ECLI:NL:RBDHA:2025:23759

ECLI:NL:RBDHA:2025:23759, Rechtbank Den Haag, 09-12-2025, NL24.46585

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-12-2025
Datum publicatie 12-12-2025
Zaaknummer NL24.46585
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Regulier, Turkije, Turkse werknemer, intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht voor Turkse onderdanen, standstill-bepaling, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.46585

(gemachtigde: mr. I. Özkara),

en

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser. Eiser is daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht heeft ingetrokken. Eiser betwist op zitting niet langer dat hij geen rechten heeft opgebouwd op grond van artikel 6 van het Besluit 1/80 en niet tot de legale arbeidsmarkt behoort. Artikel 13 van het Besluit 1/80 is niet op hem van toepassing. Het beroep is daarom ongegrond. De rechtbank licht hieronder toe hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 19 mei 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als kennismigrant’ met terugwerkende kracht ingetrokken per 30 november 2023. Met het besluit van 10 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard, maar is wel bij de intrekking gebleven en heeft de datum van de intrekking gewijzigd naar 1 maart 2024 omdat op die datum de zoekperiode is afgelopen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.

Totstandkoming besluit

Wat is er aan de procedure voorafgegaan?

3. Op 2 september 2022 heeft [naam bedrijf 1] BV als erkend referent voor eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel ‘arbeid als kennismigrant’. Eiser kreeg deze vergunning bij [naam bedrijf 1] BV op 21 oktober 2022. Eiser heeft hier iets meer dan een jaar gewerkt. Vervolgens heeft [naam bedrijf 2] BV als erkend referent voor eiser op 17 oktober 2023 een nieuwe aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel ‘arbeid als kennismigrant’. Die werd verleend met een geldigheid van 10 november 2022 tot 1 mei 2026.

Op 5 februari 2024 heeft [naam bedrijf 2] BV gemeld dat hij niet langer optreedt als erkend referent voor eiser. Eiser nam op 30 november 2023 ontslag en keerde volgens [naam bedrijf 2] BV wegens ‘heimwee’ terug naar Turkije. De minister trok daarop op 19 mei 2024 de verblijfsvergunning van eiser in met terugwerkende kracht vanaf 30 november 2023, omdat eiser vanaf die datum niet meer voldeed aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning: hij had zijn hoofdverblijf verplaatst en was niet langer in dienst bij een erkend referent. Het bezwaar van eiser tegen dit besluit verklaarde de minister gegrond, voor zover dat was gericht tegen de aanname dat hij zijn hoofdverblijf had verplaatst. Eiser had zijn hoofdverblijf niet verplaatst. Maar de intrekking van de verblijfsvergunning bleef gehandhaafd omdat eiser geen arbeidsovereenkomst had met een erkend referent. Wel had eiser na het beëindigen van zijn dienstverband nog een termijn van drie maanden, binnen welke periode hij naar ander werk kon zoeken. De intrekking van de vergunning per datum ontslag was daarom niet juist. Omdat eiser in de periode van 30 november 2023 tot 1 maart 2024 geen nieuwe baan vond als kennismigrant, heeft de minister de intrekkingsdatum alsnog bepaald op 1 maart 2024, het einde van de zoekperiode.

Beoordeling door de rechtbank

Mocht de minister de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht intrekken?

4. Eiser betoogt dat zijn verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht tot 1 maart 2024 mag worden ingetrokken, omdat dit in strijd is met het Turks associatierecht, in het bijzonder de standstill-bepaling in artikel 13 van Besluit 1/80. Volgens het WODC-rapport ‘Rechtspositie Turkse Onderdanen’ kan een intrekking met terugwerkende kracht alleen plaatsvinden bij frauduleus handelen. Eiser voert aan dat hij tijdens zijn verblijf in Nederland rechten heeft opgebouwd op grond van artikel 6 van het Besluit 1/80, omdat hij langer dan een jaar bij dezelfde werkgever heeft gewerkt. Zelfs als eiser nog geen jaar zou hebben gewerkt, is dit artikel alsnog van toepassing. Ter onderbouwing van zijn betoog wijst eiser op twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem en ‘s-Hertogenbosch.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht mocht worden ingetrokken.

De rechtbank stelt voorop dat eiser op de zitting niet langer betwist dat hij geen rechten heeft opgebouwd op grond van artikel 6 van het Besluit 1/80. Omdat eiser binnen de zoekperiode geen nieuw dienstverband is aangegaan, is hij zijn status van tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer verloren. Anders dan eiser betoogt, brengt dit enkele gegeven reeds mee dat de standstill-bepaling uit artikel 13 van het Besluit 1/80 op zijn situatie niet van toepassing is. Uit de bewoordingen van artikel 13 van het Besluit 1/80

volgt dat het begrip ‘werknemer’ in de zin van dit artikel dezelfde is als die in artikel 6 van het Besluit 1/80: ‘werknemer’ is een Turks onderdaan die daadwerkelijk arbeid in loondienst verricht of die tijdelijk niet in staat is om arbeid in loondienst te verrichten. Eiser voldoet hier niet aan. Dat eiser zijn bezwaarprocedure in Nederland mocht afwachten maakt dat niet anders. Zoals de minister terecht heeft opgemerkt in het verweerschrift, levert het feit dat eiser zich tijdens de bezwaarprocedure in Nederland bevond slechts een procedurele verblijfsstatus op en geen stabiele verblijfspositie, die veronderstelt dat het verblijfsrecht niet wordt betwist. De arbeid die hij daarna verrichte bij [naam bedrijf 3] B.V. (15 mei - 30 november 2024), [naam bedrijf 4] B.V. (1 januari - 31 mei 2025) en [naam bedrijf 5] B.V. (1 juli 2025 - heden) kan daarom niet als legale arbeid tijdens legaal verblijf worden aangemerkt. Hieruit volgt dat eiser niet tot de legale arbeidsmarkt behoort en daarom geen beroep kan doen op artikel 13 van het Besluit 1/80. De uitspraken waar eiser naar verwijst, maken het voorgaande niet anders omdat daarin wél sprake was van legaal verblijf en legale arbeid.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid vanmr. S.M. Hampsink, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.A. van Hoof

Griffier

  • mr. S.M. Hampsink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?