9. ECLI:NL:RVS:2025:4165
Artikel 16 van de Dvo
10 ECLI:EU:C:2023:934.
11 ECLI:NL:RVS:2024:2359.
12 ECLI:NL:RVS:2025:5376.
13 ECLI:NL:RVS:2017:2626.
Artikel 17, eerste lid, van de Dvo
14. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat hij een partner in Nederland heeft. De minister heeft ten onrechte aangenomen dat geen sprake is van een duurzame relatie en heeft onvoldoende duidelijk aangegeven wat een duurzame relatie inhoudt. De enkele omstandigheid dat de relatie niet bestond in het land van herkomst maakt niet dat geen sprake kan zijn van een duurzame relatie. Ter onderbouwing van de relatie heeft eiser verklaringen van zijn partner en hemzelf overgelegd waarin zij aangeven dat zij samen zijn, verloofd zijn, samenwonen en afhankelijk zijn van elkaar.
15. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
16. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Polen onevenredig hard is. Niet in geschil is dat de relatie nog niet bestond in het land van herkomst. Daarom is de gestelde partner geen gezinslid in de zin van artikel 2, onder g, van de Dvo. Van een door de Dvo beschermde gezinsband is dan ook geen sprake. Verder heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser bij overdracht niet zonder meer van zijn gestelde partner zal worden gescheiden omdat zij de Nederlandse nationaliteit bezit en als Unieburger in Polen mag verblijven en desgewenst met eiser naar Polen kan reizen en/of zich daar kan vestigen. De minister heeft de persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende meegewogen en voldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Polen van onevenredige hardheid getuigt. De beroepsgrond slaagt niet.
17. Voor zover eiser een beroep doet op artikel 16 van de Dvo en daarbij stelt dat hij en zijn gestelde partner afhankelijk zijn van elkaar, slaagt ook die beroepsgrond niet. Artikel 16 van de Dvo is niet van toepassing op de situatie van eiser. Eisers gestelde partner is namelijk geen kind, broer, zus of ouder, terwijl dat een voorwaarde is voor toepassing van dit artikel.
14. JV 2012/234
Artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens
18. Voor zover eiser een beroep doet op artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) overweegt de rechtbank dat in de Dublinprocedure niet aan artikel 8 van het EVRM wordt getoetst. De Dublinprocedure is niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij familie- of gezinsleden kan worden verkregen en er geen inhoudelijke behandeling van eiser zijn verzoek om internationale bescherming in Nederland plaatsvindt.15 De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
15 Zie ECLI:NL:RVS:2017:2484 en ECLI:NL:RVS:2023:1765.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.