum 1] 1951 en heeft de Syrische nationaliteit. Zij verblijft in Syrië. Eiseres is de moeder van referente, die is geboren op [datum 2] 1987 en in Nederland verblijft. Referente is het enige kind van eiseres. De echtgenoot van eiseres is op 16 mei 2021 overleden. Referente heeft tot aan haar huwelijk bij haar ouders in Syrië gewoond en heeft daarna, tot aan haar vertrek uit Syrië, in hetzelfde gebouw als eiseres gewoond.

2. Referente heeft op 29 november 2022 namens haar moeder een aanvraag ingediend om verlening van een mvv met als doel om in Nederland bij haar te verblijven. Bij besluit van 10 april 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat tussen eiseres en referente geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In het kader van de bezwaarprocedure is referente op 17 maart 2025 gehoord. Bij besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder, onder verwijzing naar het primaire besluit, opnieuw overwogen dat tussen eiseres en referente geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele band tussen een ouder en een meerderjarig kind overstijgen.

4. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is. Verweerder heeft ten onrechte geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aangenomen en miskend dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke band tussen meerderjarig kind en ouder overstijgen. Verweerder dient een brede, feitelijke beoordeling uit te voeren waarbij alle relevante omstandigheden in samenhang worden beoordeeld. Verweerder heeft de relevante omstandigheden, waaronder haar weduwschap en leeftijd, het feit dat referente haar enige kind is en in Nederland woont, de langdurig samenwoning in hetzelfde gebouw, haar medische problematiek, het ontbreken van adequate zorg, en de onveilige, door oorlog getroffen situatie in Syrië en het feit dat alle kleinkinderen in Nederland wonen, slechts afzonderlijk beoordeeld. Verder voert eiseres aan dat de bewijslast niet zo mag worden uitgelegd dat het in de praktijk vrijwel onmogelijk wordt om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aan te tonen. Verweerder heeft haar in het bestreden besluit ten onrechte voor het eerst tegengeworpen dat het ontbreken van familie of netwerk in Syrië niet met stukken is onderbouwd. Ook heeft verweerder haar medische beperkingen, de mate waarin zij nog voor zichzelf kan zorgen en de actuele veiligheidssituatie en humanitaire omstandigheden in Syrië onvoldoende kenbaar bij de beoordeling betrokken. Verweerder heeft bovendien een onjuist en te streng toetsingskader gehanteerd door in feite exclusieve zorg van referente te verlangen en te speculeren over de mogelijkheid dat in de toekomst weer hulp in de huishouding kan worden gevonden. Omdat ten onrechte geen beschermenswaardig gezinsleven is aangenomen, heeft ook geen juiste belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM plaatsgevonden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Beoordelingskader

5. Voorop staat dat tussen een ouder en een meerderjarig kind niet al op grond van de familierechtelijke relatie sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat pas sprake is van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden tussen ouder en een meerderjarig kind overstijgen. Bij de beoordeling of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie is een brede, feitelijke beoordeling vereist. Daarbij kunnen onder meer de (eerdere) samenwoning, de mate van financiële en praktische afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst een rol spelen. Exclusieve afhankelijkheid van de zorg van het meerderjarige kind is geen vereiste, maar vormt wel een zwaarwegende factor in de beoordeling.

6. De vraag of sprake is van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen een ouder en een meerderjarig kind is daarmee in essentie feitelijk van aard. Doorslaggevend is of in de concrete omstandigheden hechte, persoonlijke banden bestaan die verder gaan dan wat tussen meerderjarige familieleden gebruikelijk is. Daarbij wordt het geheel aan hiervoor genoemde factoren in onderlinge samenhang beoordeeld.

7. Voor de relatie tussen een minderjarig kleinkind en een grootouder geldt dat artikel 8 van het EVRM bescherming biedt als sprake is van hechte, persoonlijke banden. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 maart 2024 overwogen dat ook deze beoordeling feitelijk van aard is en afhangt van de concrete invulling van de relatie tussen het kleinkind en de grootouder.

Meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie

8. In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiseres en referente geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, en daarmee een beschermenswaardig gezinsleven aanwezig is, en daarom geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

9. Uit het dossier volgt dat eiseres op leeftijd is, weduwe is en medische problemen heeft, onder meer COPD, waarvoor zij zuurstof en medicatie nodig heeft. Ook volgt uit de verklaringen van referente dat eiseres beperkt mobiel is, het huishouden niet meer kan doen en slechts in beperkte mate buiten de woning komt. Deze omstandigheden zijn door verweerder ook onderkend. Verweerder heeft van belang geacht dat eiseres zelf haar zuurstof en medicatie kan toedienen en dat zij met behulp van derden de noodzakelijke zorg en begeleiding bij artsbezoeken krijgt. Referente verleent vanuit Nederland geen feitelijke, praktische zorg aan eiseres. De wens van referente om die zorg in Nederland op zich te nemen, ziet op de situatie die bij toelating zou ontstaan en niet op de huidige feitelijke afhankelijkheidsrelatie. Verweerder stelt daarnaast terecht dat uit de overgelegde kopieën van medische stukken niet blijkt welke zorg eiseres verder nodig heeft en of zij afhankelijk is van specifieke zorg van referente of anderen om zelfstandig te kunnen functioneren. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de medische en praktische kwetsbaarheid van eiseres op zichzelf niet meebrengt dat zij meer dan gebruikelijk afhankelijk is van referente. Dat verweerder in dit kader van belang heeft geacht dat de zorg die eiseres ontvangt in feite door anderen wordt verleend, betekent niet dat exclusieve zorg door referente als vereiste is gehanteerd, maar dat deze omstandigheid is betrokken bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.

10. Verder staat vast dat referente in ieder geval sinds haar huwelijk een eigen huishouden voerde en dat zij sinds 2016 met haar gezin in Nederland verblijft, terwijl de hulpbehoevendheid van eiseres pas nadien in ernst is toegenomen. Onder die omstandigheden heeft verweerder van betekenis mogen achten dat op het moment van vertrek van referente uit Syrië nog geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestond en dat de door eiseres gestelde afhankelijkheid zich pas nadien, op afstand, heeft ontwikkeld. Dit sluit aan bij hetgeen in WI 2020/16 is vermeld, namelijk dat een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie zich in de regel minder snel zal voordoen als een in het land van herkomst achtergebleven ouder pas na het vertrek van het meerderjarige kind hulpbehoevend wordt. In wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, is geen grond gelegen om aan te nemen dat verweerder deze lijn in dit geval niet mocht volgen.

11. Daarnaast is onbetwist dat eiseres financieel wordt onderhouden door haar zus in de Verenigde Staten en niet door referente. Verweerder heeft daarom terecht geen financiële afhankelijkheid tussen eiseres en referente aangenomen. Dat referente inmiddels werk heeft gevonden, wijzigt die situatie niet. Ook voor de gestelde hechte band tussen eiseres en de kleinkinderen geldt dat, afgezien van de overgelegde foto’s en schermafdrukken van berichten, geen objectieve gegevens zijn overgelegd die de intensiteit en duurzaamheid van die band onderbouwen. De door eiseres overgelegde landeninformatie over de veiligheidssituatie in Syrië en in het bijzonder in [plaats] toont aan dat haar positie kwetsbaar is, maar leidt niet tot de conclusie dat zij daardoor meer dan gebruikelijk afhankelijk is geworden van referente. Zoals ook in WI 2020/16 is opgenomen, is een slechte veiligheidssituatie in het land van herkomst op zichzelf niet voldoende om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aan te nemen.

12. De stelling van eiseres dat verweerder haar in het bestreden besluit voor het eerst tegenwerpt dat het ontbreken van familie of netwerk in Syrië niet met stukken is onderbouwd en dat zij daardoor niet heeft kunnen reageren, wordt niet gevolgd. In het primaire besluit heeft verweerder al overwogen dat het niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres in Syrië geen familieleden, vrienden of anderen heeft die haar kunnen helpen. Eiseres heeft daarop in bezwaar kunnen reageren. Dat verweerder dit punt in het bestreden besluit nader heeft uitgewerkt, maakt niet dat sprake is van nieuwe, niet eerder voorgehouden tegenwerpingen of van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Voor zover eiseres verder meent dat de bewijslast onredelijk is verzwaard, geldt dat het op haar weg ligt om de door haar gestelde feiten, waaronder het volledig ontbreken van een netwerk in Syrië, met zoveel mogelijk objectieve stukken te onderbouwen. Niet is gebleken dat de bewijslast zodanig is verzwaard dat eiseres in het geheel niet in staat zou zijn haar stellingen aannemelijk te maken.

Conclusie

13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en referente geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat en dat daarom geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM wordt aangenomen. De beroepsgrond die zich richt tegen het ontbreken van een afzonderlijke belangenafweging slaagt niet. Omdat geen beschermingswaardig gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, was verweerder, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, niet gehouden een nadere belangenafweging te maken.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 10 december 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K.M. de Jager

Griffier

  • mr. S. Mohandes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?