RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60058
geboren op [geboortedatum],
van Sierra Leoonse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
(gemachtigde: mr. M.F. Aly).
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft het bezwaar van verzoeker met het besluit van 11 november 2025 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
Procesverloop
Wat aan het bestreden besluit vooraf ging
2. De voorzieningenrechter verwijst naar haar eerdere uitspraak van 15 april 2025, waarin zij de voorlopige voorziening heeft getroffen dat verzoeker de behandeling van het bezwaarschrift tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar in Nederland mocht afwachten. Dat betekende dat de opvangvoorzieningen tot die tijd niet mochten worden beëindigd. De voorzieningenrechter verwijst voor de achtergrond van de zaak naar hetgeen is overwogen in die uitspraak onder 2 tot en met 2.2.
Het bestreden besluit en de rechtsmiddelen
3. Op 11 november 2025 heeft de minister de aanvragen niet in behandeling genomen, omdat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvragen of voor de voorbereiding van de beschikking. Uit de nota 'niet-inhoudelijke afdoening' van het BMA van 10 januari 2025 blijkt dat de gegevens en bescheiden die verzoeker heeft verstrekt onvoldoende zijn. Daarom heeft de minister op 13 januari 2025 een brief gestuurd waarin verzoeker in de gelegenheid is gesteld om uiterlijk op 27 januari 2025 de recente relevante medische gegevens afkomstig van de cardioloog op te sturen. Er is uitstel verleend tot 10 februari 2025. De minister heeft niets van verzoeker ontvangen en daarom zijn de aanvragen buiten behandeling gesteld. De minister heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat verzoeker onvoldoende bewijsmiddelen van de genoemde behandelaar heeft overgelegd om zijn aanvraag te kunnen beoordelen en dat de aanvraag daarom op juiste gronden buiten behandeling is gesteld. Verzoeker kan binnen vier weken beroep instellen. Hij mag de behandeling van het beroep niet in Nederland afwachten, maar hij kan de voorzieningenrechter vragen dat hij de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten.
Verzoeker heeft op 6 december 2025 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Het COa heeft op 9 december 2025 aan verzoeker meegedeeld dat op 12 december 2025 de Rva-verstrekkingen zullen worden beëindigd en dat hij zal worden overgeplaatst naar de VBL in Ter Apel.
Verzoeker heeft op 6 december 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van 11 november 2025. Ook heeft verzoeker op 11 december 2025 een aanvullend verzoekschrift ingediend en verzocht om met spoed uitspraak te doen. In de gronden heeft verzoeker onder meer aangegeven, mede vanwege de zorgelijke situatie die ook bij de minister en haar ketenpartners bekend is, dat de minister contact had kunnen opnemen met gemachtigde om melding te maken van het niet aanleveren van medische informatie door de cardioloog. Daarbij komt dat er van andere behandelaars wel medische informatie is ontvangen. De gemachtigde van verzoeker heeft ook aangegeven dat verzoeker meerdere suïcidepogingen heeft gedaan, laatstelijk op 10 december 2025.
De minister heeft desgevraagd op 11 december 2025 een reactie aan de voorzieningenrechter doen toekomen. De minister stelt zich primair op het standpunt dat er geen spoedeisend belang is, omdat er geen sprake is van een acute medische noodsituatie en verzoeker in de VBL basisvoorzieningen, medische zorg en begeleiding wordt aangeboden. Verzoeker heeft volgens de minister geen recente, objectieve medische documentatie overgelegd waaruit blijkt dat overplaatsing leid tot onmiddellijke levensbedreigende of anderszins acute gezondheidsschade. De stellingen van verzoeker zijn niet onderbouwd met medische stukken die aangeven dat overplaatsing medisch onverantwoord is. Er is geen verklaring van een psychiater of andere behandelaar waaruit blijkt dat verzoeker niet kan worden overgeplaatst of dat dit tot acute ontregeling zal leiden. De minister stelt zich op het standpunt dat de stelling van verzoeker dat het BMA-traject onzorgvuldig is verlopen niets zegt over de rechtmatigheid van een overplaatsing naar de VBL. De minister ziet ook geen bijzondere omstandigheden die nopen tot voortzetting van verblijf in het AZC Hoogeveen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute medische noodsituatie of dat noodzakelijke medische zorg uitsluitend op de huidige locatie kan worden verkregen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Anders dan de minister heeft gesteld, heeft verzoeker volgens de voorzieningenrechter wel een spoedeisend belang gelet op de omstandigheid dat het COa heeft aangegeven dat de Rva-verstrekkingen zullen worden beëindigd nu de aanvraag niet in behandeling is genomen en het bezwaar ongegrond is verklaard. Dat verzoeker nog opvang wordt geboden in een VBL leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat niet in geschil is dat verzoeker kampt met ernstige medische problematiek. De vraag of de minister de aanvraag buiten behandeling mocht stellen en het bezwaar ongegrond mocht verklaren omdat medische informatie ontbrak en de daarmee samenhangende vraag of het niet tijdig aanleveren van medische informatie verzoeker te verwijten is, laat de voorzieningenrechter op dit moment onbeantwoord. Gelet op de medische problematiek van eiser ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de gevraagde voorziening te treffen. De medische belangen van verzoeker om de behandeling van het beroep in Nederland te mogen afwachten wegen zwaarder dan de belangen van de minister om verzoeker niet toe te staan het beroep in Nederland te mogen afwachten en de daarbij gepaard gaande Rva-verstrekkingen te beëindigen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat verzoeker een recent medisch dossier, een brief zijn psychiater, en een brief van zijn Cultuur Sensitief Coach heeft overgelegd. Dat wat de minister onder 3.4 heeft aangegeven, maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat het belang van verzoeker om de behandeling van het beroep in Nederland te mogen afwachten minder zwaar weegt. Zeker niet nu daaruit niet blijkt dat daarbij de gestelde suïcidepoging en de medische gegevens die inmiddels zijn verstrekt, zijn betrokken.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten en de Rva-verstrekkingen niet mogen worden beëindigd.
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet dit betalen. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.