RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7049
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw maar dat hij in aanmerking komt voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1979 en heeft de Iraanse nationaliteit. Hij heeft op 29 januari 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Aan die aanvraag heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Hij is in Iran opgegroeid in een islamitisch gezin, maar heeft zich sinds zijn vijftiende innerlijk van de islam afgekeerd. Na zijn aankomst in Nederland in 2023 is hij in aanraking gekomen met het christendom, waarna hij zich heeft bekeerd en heeft laten dopen. Verder heeft eiser meerdere malen deelgenomen aan demonstraties in Iran, heeft hij tijdens zijn militaire dienst twee dagen vastgezeten omdat hij weigerde deel te nemen aan het gebed, en is bij zijn woning een rood kruis aangebracht. Eiser vreest bij terugkeer naar Iran problemen te ondervinden met de Iraanse autoriteiten gelet op zijn afvalligheid, zijn bekering, zijn politieke mening, en de problemen van zijn echtgenote.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Wel krijgt eiser een afgeleide verblijfsvergunning asiel als echtgenoot van een vreemdeling met een asielvergunning. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, evenals eisers afvalligheid en politieke mening. De door eiser gestelde bekering tot het christendom acht verweerder echter niet geloofwaardig. Eisers verklaringen over zijn motieven en proces van bekering, zijn kennis van het christendom en zijn activiteiten in de kerk zijn onvoldoende samenhangend, algemeen en onvoldoende persoonlijk. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat zijn gestelde gedragsverandering specifiek uit zijn bekering voortvloeit. De overgelegde brief van de kerk en het doopbewijs tonen wel feitelijke deelname aan kerkelijke activiteiten, maar geven onvoldoende inzicht in innerlijke geloofsontwikkeling. Verweerder acht verder geloofwaardig dat eisers echtgenote problemen heeft ondervonden door haar politieke activiteiten, maar acht niet aannemelijk dat eiser enkel als echtgenoot van haar bij terugkeer in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal komen te staan. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn politieke activiteiten, zijn verlopen Italiaanse visum, zijn uitreis uit Iran of zijn geloofwaardig geachte afvalligheid een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Iran.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd is. Verweerder heeft ten onrechte zijn bekering tot het christendom ongeloofwaardig geacht en hem daardoor ten onrechte een zelfstandige asielvergunning onthouden. Volgens eiser past verweerder met WI 2024/6 feitelijk een verzwaarde bewijslast toe die in strijd is met artikel 31, zesde lid, van de Vw en artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. In dit kader verwijst eiser naar het arrest X t. Ierland, het arrest J.K. tegen Zweden, de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025, uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 8 augustus 2025, zittingsplaats Utrecht van 10 juni 2025, zittingsplaats Den Haag van 6 maart 2025 en het UNHCR-Handboek. Verder heeft verweerder zijn bekering niet in overeenstemming met WI 2022/3 beoordeeld. Verweerder heeft zich te eenzijdig gericht op de samenhang van zijn verklaringen en onvoldoende kenbaar getoetst aan de drie elementen motieven en proces, kennis en activiteiten en de mogelijke compensatie daartussen. Eiser heeft in het nader gehoor wel persoonlijk en uitgebreid verklaard over zijn motieven, zijn innerlijke ontwikkeling en zijn kennis van en activiteiten binnen de kerk. Het door hem overgelegde rapport van Stichting Gave onderstreept dat belangrijke verklaringen niet zijn meegewogen, dat verweerder hem ten onrechte oppervlakkigheid en tegenstrijdigheden tegenwerpt, en een te streng toetsingskader hanteert.
4. Met betrekking tot zijn afvalligheid voert eiser aan dat afvalligheid een geloofsovertuiging in de zin van het Vluchtelingenverdrag is en dat van hem, gelet op het arrest Y en Z en de uitspraken van de Afdeling van 19 januari 2022 en 24 december 2014, niet mag worden verwacht dat hij zich bij terugkeer naar Iran terughoudend opstelt of zich opnieuw als moslim presenteert om vervolging te voorkomen. Ten slotte heeft verweerder het risico bij terugkeer onvoldoende gemotiveerd. Uit het ambtsbericht 2023 en het EUAA rapport volgt dat afvalligen, (vermeende) bekeerlingen en familieleden van opposanten bij terugkeer na een verblijf in het westen in verhoogde mate risico lopen op ondervraging, detentie en onevenredige bestraffing, in het bijzonder bij terugkeer met een laissez-passer.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Afvalligheid
5. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat IB 2023/35 in lijn is met het arrest Y en Z voor zover verweerder in het individuele geval onderzoekt op welke wijze de vreemdeling zelf verklaart bij terugkeer uiting te willen geven aan zijn afvalligheid, hoe aannemelijk dat is, en welke risico’s daarmee samenhangen in het licht van de beschikbare landeninformatie en er niet van uitgaan dat de vreemdeling verplicht is zich terughoudend op te stellen om vervolging te voorkomen. Van een vreemdeling mag namelijk niet worden verlangd dat hij zijn geloofsovertuiging verborgen houdt om vervolging te voorkomen.
6. Verweerder heeft de afvalligheid van eiser geloofwaardig geacht en zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de afvalligheid van eiser geen vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade oplevert. Eiser heeft verklaard dat hij op zijn vijftiende afstand heeft genomen van de islam. Vervolgens heeft eiser nog ongeveer vijfentwintig jaar in Iran verbleven, heeft zijn afvalligheid niet geuit en ten aanzien daarvan ook geen problemen ondervonden. Ook heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat zijn afvalligheid voor hem zo belangrijk is, dat hij zich actiever zou willen uiten maar dat niet doet vanwege vrees voor de autoriteiten. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser is bevraagd over de wijze waarop hij in Iran met zijn afvalligheid is omgegaan, hoe hij zich bij terugkeer zal gedragen en wat het voor hem betekent om zich te conformeren aan het heersende regime. De omstandigheid dat eiser twee dagen heeft vastgezeten tijdens zijn militaire dienst omdat hij niet wilde deelnemen aan het gebed, maakt dit niet anders. Gesteld noch gebleken is dat eiser heeft vastgezeten vanwege zijn gestelde afvalligheid. Het rapport van Stichting Gave onderstreept de persoonlijke zwaarte van de afvalligheid en de door eiser ervaren innerlijke spanning, maar brengt geen nieuwe feitelijke risico’s aan het licht waaruit volgt dat eiser enkel vanwege zijn afvalligheid reeds in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat.
Werkinstructie 2024/6
7. De voorwaarden in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn zijn overgenomen in artikel 31 van de Vw. Het uitgangspunt is dat de vreemdeling zijn asielrelaas aannemelijk moet maken. In voorkomende gevallen dient verweerder in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen van het asielrelaas vast te stellen. Daarbij wordt meegewogen dat verklaringen vaak niet volledig met documenten kunnen worden onderbouwd. Ook telt de aansluiting bij andere bronnen, zoals landeninformatie en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Als het relaas niet volledig met stukken kan worden gestaafd, kan pas worden toegekomen aan het voordeel van de twijfel zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Deze uitgangspunten zijn overgenomen in WI 2024/6.
8. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij de inhoudelijke beoordeling onder artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw is uitgegaan van eisers verklaringen. Verweerder heeft gemotiveerd dat de ongeloofwaardigheid van de gestelde bekering niet uitsluitend is gebaseerd op het ontbreken van documenten, maar vooral op de waardering van de verklaringen van eiser in samenhang met de overige elementen van zijn relaas en de toepasselijke landeninformatie. Niet is gebleken dat aan eiser andere of zwaardere voorwaarden zijn tegengeworpen dan volgen uit artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31 van de Vw of dat hij door de toepassing van WI 2024/6 in een nadeligere positie is gekomen dan bij toepassing van de eerdere WI 2014/10. Er bestaat daarom geen aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen van het Hof af te wachten.
Bekering tot het christendom
9. Bij de beoordeling van een gestelde bekering komt aan verweerder beoordelingsruimte toe. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een geloofsovertuiging in onderlinge samenhang mag betrekken wat de vreemdeling verklaart over de motieven voor en het proces van bekering, zijn kennis van het nieuwe geloof en de wijze waarop hij daaraan in het dagelijks leven invulling geeft. Dit beoordelingskader is neergelegd en nader uitgewerkt in WI 2022/3. Anders dan eiser stelt volgt daaruit niet dat één van deze elementen op zichzelf beslissend is. Verweerder dient een beoordeling te maken die is toegespitst op de persoonlijke omstandigheden van eiser.
10. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser is bevraagd over zijn afvalligheid van de islam, zijn eerste kennismaking met het christendom in Nederland, de rol van hetgeen hem is overkomen in Iran, zijn ervaringen in de kerk, zijn motieven om zich tot het christendom te wenden, zijn lezing van de Bijbel en de betekenis van vergeving, naastenliefde en ‘zondenvrij zijn’ voor zijn leven. Daarnaast is gevraagd naar concrete Bijbelgedeelten, naar de drie-eenheid en zijn kerkelijke activiteiten. Daarmee is voldaan aan de kern van de WI 2022/3 en heeft eiser voldoende gelegenheid gehad om over alle relevante elementen van zijn bekering te verklaren. Dat niet op ieder door Stichting Gave genoemd punt verder is doorgevraagd, maakt op zichzelf niet dat in strijd met WI 2022/3 is gehandeld. De WI 2022/3 schrijft geen bepaald aantal of type vervolgvragen voor, maar beoogt dat de vreemdeling ruimte krijgt om zijn asielmotief uiteen te zetten. Uit het nader gehoor blijkt dat die ruimte aan eiser is geboden.
11. Verweerder heeft in het bestreden besluit centraal gesteld dat eiser over zijn motieven en proces van bekering overwegend algemeen en slechts in beperkte mate persoonlijk heeft verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij zich tijdens zijn eerste kerkdienst welkom voelde, dat hij geraakt was door de liefde en gastvrijheid, en dat het idee van vergeving van zonden hem hoop gaf. Verweerder heeft echter kunnen benadrukken dat eiser deze elementen slechts beperkt concreet verbindt met zijn eigen achtergrond en innerlijke ontwikkeling. Ook waar eiser spreekt over vergeving, rust en positieve krachten blijft grotendeels onduidelijk hoe dit zich concreet in zijn dagelijks leven uit, anders dan in algemene bewoordingen dat hij aardiger is geworden en niet meer wegkijkt voor het leed van anderen. Daarbij is betrokken dat eiser zelf heeft verklaard zich al langere tijd in het christelijk geloof te verdiepen, zodat meer persoonlijke inkleuring mocht worden verwacht. Verder heeft verweerder betrokken dat eiser op onderdelen tegenstrijdig heeft verklaard, onder meer waar hij enerzijds stelt nooit aan het christendom te hebben getwijfeld en anderzijds verklaart over twijfels in het begin van zijn proces. Ook heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt dat de door hem gestelde gedragsverandering specifiek voortvloeit uit zijn bekering. Het rapport van Stichting Gave biedt ook geen reden voor een ander oordeel. Ter zitting heeft verweerder hierover niet ten onrechte gesteld dat Stichting Gave geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.
12. De doopakte en de door de kerk opgestelde verklaring bevestigen dat eiser aan kerkelijke activiteiten heeft deelgenomen en is gedoopt. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen overwegen dat deze stukken ondersteunend zijn, maar niet doorslaggevend voor de vraag of sprake is van een diepgewortelde innerlijke overtuiging.
13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de gestelde bekering niet ten onrechte ongeloofwaardig kunnen achten.
Politieke mening
14. Uit het ambtsbericht 2023 en de daarop gebaseerde beleidsbrief van 23 januari 2024 volgt dat als risicogroep onder meer worden aangemerkt personen die actief zijn in de politiek, journalistiek, mensenrechten of een ander maatschappelijk terrein en daarbij kritiek uiten op de autoriteiten, voor zover die activiteiten door de autoriteiten als oppositioneel worden aangemerkt. De kwalificatie als risicogroep betekent echter niet dat ieder lid van die groep zonder meer bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft de politieke mening van eiser geloofwaardig geacht, maar heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat zijn activiteiten beperkt zijn gebleven tot deelname aan grote demonstraties, zonder organiserende of zichtbare leidende rol, en dat hij naar eigen zeggen in Iran nooit problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke mening of deelname aan die demonstraties. Verder heeft eiser in Nederland geen politieke activiteiten verricht en heeft hij niet nader toegelicht hoe hij zich bij terugkeer in Iran politiek actief wil uiten. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser vanwege zijn eigen politieke mening en activiteiten geen gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade loopt.
15. Dat de echtgenote van eiser in Nederland bescherming heeft verkregen vanwege haar betrokkenheid bij [naam 2] betekent op zichzelf niet dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt. Van belang is hoe de Iraanse autoriteiten eiser zien in het licht van haar activiteiten. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser, ook na de arrestaties van zijn echtgenote in 2018 en 2021, nog geruime tijd in Iran heeft verbleven zonder dat hij zelf problemen met de autoriteiten heeft ondervonden. Ook uit het ambtsbericht 2023 volgt niet dat partners van opposanten in algemene zin zelfstandig risico lopen. Gegeven deze omstandigheden heeft verweerder de stelling van eiser dat hij enkel als gevolg van de problemen van zijn echtgenote bij terugkeer in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal komen, onvoldoende onderbouwd mogen vinden.
Ondervraging bij terugkeer
16. Volgens de informatie in het ambtsbericht 2023 lopen Iraanse vluchtelingen die na een langer verblijf in het buitenland terugkeren naar Iran het risico om bij aankomst door de autoriteiten te worden ondervraagd, in het bijzonder wanneer zij terugreizen op een laissez-passer. In dat verband is niet uitgesloten dat vragen worden gesteld over de duur en reden van het verblijf in het buitenland en over eventuele politieke of religieuze activiteiten. Eiser verblijft sinds januari 2023 in Nederland en zijn Iraanse paspoort is sinds november 2023 verlopen. Het ligt daarom in de rede dat hij bij terugkeer ofwel met een laissez passer reist ofwel zich tot de Iraanse autoriteiten moet wenden voor de afgifte van een nieuw paspoort. De rechtbank kan eiser daarom volgen in zijn stelling dat ook in zijn geval het risico reëel is dat hij bij terugkeer in Iran aan de grens, ofwel luchthaven, door de Iraanse autoriteiten zal worden ondervraagd. Volgens het ambtsbericht 2023 is niet ondenkbaar dat de Iraanse autoriteiten hem in dat geval zullen ondervragen over zijn verblijf in Nederland, de redenen daarvoor en over zijn mogelijke politieke of religieuze activiteiten.
17. In het bestreden besluit heeft verweerder de door eiser gestelde vrees bij terugkeer uitsluitend beoordeeld vanuit het perspectief van een verlopen Italiaans visum en de aanwezigheid van een uitreisstempel in zijn paspoort. Daarmee is niet kenbaar betrokken welke gevolgen een ondervraging bij terugkeer kan hebben in het licht van de in deze zaak geloofwaardig geachte elementen, namelijk eisers afvalligheid, zijn politieke mening en de verlening van een asielvergunning aan zijn echtgenote wegens haar problemen met de Iraanse autoriteiten. Evenmin is gemotiveerd waarom deze combinatie van factoren niet maakt dat eiser bij een verwachte ondervraging een reëel risico loopt dat zijn afvalligheid, zijn religieuze activiteiten, zijn langdurig verblijf in Nederland en zijn banden met een als opposant aangemerkte echtgenote onder de aandacht van de autoriteiten komen. Door deze aspecten niet kenbaar te betrekken, is onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer geen reëel risico op vervolging of ernstige schade loopt.
Conclusie
18. Gezien het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Iran geen reëel risico loopt op ernstige schade. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet daarom geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een besluit te nemen. De rechtbank zal daarom verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
19. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814 (achttienhonderdveertien euro) aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 10 december 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdelingbestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eensbent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.