RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.V. Becker).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46392
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. P.M. Langereis),
en
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de vaststelling van de minister dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland op grond van het Unierecht. De minister heeft dit in het primaire besluit van 17 juni 2024 vastgesteld.
Met het bestreden van besluit van 25 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven. Eiser is het hiermee niet eens en heeft beroep ingesteld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan, aan de hand waarvan de rechtbank beoordeelt of de minister tot het besluit heeft mogen komen dat eiser geen rechtmatig verblijf meer in Nederland heeft.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Naar aanleiding van vele politiecontacten van eiser in verband met door hem veroorzaakte overlast en gepleegde vermogensdelicten (winkeldiefstallen) heeft de politie onderzocht of eiser voldoet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf. Op basis van dit onderzoek heeft de politie de minister voorgesteld vast te stellen dat dit niet het geval is. Bij besluit van 17 juni 2024 heeft de minister vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Het besluit is bij uitreikingsblad op 20 juni 2024 in persoon aan eiser uitgereikt. Met het bestreden besluit van 25 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2025, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep1, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Besluitvorming
5. Bij de minister is, doordat eiser meerdere malen in aanraking is gekomen met politie en justitie in verband met het veroorzaken van overlast en het plegen van vermogensdelicten, twijfel ontstaan of eiser wel voldoet aan de voorwaarden om in Nederland te verblijven. De minister heeft naar aanleiding hiervan ambtshalve onderzoek gedaan naar eiser. Uit dit onderzoek is gebleken dat eiser van september 2022 tot en met juni 2023 in Nederland heeft gewerkt en sindsdien werkloos is. Eiser staat niet als werkzoekende bij het UWV ingeschreven en heeft, voor zover bekend, ook geen uitzicht op een baan. Eiser heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en leidt al enkele jaren een zwervend bestaan. De minister heeft op grond hiervan vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden waaraan een Unieburger2 dient te voldoen om rechtmatig verblijf in Nederland te hebben en heeft daarom eisers verblijfsrecht beëindigd. De minister heeft eiser opgedragen om Nederland binnen een maand te verlaten en zich naar Polen te begeven.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijstelling griffierecht
6. Eiser heeft verzocht hem vrijstelling te verlenen van de verplichting om griffierecht te betalen. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende heeft aangetoond dat hij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet en verleent hem daarom vrijstelling.
Toetsingskader
7. In artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn3 is neergelegd op welke gronden een burger van de Unie een verblijfsrecht heeft van langer dan drie maanden. Dit is onder meer het geval als de burger werknemer of zelfstandige is. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat een burger van de Unie zijn status als werknemer of zelfstandige behoudt als hij zich in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor minder dan één jaar bevindt òf hij in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos is geworden en zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening heeft ingeschreven. In dit geval blijft de status van werknemer ten minste zes maanden behouden.
8. Dit artikel van de Verblijfsrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). In het eerste lid, aanhef en onder a, van dit artikel is bepaald dat de Unieburger langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland heeft, indien hij in Nederland werknemer of zelfstandige is. In het tweede lid, aanhef en onder c, van het Vb, is bepaald dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling niet eindigt om de enkele reden dat die vreemdeling niet langer werknemer is gedurende een periode van ten minste zes maanden, nadat hij onvrijwillig werkloos is geworden door de afloop van een arbeidsovereenkomst korter dan een jaar dan wel nadat hij gedurende de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden is, indien hij als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) is ingeschreven.
1. Zaak NL24.46394.
2 De burger die de nationaliteit heeft van een lidstaat behorende bij de Unie.
3 Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad.
Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen werknemer is in de zin van de Verblijfsrichtlijn en het Vb?
9. Eiser stelt dat de minister een onjuist toetsingskader heeft toegepast bij de beoordeling of eiser rechtmatig in Nederland verblijft. Eiser heeft eerder verblijfsrecht verworven, waardoor de minister enkel dient na te gaan of hij op grond van artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn zijn verblijfsrecht is verloren. Eiser stelt echter dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet meer voldoet aan artikel 8.12 van het Vb, nu hij geen werknemer is en ook geen werk zoekt en een reële kans op werk heeft. Eiser doet een beroep op het arrest Tarola4 en stelt dat hij zijn werknemer-status gedurende ten minste een periode van zes maanden behoudt.
10. Uit gegevens van Suwinet blijkt dat eiser van september 2022 tot en met juni 2023 inkomen uit arbeid heeft gegenereerd. Niet in geschil is tussen partijen dat eiser sindsdien niet meer heeft gewerkt en daarmee niet kan worden aangemerkt als werknemer. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin gebleken dat hij zijn verblijfsrecht heeft behouden als werkzoekende. Eiser staat niet als werkzoekende bij het UWV ingeschreven en ook anderszins heeft hij niet aangetoond dat hij werkzoekende is en een reële kans maakt te worden aangesteld. De enkele stelling ter zitting dat eiser zijn best doet om werk te vinden zonder enige schriftelijke onderbouwing hiervan, is hiertoe onvoldoende. Nu eiser dit op geen enkele manier heeft aangetoond, leidt ook zijn stelling dat hij zich niet bij het UWV kan inschrijven omdat hij geen vast adres heeft, niet tot een ander oordeel. Het beroep op het arrest Tarola slaagt niet, reeds omdat er tussen de datum van werkloosheid (juni 2023) en het besluit waarin is vastgesteld dat eiser niet rechtmatig verblijft (juni 2024) (ruim) meer dan zes maanden is verstreken. Bovendien is niet gebleken dat hij hierin werkzoekend was. Dat sprake zou zijn van een onjuiste bewijslastverdeling volgt de rechtbank evenmin. De politie heeft onderzoek gedaan naar eisers situatie naar aanleiding van de vele politiecontacten. De minister heeft vervolgens vastgesteld dat eiser sinds juni 2023 niet meer werkt. Het is vervolgens aan eiser om aannemelijk te maken dat hij werkzoekend is en voldoet aan de voorwaarden voor behoud van zijn verblijfsrecht. Hierin is hij niet geslaagd. Ten slotte is het de rechtbank niet gebleken dat de minister, zoals is betoogd, een onjuist toetsingskader heeft gebruikt.
11. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van schending van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?
12. Eiser stelt zich, onder verwijzing naar artikel 30 van de Verblijfsrichtlijn, op het standpunt dat de minister hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van de beëindiging van zijn verblijfsrecht. Eiser is van mening dat de minister hem duidelijk had moeten maken hoe hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief moet beëindigen, zodat hij bij een nieuwe inreis in Nederland niet in bewaring wordt gesteld vanwege het feit dat hij niet voldoet aan het bestreden besluit. Eiser stelt dat dit in strijd is met artikel 5 van het EVRM.
4 Arrest van het HvJEU van 11 april 2019, C-483/17.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister op grond van artikel 30, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn niet is gehouden bij zijn besluitvorming informatie te geven over de wijze waarop eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief kan beëindigen om weer een verblijfsrecht in Nederland te kunnen verkrijgen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit het arrest F.S.5 De rechtbank is daarnaast van oordeel dat een eventueel nieuw verblijf van eiser in Nederland een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft en dat pas te zijner tijd, als eiser zich daadwerkelijk weer in Nederland gaat begeven, kan worden beoordeeld of het eerdere verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief is beëindigd. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn standpunt dat sprake is van schending van artikel 5 van het EVRM.
14. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister bij de belangenafweging alle belangen betrokken?
15. Eiser stelt dat de minister zijn belangen onvoldoende bij de belangenafweging heeft betrokken door enkel rekening te houden met zijn verblijf vanaf september 2022 in plaats van zijn gehele verblijf. Het is de minister immers bekend dat eiser al vanaf 1 maart 2014 in de Basisregistratie personen (Brp) als niet ingezetene staat ingeschreven. De minister had bij de belangenafweging eisers gehele verblijf in Nederland moeten betrekken.
16. Volgens de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 maart 20246 is de vaststelling van onrechtmatig verblijf van een vreemdeling een verwijderingsmaatregel, waardoor de minister een belangenafweging moet maken. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte deze belangenafweging in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. De minister heeft het door eiser niet voldoen aan het bepaalde in artikel 8.12 van het Vb zwaar in zijn nadeel mogen laten meewegen. Eiser verricht sinds juni 2023 geen economische activiteiten in Nederland, is niet aantoonbaar op zoek naar werk, heeft geen middelen van bestaan, geen vaste woon- of verblijfplaats, heeft meerdere vermogensdelicten gepleegd en veroorzaakt overlast. De enkele stelling van eiser dat de binding sterker wordt naarmate het verblijf voortduurt doet hier niet aan af, met name nu eiser geen enkele grond heeft aangevoerd waarom de belangenafweging in zijn voordeel had moeten uitvallen. Dit geldt ook voor het door eiser ingenomen standpunt dat hij al sinds 2014 als niet-ingezetene in Nederland verblijft, nu hij niet met stukken heeft onderbouwd en gemotiveerd waarom dit in zijn voordeel had moeten worden meegewogen.
17. De beroepsgrond slaagt niet.
5 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 22 juni 2021, C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506.
6 ECLI:NL:RVS:2024:1207.
Heeft de minister eiser ten onrechte niet gewezen op de consequenties van het niet verschijnen bij het politiegehoor
18. Eiser stelt dat de minister hem ten onrechte niet heeft geïnformeerd over de consequenties van het niet verschijnen tijdens het politiegehoor. De minister is verplicht dit wel te doen.
19. Uit het uitreikingsblad blijkt dat dit op 2 april 2024 in persoon aan eiser is uitgereikt met de vermelding van de datum en het tijdstip van het politiegehoor. Ook blijkt dat de vordering is uitgereikt in het bijzijn van een tolk in de Poolse taal. Eiser heeft dit uitreikingsblad ondertekend. De minister heeft in beroep de aan eiser overhandigde schriftelijke toelichting in de Poolse taal overgelegd en gesteld dat in deze toelichting staat vermeld waarom eiser wordt uitgenodigd voor het gehoor en wat de eventuele consequenties zijn van het niet verschijnen. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de minister eiser voldoende heeft geïnformeerd over het gehoor en de eventuele consequenties van het niet verschijnen. Dat eiser niet is verschenen komt daarom voor zijn eigen rekening en risico.
20. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de hoorplicht geschonden?
21. Eiser stelt dat de minister hem had moeten horen. Nu de minister dat niet heeft gedaan, is de hoorplicht geschonden.
22. Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan de belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord alvorens een beslissing te nemen. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Het bezwaar is kennelijk ongegrond indien naar objectieve maatstaven bezien op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet tot een ander besluit kan leiden. De beoordeling of sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar is afhankelijk van de inhoud van het bezwaarschrift, bezien in het licht van het primaire besluit en de wettelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn. De rechtbank overweegt dat er voor de minister, zoals hierboven is geoordeeld, voldoende aanleiding bestond om te toetsen of eiser aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf voldeed. Eiser heeft in bezwaar niet gesteld dan wel onderbouwd dat hij wel rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft gesteld dat hij voldoet aan de definitie van werkzoekende, nu hij op zoek is naar werk in Nederland, maar heeft nagelaten stukken ter zake te overleggen. Ook heeft eiser gesteld dat de gehanteerde vertrektermijn niet is gemotiveerd. Mede gelet op wat over deze punten in deze uitspraak is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft aangenomen dat uit het bezwaarschrift al aanstonds bleek dat het geen redelijke kans van slagen kon hebben. De minister heeft het bezwaar dan ook terecht, op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, als kennelijk ongegrond aangemerkt en van het horen van eiser mogen afzien.
23. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister een juiste vertrektermijn gehanteerd en daarbij mogen bepalen dat eiser zich naar Polen dient te begeven?
24. Eiser stelt dat de minister ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom er een vertrektermijn van een maand wordt gehanteerd. Eiser is van mening dat de minister bij het vaststellen van de vertrektermijn een belangenafweging had moeten maken en op basis hiervan een vertrektermijn had moeten bepalen. Eiser is ook van mening dat de minister ten onrechte niet heeft gemeld dat de vertrektermijn van een maand ingaat op de dag na de uitreiking van het bestreden besluit, waardoor de vertrektermijn met een dag is verkort. Ook stelt eiser dat de minister hem ten onrechte heeft opgedragen om zich naar Polen te begeven.
25. De vaststelling van de onrechtmatigheid van het verblijf is een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn. Volgens eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling (zie voetnoot 5) is de formulering van de termijn waarbinnen de vreemdeling de lidstaat dient te verlaten, te weten “binnen een maand”, in overeenstemming met de termijn die volgt uit artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn. De minister is op grond van dit artikel en zoals blijkt uit het arrest F.S. niet gehouden de vertrektermijn te motiveren.7 Ook dient de minister niet telkens een belangenafweging te maken bij het opleggen van een vertrektermijn. Nu eiser geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan hem een langere vertrektermijn verleend had moeten worden, is de rechtbank van oordeel dat de minister aan eiser een vertrektermijn van een maand heeft mogen verlenen.
26. De rechtbank volgt eisers standpunt, dat de vertrektermijn met een dag is verkort nu de minister eiser ten onrechte niet heeft geïnformeerd wanneer de termijn van een maand is gaan lopen, niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling gaat de termijn immers in bij aanvang van het eerste uur van de eerste dag van de termijn en loopt deze af aan het einde van het laatste uur van de dag die dezelfde naam of cijferaanduiding heeft als de dag waarop de termijn ingaat, dus bijvoorbeeld 22 maart tot en met 22 april. Anders dan eiser stelt, is de vertrektermijn daardoor niet korter dan een maand en is deze in overeenstemming met de Verblijfsrichtlijn.8
27. Eiser dient op grond van het verwijderingsbesluit het grondgebied van de lidstaat, in dit geval Nederland, te verlaten, maar is niet gehouden zich naar zijn land van herkomst te verplaatsen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de minister eiser ten onrechte heeft opgedragen zich naar Polen te begeven. De minister heeft in beroep erkend dat hij hiertoe niet had mogen beslissen. Dit betekent dat deze beroepsgrond slaagt, het beroep om deze reden gegrond is en het besluit gedeeltelijk zal worden vernietigd. Nu uit het voorgaande volgt dat wel terecht is vastgesteld dat de overige gronden niet slagen, ziet de rechtbank aanleiding het besluit alleen te vernietigen voor zover hierin is vermeld dat eiser zich naar Polen moet begeven.
28. Deze beroepsgrond slaagt.
7 Uitspraak van 4 augustus 2023 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2023:3006.
8 Uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2050 en van 25 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1207.
Conclusie en gevolgen
29. Het beroep is gelet op hetgeen in rechtsoverweging 26 staat vermeld gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin is bepaald dat eiser zich naar Polen moet begeven en laat het bestreden besluit voor het overige in stand. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De minister is gehouden deze vergoeding te betalen.
Beslissing
De rechtbank:
Polen moet begeven, en laat dit besluit voor het overige in stand;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Durdabak, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekengemaakt op:
5 november 2025
Mr. N. Durdabak J.M. Pattynama
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een
hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.