RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27956
mede namens haar minderjarige kinderen:
[kind 1] , V-nummer: [V-nummer 2]
[kind 2] , V-nummer: [V-nummer 3] en
[kind 3] , V-nummer: [V-nummer 4] ,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. J. Sanchéz-Rhemrev).
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum 1] 1997 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Haar kinderen zijn in Nederland geboren op [datum 2] 2018, [datum 3] 2020 en [datum 4] 2025. De huidige asielaanvraag heeft eiseres ingediend op 25 maart 2022.
2. Aan deze asielaanvraag heeft eiseres het volgende ten grondslag gelegd. In 2014 is eiseres getrouwd met een man genaamd [naam 1]. Dit huwelijk was geregeld door de moeder van eiseres, nadat eiseres was verkracht door twee jongens. In 2016 hoorde eiseres [naam 1] praten met zijn moeder. Hierbij heeft eiseres gehoord dat haar moeder niet haar biologische moeder is, maar haar stiefmoeder. Daarnaast heeft eiseres gehoord dat de verkrachting door twee jongens het plan was van haar stiefmoeder en [naam 1]. Hierop heeft eiseres ruzie gekregen met [naam 1] en zijn moeder. Bij de worsteling die tijdens deze ruzie is ontstaan, heeft de moeder van [naam 1] onbedoeld [naam 1] doodgestoken met een mes. Eiseres kreeg hiervan de schuld. Zij is vervolgens gevlucht uit Nigeria met hulp van een man genaamd [naam 2] . Tijdens haar reis is eiseres het slachtoffer geworden van mensenhandel en zij vreest bij terugkeer voor represailles.
3. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. Dat eiseres wordt beschuldigd van de dood van [naam 1] en dat zij slachtoffer is van mensenhandel, heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. De asielaanvraag is op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres onjuiste informatie heeft verstrekt over haar achternaam, relevante informatie of documenten heeft achtergehouden die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben en verklaringen heeft afgelegd die als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn beoordeeld.
4. Eiseres voert het volgende aan. Verweerder heeft pas op 18 juni 2025 het bestreden besluit genomen, terwijl eiseres al op 16 april 2024 een zienswijze heeft ingediend. Op brieven die eiseres in de tussengelegen periode heeft verstuurd, zoals over een mogelijk aanvullend gehoor, heeft verweerder nooit gereageerd. Daarbij komt dat het bestreden besluit zonder aankondiging vanuit Schiphol is gekomen in plaats vanuit Zevenaar. Verweerder had gelet op artikel 3:2 van de Awb contact met eiseres moeten opnemen. Door het tijdsverloop is eiseres bovendien slachtoffer geworden van de nieuwe wijze waarop verweerder geloofwaardigheidsbeoordelingen van asielrelazen maakt. Daarnaast heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd door in reactie op de zienswijze steeds te verwijzen naar het voornemen dan wel nauwelijks op de zienswijze in te gaan. Eiseres herhaalt daarom haar zienswijze in de beroepsgronden. Verder had verweerder aanleiding moeten zien om eiseres aanvullend te horen, omdat zij slachtoffer is van mensenhandel. Eiseres doet voorts een beroep op de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025 over het risico op represailles dat slachtoffers van mensenhandel lopen bij terugkeer naar Nigeria. Ook heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiseres de achternaam van haar partner heeft gebruikt, nu zij heeft uitgelegd dat dit te maken heeft met wat zij heeft meegemaakt in Nigeria en Italië. Tot slot zijn de kinderen van eiseres in Nederland geworteld en is hun terugkeer naar Nigeria in strijd met artikel 8 van het EVRM. In het geval van de dochter van eiseres is de terugkeer tevens in strijd met artikel 3 van het EVRM, omdat zij een risico loopt op genitale besnijdenis.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Zorgvuldigheidsbeginsel
5. Eiseres wordt niet gevolgd in haar stelling dat verweerder niet in overeenstemming met artikel 3:2 van de Awb heeft gehandeld. Dat het bestreden besluit is genomen door een medewerker die werkzaam is op locatie Schiphol heeft verweerder niet voorafgaand aan het nemen van het besluit aan eiseres hoeven meedelen en maakt niet dat sprake is geweest van onzorgvuldigheid. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de IND één dienst is en dat de locatie waar het besluit is genomen geen gevolgen heeft voor de besluitvorming. Niet gebleken is dat eiseres op enige wijze is benadeeld doordat het bestreden besluit is genomen door een medewerker die werkzaam is op de locatie Schiphol.
Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit gereageerd op het verzoek van eiseres om aanvullend te worden gehoord omdat zij slachtoffer stelt te zijn van mensenhandel. Verweerder heeft overwogen dat een aanvullend gehoor niet aan de orde is, omdat eiseres niet heeft onderbouwd waarom zij ten tijde van de gehoren niet heeft meer heeft kunnen verklaren toen zij daarvoor de gelegenheid heeft gekregen. Verweerder heeft er verder op gewezen dat niet gevolgd wordt dat zij slachtoffer is van mensenhandel en dat zij niet heeft onderbouwd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar persoonlijke situatie. Daarmee heeft verweerder zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet nodig was om eiseres aanvullend te horen. Dat verweerder niet voorafgaand aan het bestreden besluit per brief heeft gereageerd op de vraag van eiseres of een aanvullend gehoor zou plaatsvinden, maakt niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld.
Verder heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres terecht beoordeeld aan de hand van WI 2024/6. Deze WI is namelijk sinds 1 juli 2024 van kracht. Als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt eveneens voor beleid en overige vaste gedragslijnen. Van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt is niet gebleken. Voor zover eiseres stelt dat zij door de toepassing van WI 2024/6 is benadeeld, overweegt de rechtbank dat eiseres dit geheel niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd.
Motivering van het bestreden besluit
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar beroepsgronden haar zienswijze deels heeft herhaald, met de toevoeging dat verweerder in het bestreden besluit volgens haar onvoldoende is ingegaan is op de zienswijze. Hiermee heeft eiseres niet gemotiveerd
aangegeven waarom de reactie van verweerder op de zienswijze in het bestreden besluit niet juist of onvoldoende zou zijn. Dit kan dan ook niet worden beschouwd als een gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit. Voor zover eiseres erop wijst dat verweerder in het bestreden besluit meermaals heeft verwezen naar het voornemen, maakt dit niet dat sprake is van een motiveringsgebrek. Vastgesteld wordt dat verweerder in het bestreden besluit namelijk steeds heeft toegelicht waarom het oordeel van het voornemen in stand blijft.
Mensenhandel
7. Verweerder heeft ongeloofwaardig geacht dat eiseres slachtoffer is van mensenhandel, maar daarbij overwogen dat mogelijk wel sprake is geweest van mensensmokkel tijdens de reis van eiseres of dat eiseres mogelijk heeft betaald voor de reis. Eiseres heeft dit niet gemotiveerd betwist. Nu verweerder wel heeft aangenomen dat de mogelijkheid bestaat dat sprake is geweest van mensensmokkel heeft verweerder terecht beoordeeld of eiseres te vrezen heeft voor de personen die de reis van eiseres georganiseerd hebben. Verweerder heeft hiertoe (impliciet) een risico-analyse gemaakt en de volgende omstandigheden daarbij betrokken. Allereerst heeft eiseres volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt hoeveel en aan wie zij geld moet terugbetalen. Daarnaast heeft eiseres tegenstrijdig verklaard over of zij onder valse voorwendselen naar Europa is gekomen. Ook heeft eiseres tegenstrijdig verklaard over haar verblijfplaats in Italië (een bordeel of niet). Nergens uit blijkt dat eiseres is vastgehouden tegen haar wil of gedwongen in de prostitutie in Europa heeft gewerkt. Ook zijn de bedreigingen van [naam 2] geëindigd nadat eiseres haar telefoonnummer had gewijzigd en heeft eiseres niet verklaard over bedreigingen aan het adres van haar familie in Europa of Nigeria. Verder heeft eiseres geen recente problemen nu zij sinds 2018 geen contact meer heeft met [naam 2] . Uit de verklaringen van eiseres blijkt voorts niet dat [naam 2] lid is van een georganiseerde bende of dat hij een machtig persoon is. Daarbij komt dat eiseres sinds 2016 samen is met een partner met wie zij een gezin vormt en dat zij dus geen alleenstaande vrouw zal zijn bij terugkeer. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat voor eiseres bij terugkeer naar haar land geen risico wordt aangenomen op re-trafficking en represailles. Deze beoordeling van het risico op represailles bij terugkeer is naar het oordeel van de rechtbank in lijn met de door eiseres genoemde uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025. Het beroep van eiseres op deze uitspraak slaagt daarom niet.
Kinderen
8. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer van de dochter van eiseres naar Nigeria. In het voornemen heeft verweerder overwogen dat uit de algemene situatie in Nigeria niet zonder meer een risico op besnijdenis volgt, dat zowel eiseres als haar partner tegen besnijdenis zijn en dat eiseres geen gedetailleerde en specifieke verklaringen heeft afgelegd over personen die haar zouden kunnen dwingen tot het besnijden van haar dochter. In het bestreden besluit heeft verweerder verder overwogen dat niet wordt ingezien waarom zij zich niet zou kunnen onttrekken aan de traditie binnen haar bevolkingsgroep en dat eiseres zich tot de Nigeriaanse autoriteiten kan wenden. Verweerder heeft daarom geconcludeerd dat gelet op de persoonlijke omstandigheden van eiseres niet aannemelijk wordt geacht dat de dochter van eiseres besneden zal worden. Eiseres heeft dit in beroep niet gemotiveerd betwist. Met de enkele stelling dat bij terugkeer sprake zal zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar dochter in Nigeria het risico zal lopen om te worden besneden.
9. Ook is niet gebleken van een schending van artikel 8 van het EVRM bij terugkeer van de kinderen van eiseres naar Nigeria. De enkele stelling van eiseres dat hiervan sprake zal zijn, is daartoe onvoldoende. Gelet op de leeftijden van de twee oudste kinderen wordt aangenomen dat zij schoolgaand zijn en dat bij hen sprake is van enige mate van worteling in Nederland. Dit is echter onvoldoende voor de conclusie dat bij terugkeer naar Nigeria sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM.
Kennelijk ongegrond
10. Tot slot heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Vastgesteld wordt dat eiseres de toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw niet heeft bestreden. Voor zover eiseres de toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw bestrijdt omdat zij meent dat de overweging dat zij verweerder heeft misleid met betrekking tot haar achternaam niet strookt met de omstandigheid dat verweerder haar identiteit geloofwaardig acht, wordt zij daarin niet gevolgd. Eiseres heeft bij haar asielaanvraag en tijdens het aanmeldgehoor de achternaam van haar partner opgegeven, terwijl dit niet haar achternaam is. Dat verweerder de identiteit van eiser later geloofwaardig heeft geacht, nadat eiseres heeft verklaard over haar werkelijke achternaam, laat onverlet dat verweerder de eerdere verklaringen van eiseres over haar achternaam misleidend heeft kunnen achten. De verklaring die eiseres heeft gegeven voor het opgeven van de achternaam van haar partner heeft verweerder niet verschoonbaar hoeven achten.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 10 december 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.