RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47381
mede namens haar minderjarige kinderen
[naam minderjarig kind 1], v-nummer: [nummer 2]
[naam minderjarig kind 2], v-nummer: [nummer 3]
(gemachtigde: mr. N.R.H. Boon),
en
(gemachtigde: M.J.C. van der Woning).
1. Deze uitspraak op het beroep van eiseres gaat over het besluit van de minister om de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. De minister heeft het besluit namelijk deugdelijk gemotiveerd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 3 juli 2025 in Nederland een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 29 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar twee minderjarige kinderen, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin staat dat op grond van de Dublinverordening de minister een asielaanvraag niet in behandeling neemt als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiseres op 2 november 2022 en op 26 februari 2024 in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De minister heeft daarom op 26 augustus 2025 de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening. Frankrijk heeft dit verzoek op 9 september 2025 aanvaard.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan haar asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich zou moeten worden getrokken. Volgens de minister is niet gebleken dat eiseres en haar kinderen in Frankrijk een reëel risico lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling. Uit de overgelegde stukken blijkt wel dat haar zoon astma heeft, maar niet dat overdracht naar Frankrijk zal leiden tot een aanzienlijke of onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres of haar kinderen in Frankrijk geen toegang zullen hebben tot medische zorg of adequate opvang. De minister verwijst naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en stelt dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen nakomt. Van bijzondere kwetsbaarheid in de zin van het arrest Tarakhel is volgens de minister geen sprake, nu eiseres dit niet met medische of andere stukken heeft onderbouwd. Er zijn daarom geen individuele garanties vereist voor de overdracht aan Frankrijk. Ook het beroep op het belang van de kinderen leidt niet tot een ander standpunt, nu niet is aangetoond dat overdracht een negatieve invloed zal hebben op hun welzijn of ontwikkeling.
Had de minister de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich moeten trekken?
4. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om haar asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Hiertoe voert zij aan dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat een overdracht aan Frankrijk van een onevenredige hardheid zou getuigen. Zij wijst daartoe op de overgelegde medische stukken waaruit blijkt dat haar oudste zoontje astma heeft. In Frankrijk heeft hij een astma-aanval gehad waarvoor hij in het ziekenhuis is opgenomen en ook in Nederland heeft hij recent nog klachten gehad. Eiseres is een alleenstaande moeder van twee jonge minderjarige kinderen, en meent daarom dat zij bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest Tarakhel en dat aanvullende garanties noodzakelijk zijn voordat overdracht aan Frankrijk plaatsvindt. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij na de afwijzing van haar asielaanvragen in Frankrijk de opvang moest verlaten en dat zij met haar kinderen op straat kwam te staan. Zij kon niet voorzien in voedsel en medicatie voor haar oudste zoontje. Toegang tot opvang en medische zorg zijn voor haar daarom noodzakelijke garanties. Eiseres voert aan dat het met haar kinderen beter gaat in Nederland en dat een overdracht opnieuw instabiliteit zou veroorzaken. Volgens eiseres heeft de minister deze omstandigheden onvoldoende erkend en meegewogen.
De rechtbank overweegt dat de minister op grond van paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om een asielverzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken. Deze bevoegdheid wordt slechts gebruikt wanneer sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat een overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag van eiseres niet onverplicht aan zich had hoeven trekken. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat haar oudste zoontje lijdt aan astma en dat zij in Frankrijk moeite had om te voorzien in basisbehoeften, maar zij heeft niet met objectieve stukken onderbouwd waaruit blijkt dat een overdracht aan Frankrijk een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van haar zoon met zich meebrengt. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres en haar kinderen in Frankrijk geen toegang zullen hebben tot adequate opvang en medische zorg, of dat sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Tarakhel of het arrest C.K. Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat haar oudste zoontje in Frankrijk medische behandeling heeft gehad en dat daar dezelfde medicatie beschikbaar is. Frankrijk heeft met het Dublinakkoord gegarandeerd dat haar aanvraag in behandeling wordt genomen, waardoor eiseres toegang heeft tot opvang en medische zorg. De minister heeft de door eiseres aangevoerde omstandigheden onvoldoende mogen achten om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.