RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54685
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 25 augustus 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 7 december 2024 in Zwitserland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening de Zwitserse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Zwitserse autoriteiten hebben dit verzoek op 6 oktober 2025 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
3. Eiser stelt in beroep dat zijn asielaanvraag in Zwitserland is afgewezen en dat hij daarom vreest voor indirect refoulement. Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat Zwitserland zijn asielaanvraag zorgvuldig zal behandelen. Hij voert aan dat hij in Zwitserland geen adequate rechtshulp heeft gekregen. Daarnaast zal Zwitserland zijn nieuwe asielaanvraag mogelijk behandelen als een opvolgende aanvraag, zonder inhoudelijke beoordeling en zonder gegarandeerde opvang of kosteloze rechtsbijstand. Hij stelt dat verweerder daarom had moeten onderzoeken in welke situatie eiser zal komen te verkeren bij overdracht. Eiser heeft verklaard te vrezen voor een onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Zwitserland, omdat zijn asielaanvraag in Zwitserland is afgewezen en vindt dat hij in Zwitserland niet netjes is behandeld. Verder stelt eiser dat hij tijdens het aanmeldgehoor bij verweerder onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen de overdracht aan Zwitserland toe te lichten, aangezien het aanmeldgehoor slechts zes pagina’s omvat. Bovendien is in het voornemen niet voldoende gereageerd op de bezwaren van eiser. Verweerder heeft tot slot ten onrechte de door eiser aangevoerde omstandigheden buiten beschouwing gelaten bij de vraag of toepassing moet worden gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De stelling van eiser dat het aanmeldgehoor niet zorgvuldig en onvolledig zou zijn, wordt niet gevolgd. Uit het aanmeldgehoor blijkt dat eiser is gevraagd naar zijn bezwaren tegen een eventuele overdracht naar Zwitserland. Verder is aan eiser gevraagd of hij persoonlijke problemen heeft ondervonden in Zwitserland en is gevraagd of hij al zijn bezwaren kenbaar heeft gemaakt. Hieruit volgt dat eiser in de gelegenheid is gesteld om alles naar voren te brengen wat hij relevant achtte. Er zijn verder ook geen correcties of aanvullingen ingediend waaruit zou blijken dat het aanmeldgehoor niet op zorgvuldige wijze zou zijn verlopen.
5. Niet in geschil is dat Zwitserland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In zijn algemeenheid mag verweerder ten aanzien van Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2025. Eiser wordt op grond van de Dublinverordening overgedragen met een akkoord van de Zwitserse autoriteiten. Dit betekent dat Zwitserland heeft toegezegd de (opvolgende) asielaanvraag van eiser met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen in behandeling te nemen. Het is gelet op het voorgaande aan eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van structurele systeemfouten of tekortkomingen in de asielprocedure zodat in zijn geval niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is hier niet in geslaagd. Er zijn geen aanknopingspunten dat eisers (opvolgende) asielaanvraag niet zorgvuldig of volgens de regels behandeld zal worden door Zwitserland. Hetgeen eiser over de rechtsbijstand heeft gesteld ten aanzien van zijn eerdere asielprocedure in Zwitserland, maakt niet direct dat de Zwitserse autoriteiten in strijd handelen met de Procedurerichtlijn. Uit de artikelen 19 en 20 van de Procedurerichtlijn volgt namelijk niet dat iedere vreemdeling onvoorwaardelijk recht heeft op kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging in asielprocedures, zowel in eerste aanleg als in beroepsprocedure. Verder mag van eiser worden verwacht dat hij daarover klaagt in Zwitserland als hij de rechtshulp onvoldoende acht. Hij heeft verder niet onderbouwd dat hij in Zwitserland bij terugkeer geen toegang zal krijgen tot de opvang.
6. De beroepsgrond van het risico op indirect refoulement dat eiser bij terugkeer naar Zwitserland stelt te lopen, slaagt niet. Omdat ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, betekent dit dat er vanuit moet worden gegaan dat eiser na overdracht naar Zwitserland in overeenstemming met het Europese recht zal worden behandeld. In dat kader zijn de Zwitserse autoriteiten gebonden aan de verplichting om eiser niet uit te zetten als dat in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Die verplichting geldt ook als er een eerdere asielaanvraag van eiser in Zwitserland is afgewezen. Gelet hierop kan een beoordeling van de gestelde risico’s die eiser in Turkije zou lopen in deze procedure niet plaatsvinden. Dit volgt ook uit de jurisprudentie van de Afdeling.
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag toch in Nederland te behandelen. Eiser heeft echter geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die ertoe zouden leiden dat overdracht aan Zwitserland leidt tot onevenredige hardheid. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen afzien van toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 9 december 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.